Jaar B, Vasten V

Vijfde zondag in de veertigdagentijd – Johannes 12, 20-33

‘Herr, unser Herrscher,
dessen Ruhm in allen Landen herrlich ist,
wig uns durch deine Passion
dass du, der wahre Gottes Sohn,
zu aller Zeit,
auch in der grössten Niedrigkeit,
verherrlicht worden bist.’

Deze tekst is afkomstig van het grote openingskoor uit de Johannespassion van Johann Sebastian Bach.
In de voorbije en komende weken wordt dit gigantische meesterwerk van religieuze muziek, net zoals de Mattäuspassion van dezelfde toondichter, op vele plaatsen uitgevoerd. De diepe indruk die dit gebeuren bij uitvoerders en luisteraars telkens weer nalaat, bevestigt de superieure waarde van deze werken, zoals die wordt bepaald door het samengaan van enerzijds de kracht die uitgaat van het verhaal, anderzijds het genie en daarenboven het diepe geloof en de rijke theologisch-Bijbelse inzichten van de componist, J.S. Bach.

De tekst van het inleidingskoor heeft Bach zelf geschreven. Zijn inspiratie vond hij duidelijk bij de auteur van het lijdensverhaal dat volgt, de evangelist Johannes. Zoals diens beroemde Proloog inspeelt op al wat daarna komt, zo zet ook Bachs proloog de toon voor zijn hele werk. Johannes zegt: ‘Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond. Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, zoals de Zoon die van de Vader krijgt, vol genade en waarheid.’ Bach zingt: ‘God, onze Heer, Gij zijt de Heer der Heren. Toon ons door uw lijdensweg heen dat Gij, Gods Zoon, ook in de diepste vernedering van het kruis verheerlijkt wordt.’

Johannes heeft ook een ruime inleiding op het lijdensverhaal zelf: Jezus’ afscheidsrede, zijn hogepriesterlijk gebed: ‘Vader, het uur is gekomen, verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke… Ik heb U op aarde verheerlijkt door het werk te volbrengen dat Gij Mij hebt opgedragen. Verheerlijk Mij nu, Vader, bij Uzelf en geef Mij de heerlijkheid die Ik had eer de wereld begon’ (hoofdstuk 17, 1 vv).

Zonder een inzicht in Johannes’ theologie van menswording en verlossing zou Bach dit inleidingskoor nooit hebben geschreven en zou de Johannespassion niet geworden zijn wat ze is: geen klaagzang, geen droeve verklanking van mislukking en wanhoop, maar een meditatie rondom het kruis van de verheerlijking, ingekaderd in een verheven lofzang.

‘Hert, unser Herrscher, dessen Ruhm in allen Landen herrlich ist, zeig uns durch deine Passion dass du, der wahre Gottes Sohn, zu aller Zeit, auch in der grössten Niedrigkeit, verherrlicht worden bist.’ (God, onze Heer, Gij zijt de Heer der Heren. Toon ons door uw lijdensweg heen dat Gij, Gods Zoon, ook in de diepste vernedering van het kruis verheerlijkt wordt.)

In het evangelie van vandaag komt ook tot tweemaal toe het begrip verheerlijking voor. ‘Het uur is gekomen dat de Mensenzoon wordt verheerlijkt.’ En verder: ‘Vader, verheerlijk uw Naam’, waarop de stem uit de hemel klinkt: ‘Ik heb Hem verheerlijkt en zal Hem nog verheerlijken.’

De context waarin dit staat, doet wat vreemd aan. Twee Grieken willen Jezus spreken. Hij lijkt daar niet op in te gaan en zet een monoloog op over het sterven van de graankorrel, over zijn leven verliezen, over dienen en over… verheerlijking.

Voor een goed begrip is het nodig te weten dat dit fragment in Johannes’ verhaal voorkomt ná het relaas over de blijde intocht in Jeruzalem. De liturgie lijkt wel een synchronisatiesteekje te laten vallen, want een week véér palmzondag wordt voorgelezen wat vlak ná de intocht plaatsvond. Vroeger was dit een stuk uit het evangelie van de zaterdag vóór palmzondag. Als een groot voorspel op de gehele Goede Week werd dan het hele hoofdstuk 12 voorgelezen, inclusief het korte verhaal over de intocht en het direct daaropvolgende.

Twee Grieken die – is het uit religieuze interesse of uit toeristische nieuwsgierigheid – voor de paasfeesten naar Jeruzalem waren gekomen, hebben waarschijnlijk de intocht meegemaakt, hebben allicht veel over de wondere man Jezus horen vertellen. Zij trachten Hem nu te spreken te krijgen.

Letterlijk staat er dat ze Hem willen zien. Via de bemiddeling van enkele apostelen komt hun vraag bij Jezus terecht. ‘Hij antwoordt hun,’ zegt de tekst. Maar er is niet uit op te maken wie met die ‘hun’ bedoeld is: de leerlingen (dat lijkt weinig waarschijnlijk) of meteen de Grieken zelf, die hun bemiddelaars wel tot bij Jezus gevolgd zullen zijn.

Wij opteren voor dit laatste en kunnen ons voorstellen dat Jezus’ antwoord begonnen moet zijn in de zin van: ziedaar, nu zie je Mij, zoals je gevraagd hebt. Aangenaam kennis te maken. Ik ben Jezus van Nazareth, dezelfde man als die vanmorgen op de rug van het ezeltje de stad binnenreed. En toch zie je Mij niet zoals Ik in werkelijkheid ben, al is dit wel mogelijk en ben je daarvoor op een goed moment gekomen. Want – en vanaf nu zijn Jezus’ woorden door de evangelist weer genoteerd – ‘het uur is gekomen dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt’. Het moment breekt aan dat de Mensenzoon in zijn volle realiteit, in zijn volle glorie te zien zal zijn.

Dat vreemde begrip verheerlijking betekent eenvoudig: te zien zoals Hij is. Verheerlijkt zijn is eruitzien zoals Hij in volle werkelijkheid is, vanbinnen en vanbuiten, in geest en waarheid.

Dit doet ons denken aan twee verhalen van de synoptici die bij Johannes niet voorkomen: twee momenten van verheerlijking, twee situaties waarin Jezus te zien is zoals Hij is, en waar tevens, net zoals iets verder in dit fragment, de hemel opengaat en de Vader zelf zegt: ‘Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, de Verheerlijkte, in wie Ikzelf verheerlijkt ben.’ Wij hebben het overJezus’ Doop en over zijn gedaante-verandering, toen Hij voor de ogen van enkele vrienden er plots anders uitzag dan gewoonlijk: verheerlijkt werd.

Toen omschreven wij het als: Jezus van Nazareth met de trekken van Jezus van Jeruzalem; de lijdende Dienaar met de wekken van de levende God; Gods Zoon met de trekken van de Gekruisigde: de Mensenzoon zoals Hij is, verheerlijkt.

‘En’, gaat Jezus verder, ‘wil je Mij zien zoals Ik ben, dan moet je een eindweegs meegaan: de weg van de dienstbaarheid, de weg van de levensgave, de weg van de graankorrel die maar vruchtbaar is – zichzelf is – als hij sterft en begraven wordt in vruchtbare moederaarde.’
In wat volgt doet dit evangelie ons denken aan nog een ander tafereel dat wél bij de synoptici en niet bij Johannes voorkomt: Getsemane. ‘Ik ben bedroefd ten dode toe. Laat deze beker aan Mij voorbijgaan. Maar uw wil geschiede.’ Hier staat Johannes’ equivalent: ‘Ik ben ontroerd. Wat moet Ik zeggen? Vader, red Mij uit dit uur? Maar daarom juist ben Ik tot dit uur gekomen. Vader, verheerlijk uw Naam.’ Daarop klinkt uit de hemel: ‘Ik heb Hem verheerlijkt en zal Hem nog verheerlijken.’

Want ook de Vader laat zich zien zoals Hij is. Hij laat zien dat en hoe Hij Vader is, precies in wat er met de Zoon gebeurt. Er is tot nog toe al veel gebeurd in Jezus’ leven waardoor de Vader zichtbaar geworden is. Nu gaat dit zijn bekroning krijgen in Jezus’ kruis: in een mens in de volle overgave aan zijn God, in de Zoon in zijn totale gegevenheid aan en vertrouwen in zijn Vader.

Zo vaak is het kruis verkeerd begrepen en uitgelegd als het teken van mensonwaardige, slaafse onderwerping aan de onmenselijke wil van een onmogelijke god. Te weinig is het juist begrepen als het teken van de diepste wil van God, Schepper van alle leven, om zich in de consequente gegevenheid van Jezus – ja, tot de dood aan het kruis – te vereenzelvigen met het pijnlijkste, het meest uitzichtloze, het ultieme moment van ieder mensenleven: het moment van lijden en sterven.

In Jezus wordt de Vader verheerlijkt. In Jezus laat God zien dat Hij aan de kant staat van de kleine en kwetsbare mens, van de lijdende en sterfelijke mens. Onze God is een God van leven en liefde over het lijden en de dood van mensen heen.

En ook wij willen Jezus zien, wij willen God zien. Wanneer wij in deze weken ontroerd en gelovig met Bach zingend meebidden, moge dan ons gebed worden verhoord: ‘God, onze Heer, Gij zijt de Heer der Heren. Toon ons door uw lijdensweg heen dat Gij, Gods Zoon, ook in de diepste vernedering van het kruis verheerlijkt wordt.’

En, Heer, geef dat ook ieder moment van crisis en mislukking in ons leven, ieder moment van lijden en pijn, van tekort en zelfs van zonde, een vruchtbaar moment mag worden waarop de graankorrel in vruchtbare aarde sterft, waarop wij elkaar in dienende liefde ontmoeten, waarop wij U zien zoals Gij zijt.

 

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x