Fatima in Lucia’s eigen woorden: Onthullingen en Visioenen

Fatima in Lucia’s eigen woorden:

Onthullingen en Visioenen

Proloog

Zijne Excellentie, in gehoorzaamheid op het bevel, dat U mij gaf in uw brief van 26 juli 1941, dat ik er moet over nadenken en alle het andere neerschrijven, wat ik mij over Jacinta kon herinneren, heb ik hierover nagedacht en besloten dat, zoals God sprak door u, het moment is gekomen om te antwoorden op twee vragen, die mij dikwijls zijn gesteld, maar waarvan ik het antwoord tot op heden steeds heb afgewend.

Naar mijn mening zou het God en het Onbevlekte Hart van Maria bijzonder behagen, dat er in het boek over Jacinta, een hoofdstuk zou gewijd worden aan het onderwerp van de hel en een ander, aan het Onbevlekte Hart van Maria. Zijn Excellentie zal deze mening eerder vreemd en ongeschikt vinden, maar het is niet mijn eigen idee. God zal dat u duidelijk maken, dat dit een aangelegenheid is, die past bij Zijn Glorie en voor het heil van de zielen. Dit zal mij opdragen om over het geheim te spreken, en zo de eerste vraag te beantwoorden.

Wat is het geheim?

Het is zo, dat ik het kan onthullen, aangezien ik reeds toelating van de Hemel heb gekregen om dit te doen. Gods vertegenwoordigers op aarde hebben me dit reeds verscheidene malen, in verschillende brieven toegestaan, waarvan er één, denk ik, in uw bezit is. Deze brief is van Eerwaarde Vader José Bernardo Golcalves, waarin hij mij aanraadt om naar de Heilige Vader te schrijven en samen met een aantal andere zaken, influistert, dat ik het geheim moet onthullen. Ik zei er iets over. Maar om mijn brief niet te lang te maken, daar er mij was verteld om het kort te houden, beperkte ik mijzelf tot het wezenlijke, waarbij ik het aan God overliet om te voorzien in een andere meer gunstige gelegenheid.

In mijn tweede uiteenzetting, heb ik reeds in detail de twijfel beschreven waarmee ik van 13 juni tot 13 juli werd gekweld, en hoe dit volledig verdween tijdens de verschijning van die dag.

Het visioen van de hel

Wel, het geheim is opgedeeld in drie aparte delen, twee die ik nu ga onthullen. Het eerste gedeelte is het visioen van de hel.

Onze Lieve Vrouw toonde onze een grote zee van vuur. Het leek mij alsof deze zich onder de aarde bevond. Er waren demonen en zielen in menselijke vorm, bestaande uit gloeiende, doorzichtige houtskool, allen helemaal zwart, of verbrand, ronddwalend en ondergedompeld in deze vuurzee, soms opgestuwd in de lucht door de vlammen en grote wolken van rook om terug te vallen als vonken in het grote vuur, gewichtloos en volledig uit evenwicht. Er was gekerm en geschreeuw van pijn en wanhoop. Het was weerzinwekkend en we beefden van schrik. Men kon de demonen onderscheiden door hun afschuwelijke en walgelijke gelijkenis op vreselijke en onbekende dieren, allen zwart en doorzichtig. Dit visioen duurde maar een ogenblik. Hoe kunnen we ooit Onze Lieve Hemelse Moeder, die ons reeds hierop had voorbereid door Haar belofte tijdens de eerste verschijning, genoeg dankbaar zijn om ons naar de Hemel te nemen. Anders denk ik, dat ik het van angst en verschrikking niet zou hebben overleefd.

We keken op naar Onze Lieve Vrouw, die ons zo vriendelijk en bedroefd zei: “U hebt de hel gezien, waar de zielen van de arme zondaars heengaan. Om hen te redden wenst God de verering tot het Onbevlekte Hart van Maria in te stellen in de wereld. Als wat ik u zeg wordt gedaan, zullen er vele zielen worden gered en zal er vrede zijn. De oorlog loopt op zijn einde, maar als de mensen niet ophouden met God te beledigen, zal er een ergere oorlog uitbreken tijdens het pontificaat van Pius XI. Als de nachtelijke hemel zal worden verlicht door een onbekend licht, weet dan, dat dit het grote teken is dat door God gegeven wordt om de wereld te straffen voor de misdaden, en dit door middel van oorlogen, hongersnood en vervolgingen van de Kerk en de Heilige Vader.

Om dit te voorkomen vraag ik om de toewijding van Rusland tot Mijn Onbevlekte Hart en het eerherstel van de Eerste Zaterdagen. Als mijn verzoeken worden ingewilligd zal Rusland worden bekeerd en zal er vrede zijn, zo niet, zullen er dwalingen worden verspreid over de hele wereld, die oorlogen en vervolgingen van de Kerk zullen veroorzaken. De goeden zullen worden gemarteld en de Heilige Vader zal veel te lijden hebben. Verschillende landen zullen worden vernietigd, maar op het einde zal Mijn Onbevlekte Hart overwinnen. De Heilige Vader zal Rusland aan Mij opdragen, waarop het land zal worden bekeerd en er een periode van vrede zal worden gegund aan de wereld.”

Blijvende indruk op Jacinta

Zijne Excellentie, zoals ik u reeds verteld heb in de verslagen, die ik u heb gezonden, nadat u het boek gelezen hebt over Jacinta, maakten sommigen dingen uit het geheim een sterke indruk op haar. Dit was inderdaad het geval. Het visioen van de hel vulde haar met gruwel, zelfs tot in dergelijke mate, dat elke boete en versterving niets was in haar ogen, als het maar zielen kon redden van daarheen te moeten gaan. Nu ga ik de tweede vraag beantwoorden, een vraag, die mij vanuit diverse hoeken is gesteld.

Hoe kan het dat Jacinta, klein zoals ze was, zichzelf zo in beslag liet nemen door een geest van boete en versterving, en ook zo goed begreep waarom? Ik denk, dat de reden de volgende is: ten eerste wilde God haar, door het Onbevlekte Hart van Maria, overladen met een bijzondere genade en ten tweede was het, omdat ze de hel te zien had gekregen en de verloren zielen, die erin terechtkomen. Sommige mensen, zelfs de meest vromen, weigeren tot de kinderen te spreken over de hel, voor het geval het hen schrik zou aanjagen. En toch twijfelde God geen seconde om aan drie kinderen, waarvan er ééntje amper zes jaar oud was, de hel te laten zien, terwijl Hij Zich er wel degelijk van bewust was, dat ze met afschuw zouden vervuld zijn, tot op het punt waarvan ik bijna durf te zeggen, dat het ons zou doen verwelken van schrik. Jacinta zat dikwijls in gedachten verzonken op een rots en riep het uit: “O hel! hel! Hoe spijt het mij voor de zielen, die naar de hel gaan!! En de mensen die daarginds levend worden verbrand, zoals hout in het vuur!”

Sidderend knielde zij daarop neer met gevouwen handen en begon zij het gebed te bidden, dat Onze Lieve Vrouw ons had geleerd: “O Mijn Jezus! Vergeef ons, red ons van het vuur van de hel, vooral hen die in de hoogste nood zijn.”

Nu zal Uw Excellentie begrijpen hoe mijn eigen indruk was over de laatste woorden van dit gebed, die verwezen naar de zielen, die in het grootste gevaar zijn voor de verdoemenis, of die zielen, die er heel dichtbij staan. Jacinta bleef soms voor een heel lange tijd geknield zitten en herhaalde steeds opnieuw hetzelfde gebed. Van tijd tot tijd riep ze tot haar broer of mij, zoals iemand, die pas ontwaakt uit een diepe slaap: “Francisco, Francisco! Bid u met mij mee? Wij moeten veel bidden om de zielen te behoeden voor de hel! Zo velen gaan daarheen! Zo velen!” Bij andere gelegenheden vroeg zij: “Waarom toont Onze Lieve Vrouw de hel niet aan de zondaars? Als zij dat zouden zien, zouden zij niet meer zondigen en vermijden om daarheen te gaan! U moet Onze Lieve Vrouw vragen om aan al deze mensen de hel te laten tonen [verwijzend naar hen, die aanwezig bij de verschijning in Cova de Iria]. “U zult zien hoe zij zich zouden bekeren.” Daarna vroeg zij mij onvoldaan: “Waarom hebt u aan Onze Lieve Vrouw niet gevraagd om de hel te tonen aan al die mensen?” “Ik ben het vergeten,” antwoordde ik. “Ik heb er ook niet aan gedacht,” antwoordde ze diep bedroefd.

Soms vroeg zij ook: “Wat zijn de zonden, die de mensen begaan, waarvoor ze naar de hel moeten gaan.” “Ik weet het niet! Misschien de zonde van niet naar de Mis te gaan op zondag, het stelen of het zeggen van lelijke woorden, vloeken en zweren. Zo kunnen de mensen voor één enkel woord reeds naar de hel gaan! Het kan toch niet teveel gevraagd zijn voor hen om zich stil te houden en om naar de Mis te gaan. Het spijt me zo voor de zondaars! Kon ik hen maar de hel tonen.” Plots bleef zij zich aan mij vastklampen en zei: “Ik ga naar de Hemel, maar u blijft hier. Als Onze Lieve Vrouw u hier laat blijven, vertel dan aan iedereen hoe de hel eruit ziet, zodat ze niet meer zouden zondigen en naar de hel gaan.” Om haar enigszins te kalmeren, zei ik: “Wees niet bevreesd! U gaat naar de Hemel.” “Ja, dat is zo,” zei zij rustig, “maar ik wil, dat al die mensen daar ook heen gaan!”

Als ze in een gemoed van versterving was, wilde zij niet eten. Ik zei haar: “Luiser Jacinta! Kom nu eten.” “Neen, ik doe dit offer voor de zondaars die teveel eten.” Toen ze ziek was en toch elke weekdag naar de Mis ging, smeekte ik haar: “Jacinta, ga niet mee! U bent daartoe niet in staat. Daarnaast is het vandaag geen zondag.” “Dat geeft niet! Ik ga voor de zondaars, die niet naar de Mis gaan op zondag.” Als het gebeurde, dat ze sommige van de uitdrukkingen van de mensen hoorde, bedekte zij verslagen met de handen haar gelaat en zei: “O Mijn God, beseffen deze mensen dan niet, dat ze naar de hel kunnen gaan als ze zoiets zeggen? Mij Jezus, vergeef het hen en bekeer hen. Ze beseffen zeker en vast niet, dat zij God met dit alles heel erg beledigen! Hoe erg, mijn Jezus! Ik zal voor hen bidden.” Nu en dan herhaalde zij het gebed, dat Onze Lieve Vrouw ons had geleerd: “O mijn Jezus, vergeef ons ….”

Lucia kijkt terug

Nu komt er een andere gedachte bij mij op, Zijne Excellentie. Soms is er mij, naar aanleiding van de verschijningen, gevraagd welke zonden Onze Lieve Vrouw aanwijst als deze, die God het meest beledigingen. Er wordt gezegd dat Jacinta, toen ze in Lissabon was, de zonden van het vlees vernoemde. Zij stelde mij dikwijls deze vraag en nu denk ik, dat zij het in Lissabon misschien zelf heeft gevraagd aan Onze Lieve Vrouw en dat dat het antwoord was, dat ze heeft ontvangen. Wel, Zijne Excellentie, het lijkt er mij op, dat ik nu het eerste gedeelte van het geheim heb bekend gemaakt.

Het tweede gedeelte verwijst naar de verering van het Onbevlekte Hart van Maria. Zoals ik reeds in het tweede verslag heb geschreven, vertelde Onze Lieve Vrouw mij op 13 juni 1917, dat Zij mij nooit zou in de steek laten en dat Haar Onbevlekte Hart mijn toevlucht zou zijn en de weg, die mij zou leiden tot God.

Toen Zij deze woorden uitsprak, opende Zij Haar handen en van daaruit kwam er een lichtstraal, die tot het binnenste van mijn hart doordrong. Ik denk, dat het hoofddoel van dit licht de bezieling was met een bijzondere kennis en liefde voor het Onbevlekte Hart van Maria, net zoals dit bij twee andere gelegenheden, zoals het mij lijkt, het geval was met betrekking tot God en de Meest Heilige Drievuldigheid. Vanaf die dagen werden onze harten vervuld met nog een vurigere liefde voor het Onbevlekte Hart van Maria. Soms zei Jacinta tot mij: “De Dame zei, dat Haar Onbevlekte Hart uw toevlucht zal zijn en de weg, die u zal leiden tot God. Houdt u daar niet van? Haar Hart is zo goed! Hoezeer bemin ik Het!”

Zoals ik reeds eerder zei, vertelde onze Lieve Vrouw ons in het geheim van juli, dat God de toewijding tot het Onbevlekte Hart van Maria wenste in te stellen en dat wij om een toekomstige oorlog te voorkomen, Zij zou komen vragen voor de toewijding van Rusland tot Haar Onbevlekte Hart, alsmede de deelname aan het herstel van de Eerste Zaterdagen. Vanaf dan, wanneer we hierover ook onder ons praatten, zei Jacinta: “Ik ben zo bedroefd omdat ik de Heilige Communie niet kan ontvangen tot eerherstel van de zonden, die zijn begaan tegen het Onbevlekte Hart van Maria.”

Ik heb ook reeds vernoemd hoe Jacinta de litanie van de schietgebedjes verkoos, die Vader Cruz, ons had meegegeven: “Zoet Hart van Maria, wees mijn redding!” Nadat ze die had opgezegd, voegde zij daar soms, met de eenvoud, die eigen was aan haar karakter, aan toe: “Ik hou zo van het Onbevlekte Hart van Maria! Het is het Hart van Onze Lieve Moeder in de Hemel! Houdt u er niet van om dikwijls te zeggen: Zoet Hart van Maria, Onbevlekt Hart van Maria? Ik hou daar zoveel van, zo erg veel.” Bij andere aangelegenheden, toen zij op haar weg wilde bloemen plukte, zong zij een klein liedje, dat ze zelf had gemaakt: “Zoet Hart van Maria, wees mijn redding! Onbevlekt Hart van Maria, bekeer de zondaars en redt de zielen van de Hel!”

Jacinta’s visioenen over de Heilige Vader

Op een dag waren we bezig aan onze siësta bij de bron van mijn ouders. Jacinta zat op de platte stenen bovenop de bron. Francisco en ik klommen op een steile glooiing, op zoek naar wilde nectar tussen de bramen in het nabijgelegen struikgewas. Na een poosje riep Jacinta mij toe: “Hebt u de Heilige Vader niet gezien?” “Neen.” “Ik wie niet hoe het was, maar ik zag Onze Heilige Vader in een heel groot huis, geknield aan een tafel, Zijn hoofd gedragen op Zijn handen, en Hij weende. Buiten dit huis waren er vele mensen. Sommigen onder hen gooiden stenen, anderen beledigden en vervloekten Hem en gebruikten vuile taal. Arme Heilige Vader, wij moeten veel bidden voor Hem.” Ik heb u reeds verteld, hoe er ons op een bepaalde dag, twee priesters aanbevolen om voor de Heilige Vader te bidden, en ze legden ons ook uit wie de Paus was.

Daarna vroeg Jacinta mij: “Is hij diegene, die ik zag wenen, diegene waarover Onze Lieve Vrouw ons heeft gesproken in de geheimen?” “Ja, hij is het,” antwoordde ik. “Onze Lieve Vrouw moet hem ook aan die priesters getoond hebben. U ziet, dat ik mij niet vergist heb. Wij moeten veel bidden voor hem.” Op een ander ogenblik gingen we naar de grot Lapa Cabeco. Zodra we daar waren, knielden wij neer en baden de gebeden, die de Engel ons had geleerd. Na een tijdje stond Jacinta op en riep tot mij: “Kunt u al die grote en kleine wegen en velden niet zien, die vol staan met volk, en die wenen van de honger en niets te eten hebben? En de Heilige Heilige Vader, die in de Kerk bidt voor het Onbevlekte Hart van Maria? En zo vele mensen, die samen met hem bidden?” Enkele dagen later vroeg ze: “Mag ik zeggen, dat ik de Heilige Vader en al deze mensen gezien heb?” “Neen! Ziet u niet dat dit een gedeelte is van het geheim? Als u dat doet, kennen ze meteen het geheim?” “Al goed! Dan zal ik helemaal niets zeggen.”

Visioenen over oorlog

Op een dag ging ik naar Jacinta’s huis om wat samen met haar te zijn en ik vond haar, zittend op haar bed, diep verzonken in gedachten. “Jacinta, waaraan denkt u?” “Over de oorlog, die gaat komen. Zoveel mensen zullen sterven en bijna allen onder hen gaan naar de hel! Vele huizen zullen worden vernietigd en vele priesters vermoord. Kijk, ik ga naar de Hemel, en wat u betreft, wanneer u het licht zult zien waarover de Dame ons sprak, en dat op een nacht voor de oorlog aan de hemel zal verschijnen, moet u ook daarginds rennen.” “Weet u dan niet dan niemand naar de Hemel kan rennen?” “Dat is waar, dat kunt u niet. Maar wees niet bang, want in de Hemel zal ik hard voor u, de Heilige Vader, voor Portugal en voor alle priesters bidden, zodat de oorlog niet tot in dit land komt.”

Zijne Excellentie weet niet, dat God, een aantal jaren geleden, een teken heeft gegeven, die de astronomen een “aurora borealis” verkozen te noemen. Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat, indien ze de zaak goed hadden bestudeerd, ze eveneens zouden ontdekt hebben dat het, in de vorm waarop het verscheen, geen aurora borealis was. God liet ons dit teken tonen, zodat wij zouden begrijpen dat Zijn gerechtigheid zou komen over de schuldige landen. Daarom begon ik onmiddellijk te smeken voor het eerherstel van de Communie van de Eerste Zaterdagen, en de toewijding van Rusland. Ik wou genade en vergiffenis bekomen, niet alleen voor de hele wereld, maar in het bijzonder voor Europa.

Toen God mij, in Zijn eindeloze Genade, liet voelen, dat dit verschrikkelijke moment nabij kwam, kan Zijne Excellentie zich herinneren, dat ik bij elke gelegenheid, die zich aanbood, de kans greep om het gebed te bidden en de boete te doen, die in Portugal moet gedaan worden. Maar zij hebben zich nog niet verzoend met Gods gerechtigheid. Het ging niet gepaard met berouw, noch met een rechtzetting. Ik hoop, dat Jacinta voor ons tussenkomt in de Hemel.

Visioenen over oorlog

Zoals ik in de notities schreef, die ik zond over het boek Jacinta, was zij het diepst getroffen door de dingen, die aan ons werden onthuld in het geheim. Dit was het geval met het visioen van de hel en het verloren gaan van zo vele zielen, die daarheen gaan, of nog, de toekomstige oorlog met alle gruwelen, die steeds aanwezig lijken te zijn in haar geest. Dit deed haar beven van angst. Toen ik haar in diepe gedachten verzonken zag en haar vroeg: “Jacinta, waaraan denkt u?” dan antwoordde ze regelmatig: “Over de oorlog die gaat komen, en aan alle mensen die gaan sterven en naar de hel gaan! Hoe vreselijk! Als ze alleen maar zouden ophouden met het beledigen van God, zou er geen oorlog zijn en zouden ze niet naar de hel gaan!”

Soms zei ze ook tot mij: “Ik heb zo’n spijt voor u! Francisco en ik gaan naar de Hemel, en u zult hier nog een tijd moeten vertoeven. Wees niet bevreesd wanneer de oorlog komt, want ik zal in de hemel voor u bidden.” Kort voordat ze naar Lissabon ging, bij een van die momenten waarneer zij zich bedroefd voelde bij de gedachte van ons komend afscheid, zei ik tot haar: “Wees nu niet boos, omdat ik met u niet kan meegaan. U kan u tijd doorbrengen met de gedachte aan Onze Lieve Vrouw en Onze Heer, en vele keren de woorden zeggen, waar u zoveel van houdt: Mijn God, Ik hou van u! Onbevlekt Hart van Maria, Zoet Hart van Maria, en zo verder.” “Jawel, inderdaad,” antwoordde ze vurig, “ik zal nooit vermoeid worden van deze woorden tot op de dag dat ik sterf! En daarna zal ik ze nog vele, vele malen kunnen zingen in de Hemel.”

Lucia verklaart haar stilte

Het kan zo zijn, Zijne Excellentie, dat sommige mensen kunnen denken, dat ik dit alles reeds eerder moest hebben bekend gemaakt, omdat ze denken, dat het tweemaal zoveel waarde zou hebben gehad. Dit zou ook zo geweest zijn, indien God mij aan de wereld had willen voorstellen als een profetes. Maar ik denk, dat God die bedoeling niet had, toen Hij mij deze dingen bekend maakte. Indien dat het geval zou zijn geweest, zou hij mij in 1917 niet het bevel gegeven hebben om stil te zijn, en dit bevel werd doorgegeven aan Maria, die hem vertegenwoordigde, integendeel, Hij zou mij toen nooit het bevel hebben gegeven om te spreken.

Ik beschouw het dan ook zo, Zijne Excellentie, dat God enkel gebruik wilde maken van mij om de wereld eraan te herinneren, dat het nodig is om de zonde te vermijden en eerherstel te maken voor een beledigde God, bij wijze van gebed en boete. Waar zou ik mezelf hebben kunnen verbergen om te ontsnappen aan de ontelbare vragen, die mij gesteld zijn. En nu ben ik bevreesd als ik denk wat er voor mij ligt. En ik moet toegeven, dat mijn tegenzin om dit bekend te maken heel groot is, ondanks de brief, die ik hier voor mij liggen heb, waarin Zijne Excellentie mij vraagt om al het overige neer te schrijven, wat ik mij herinner en ik ben ervan overtuigd, dat dit inderdaad het uur is, dat God voor mij heeft gekozen om dit te doen. Ik twijfel nog steeds en ervaar een waarlijk innerlijke strijd om u te overhandigen wat ik heb neergeschreven, of het te verbranden. Laat het Gods wil zijn, omdat ik de uitkomst niet ken van deze strijd.

Voor mij was alles stil houden een grote genade. Wat zou er zijn gebeurd, indien ik de hel had beschreven in mijn onbekwaamheid om de precieze woorden te vinden voor een onduidelijk beeld. Ik zou nu eens het ene gezegd hebben en dan eens het andere in mijn bedoeling om alles neer te schrijven, maar er nooit echt in slagen. Het kon een verwarring hebben veroorzaakt en zelfs, wie weet, aan het werk God schade hebben toegebracht. Om deze reden schrijf ik dit neer, dankzij de Heer, omdat ik weet, dat Hij alle dingen goed doet. God begeleidt gebruikelijk Zijn onthullingen met een vertrouwelijk en nauwgezet begrijpen van hun betekenis. Maar het blijft gewaagd om over deze zaak te spreken, uit vrees iemand op een dwaalspoor te brengen, iets wat heel vlug kan gebeuren, omwille van de eigen verbeelding, die ik aanwend. Jacinta bleek deze intelligentie tot op een merkwaardige graad te bezitten.

Jacinta en het Onbevlekte Hart van Maria

Een tijdje voor ze naar het hospitaal moest gaan, zei Jacinta tot mij: “Het zal nu niet lang meer duren, vooraleer ik naar de Hemel zal gaan. U zult hier blijven om Gods wens aan de wereld bekend te maken om de verering in te stellen van het Onbevlekte Hart van Maria. Wanneer u dit moet zeggen, ga dan niet en verberg u niet. Vertel aan iedereen de genaden, die God ons verleent door het Onbevlekte Hart van Maria, zodat de mensen ernaar vragen, en dat het Hart van Jezus wil, dat het Onbevlekte Hart van Maria, aan Zijn zijde wordt vereerd. Vertel hen ook om te bidden tot het Onbevlekte Hart van Maria, voor het verkrijgen van de vrede, daar God deze aan Haar heeft toevertrouwd. Kon ik maar het vuur, dat in mijn eigen hart brandt, in de harten van iedereen leggen, omdat mijn hart zozeer houdt van de Harten van Jezus en Maria.”

Op een dag kreeg ik een heel mooi Bidprentje van het Hart van Jezus, van een man, die het zelf had gemaakt. Ik nam het mee naar: “Wilt u dit Heilige Bidprentje?” Ze nam het, keek er aandachtig naar en merkte op: “Het is zo lelijk! Het lijkt absoluut niet op Onze Heer. Hij is zo mooi! Maar ik neem het, want het stelt Hem toch voor.” Ze droeg het steeds bij Haar. Tijdens de nacht, onder haar ziekte, legde ze het onder haar kussen, tot het uiteen viel. Zij kuste het regelmatig en zei: “Ik kus dit Hart, omdat ik er het meeste van hou! Hoe graag zou ik ook het Hart van Maria hebben. Hebt u er zo eentje? Ik zou graag de twee tezamen hebben.”

Bij een andere gelegenheid bracht ik haar een prent van een kelk met een hostie. Zij nam het en kuste het en met een stralende vreugde zei ze: “Het is de Verborgen Jezus! Hoezeer hou ik van Hem! Kon ik Hem in de Kerk maar ontvangen! Bestaat de Heilige Communie ook in de Hemel? Als dat zo is, dan zal ik er elke dag te Communie gaan. Och, wilde enkel de Engel maar naar het ziekenhuis komen om mij opnieuw de Heilige Communie te brengen, hoe gelukkig zou ik niet zijn!” Soms, toen ik terugkeerde van de kerk, ging ik naar haar en vroeg ze me: “Hebt u de Heilige Communie ontvangen.?” En als ik bevestigend antwoordde, zei ze; “Kom hier, dichter bij mij, want u hebt Jezus in uw hart verborgen.”

Op andere tijden zei ze tot mij: “Ik weet niet wat het is! Maar ik voel de Heer binnen in mij. Ik begrijp wat Hij tegen mij zegt, hoewel ik Hem niet zie, noch hoor, maar het doet zo goed om met Hem te zijn!” Bij een andere gelegenheid, merkte ze op: “Kijk, kent u dit? Onze Heer is bedroefd, omdat Onze Lieve Vrouw ons vertelde om Hem niet meer te beledigen, want Hij wordt reeds te veel beledigd. Maar niemand schenkt er aandacht aan en zo gaan ze maar door met het maken van zonden.”

Epiloog

Hier, Zijne Excellentie, dit is al het andere wat ik mij over Jacinta kan herinneren, en waar ik van denk, dat ik het nog niet eerder heb gezegd. De betekenis van alles wat ik zeg is echt.

En wat de wijze betreft, waarop ik mijzelf uitdruk, weet ik niet of ik het ene woord voor het andere heb verwisseld, want bijvoorbeeld, toen we tegen Onze Lieve Vrouw spraken, zeiden we de ene keer: De Lieve Dame, de andere keer Onze Lieve Dame, en nu ken ik mij niet meer herinneren welke we wanneer gebruikten. Het is hetzelfde, maar het betreft slechts een klein aantal verschillende details, waarvan ik denk, dat het maar van kleiner belang is. Ik schenk dit kleine werk aan Onze Goede Heer en aan Het onbevlekte Hart van Maria, dat de vrucht is van mijn arme en nederige onderdanigheid aan deze die Hem, in mijn beschouwing, vertegenwoordigen. Ik smeek hem om het productief te maken voor Hun glorie en voor het beste van de zielen.

Aantekeningen

Er zijn twee belangrijke punten met betrekking tot de derde biografie van Zuster Lucia. Zuster Lucia bevestigt, dat de Toewijding, gemaakt door Paus Johannes Paulus II, in vereniging met de Bisschoppen, op 25 maart 1984, voldeed aan het verzoek van Onze Lieve Vrouw en door de Hemel was aanvaard. Zij bevestigde, dat een numerieke vereniging van alle Bisschoppen niet vereist was en dat een morele vereniging voldoende was.

In een visioen, dat Lucia had van Onze Lieve Vrouw te Pontevedra op 10 december 1925, volbracht Onze Lieve Vrouw haar belofte tijdens de verschijningen van 1917 om terug te komen. Op 13 juni 1929 had Lucia een nieuw visioen te Tuy, waar Onze Lieve Vrouw vroeg om de Toewijding van Rusland tot Haar Onbevlekte Hart. Ongelukkiglijk vond deze toewijding nooit plaats, terwijl Onze Lieve Vrouw erom had gevraagd, en daarom had Rusland zijn dwaalleer reeds verspreid, voor de Toewijding was gemaakt. Ook was de Communie voor het Eerherstel niet vervuld. Er kan niet worden gezegd, dat Lucia’s profetieën post eventum waren, eenvoudig omdat Lucia’s oversten haar manuscript vrijgaven voor publicatie enkel nadat de gebeurtenissen er in waren verkondigd.

Vertrouwen en verlatenheid

Zijne Excellentie, na een nederig gebed aan de voeten van Onze Heer aan het Tabernakel en voor het Onbevlekte Hart van Maria, onze liefdevolle Hemelse Moeder, waarbij ik de genade vroeg om niet een woord, zelfs geen letter, dat niet tot Hun eer strekt, neer te schrijven, begin ik nu dit werk, gelukkig en in vrede, zoals deze wiens geweten hen verzekert, dat ze alle dingen doen volgens Gods wil. Mijzelf volledig verlatend in de armen van onze Hemelse Vader en voor de bescherming van het Onbevlekte Hart van Maria, leg ik daarom opnieuw in de handen van Zijne Excellentie: de vruchten van mijn boom, mijn boom van gehoorzaamheid.

Ingevingen op de zolderkamer

Alvorens te starten, dacht ik, dat ik het Nieuwe Testament moest openen, het enige boek, dat ik verlang voor mij te hebben, in deze afgelegen hoek van de zolderkamer, verlicht door een klein dakraam, waar ik mij zoveel mogelijk terugtrek, om zodoende zoveel als mogelijk te ontsnappen aan alle menselijke blikken. Mijn schoot dient als tafel en een oude boomstam als stoel. Maar, zal iemand zeggen: “Waarom schrijft u niet in uw cel?”

Onze Lieve Heer was erin geslaagd om mij van een cel te beroven, ook al stonden er nogal wat leeg in het huis. Nuchter bekeken had de gemeenschapskamer, die we gebruikten voor het werk en ontspanning meer kunnen dienen voor de uiteenzetting van Zijn Ontwerpen, maar juist zoals het overlast bezorgt om tijdens de dag te schrijven, kan tijdens de nacht de slaperigheid roet in het eten gooien. Maar ik ben gelukkig en ik dank God voor de genade om arm te zijn, en om nog armer te leven uit liefde voor Hem. Lieve Heer! Dat is helemaal niet wat ik wou zeggen en zo moet ik dus terugkeren naar wat God mij voorlegde toen ik het Nieuwe Testament opende.

In de brief van de Heilige Apostel Paulus aan de Filippenzen, 2, 5-8, lees ik het volgende: “Laat onder u de gezindheid heersen, die Christus Jezus had. Hij, die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood, de dood aan het kruis.” Na een tijdje te hebben nagedacht, las ik ook vers 12 en 13 van hetzelfde hoofdstuk: “Geliefde broeders en zusters, u bent altijd gehoorzaam geweest, toen ik bij u was. Wees het des te meer nu ik niet bij u ben. Blijf u inspannen voor uw redding, en doe dat in diep ontzag voor God, want het is God, die zowel het willen als het handelen bij u teweegbrengt, omdat het hem behaagt.”

Heel goed dan, meer heb ik niet nodig: gehoorzaamheid en verlatenheid op God, die in mij werkt. Ik ben waarachtig niet meer dan een arm en ellendig instrument, dat Hij wenst te gebruiken, en binnenkort, zoals een schilder, die zijn oude borstel in het vuur gooit, waar het tot as vergaat, zal de goddelijke Kunstenaar Zelf zijn nu nutteloze instrument doen vergaan tot as in het graf, tot de grote dag van de Eeuwige Halleluja en ik verlang vurig naar die dag, want het graf doet niet alles teniet, en het geluk van de eeuwige en oneindige liefde begint dan.

Zalving van de Geest

Zijne Excellentie, in Valencia, op 7 oktober 1941, werd mij de volgende vraag gesteld door Eerwaarde Dr. Galamba: “Zuster, wanneer u zegt, dat er maar een gedeeltelijk herstel van de boete is volbracht, zegt u dit voor uzelf, of werd dit aan u onthuld?” Ik denk, Zijne Excellentie, dat, in zulke gevallen, ik nooit spreek van iets neer te schrijven, dat van mijzelf komt. Ik moet God bedanken voor de begeleiding van de goddelijke Heilige Geest, die ik in mij voel en mij voor de geest roep wat ik moet schrijven of zeggen. Als mijn eigen verbeelding of begrip mij soms iets suggereert, voel ik onmiddellijk de afwezigheid van de goddelijke zalving, en stop ik met wat ik bezig ben, tot ik weet dat God mij toespreekt in het binnenste van mijn hart. Maar waarom vertel ik u dit alles? Ik weet het niet. God weet het, die Zijne Excellentie heeft ingegeven om mij te vragen om alles te vertellen en niet welbewust dingen achter te houden.

Vertaling: Chris De Bodt

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x