Fatima in Lucia’s eigen woorden: Lucia’s kinderjaren – deel 2

Fatima in Lucia’s eigen woorden:

Lucia’s kinderjaren – deel 2

Lucia’s moeder heeft twijfels

Dankzij Onze Goede Heer deed deze verschijning de wolken van voor mijn ziel wegdrijven en werd mijn innerlijke vrede hersteld. Mijn arme moeder werd meer en meer bezorgd toen ze het volk van alle kanten zag komen. “Deze arme mensen,” zei ze, “zijn allen naar hier gekomen door uw bedrog, daar kunt u zeker van zijn en ik weet werkelijk wat ik moet doen om hen dit bedrog te doen inzien.” Een arme man, die opschepte en ons belachelijk maakte, ons beledigde en zelfs zo ver ging door ons te slaan, vroeg op een dag aan mijn moeder:

“Wel moeder, wat hebt u te zeggen over de visioenen van uw dochter?”
“Ik weet het niet,” antwoordde ze.
“Voor mij lijkt het erop, dat ze doet alsof en de halve wereld op een dwaalspoor zet.”
“Zeg dat niet te hardop, want dit zou anderen op de gedachte kunnen brengen om haar te doden. Ik denk, dat er hier mensen genoeg zijn, die dit maar al te graag zouden doen.”
“O, daar geef ik allemaal niet om, zolang als ze haar maar kunnen dwingen om de waarheid op te biechten. Ikzelf zal altijd de waarheid vertellen, of dat nu tegen mijn kinderen is of tegen anderen, of zelfs tegen mijzelf.”

En dit was waarlijk ook zo. Mijn moeder vertelde altijd de waarheid, zelfs tegen haarzelf. Wij, haar kinderen, kunnen getuigen van haar goede voorbeeld. Op een dag besloot ze om een nieuwe poging te doen om mij alles wat ik had gezegd, te doen herroepen. Ze had het besluit genomen om met mij de volgende dag opnieuw naar de pastorij te gaan. Daar moest ik opbiechten, dat ik loog en vergiffenis moest vragen en elke daad van boete te doen, die de Eerwaarde pastoor goed achtte of verlangde om mij op te leggen. Deze keer was haar aanval zo erg, dat ik niet meer wist wat ik moest doen. Op onze weg, toen wij langs het huis van mijn oom gingen, rende ik naar binnen om aan Jacinta, die zich nog steeds in haar bed bevond, te vertellen wat er gaande was. Daarop spoedde ik mij naar buiten en volgde ik mijn moeder.

In mijn relaas over Jacinta, heb ik Zijne Excellentie reeds verteld over haar rol en dat die van haar broer tijdens deze beproeving, die de Heer ons had gezonden, en hoe zij baden, terwijl ze op mij aan de bron wachtten, en zo verder. Op onze weg, las mijn moeder mij goed de les. Op een bepaald punt zei ik bevend tot haar: “Maar moeder, hoe kan ik zeggen, dat ik dit alles niet heb gezien, als ik het wel heb gezien?” Mijn moeder werd stil. Toen we nabij de pastorij kwamen, zei mijn moeder: “Luister enkel naar mij! Wat ik wil, is dat u de waarheid vertelt. Als u het zag, moet u het ook zo zeggen! Maar als u het niet zag, moet u toegeven, dat u loog.”

Zonder enig ander woord, bestegen we de trappen en ontving de goede priester ons in zijn studeerkamer, met, moet ik toegeven, de grootste genegenheid. Hij ondervroeg mij ernstig, maar heel hoffelijk en zocht zijn toevlucht tot diverse strategieën om mijzelf te doen tegenspreken of mij onsamenhangend te doen zijn in mijn verklaringen. Uiteindelijk liet hij ons gaan en trok hij zijn schouders op: “Ik weet niet wat ik hier allemaal moet uit opmaken.”

De bedreigingen van de overheid

Niet vele dagen later waren onze ouders op de hoogte gebracht wat wij alle drie, samen met onze vaders, op een aangeduid uur en een aangeduide dag moesten verschijnen voor de overheid van Vils Nova Ourem. Dit betekende, dat we zo’n vijftien kilometer moesten lopen, een aanzienlijke afstand voor drie kleine kinderen. De enige middelen van transport waren ofwel te voet gaan, ofwel met de ezel naar ginds gaan. Mijn oom zei onmiddellijk, dat hijzelf zou verschijnen, maar de kinderen niet zou meenemen.

“Zo’n afstand houden ze nooit uit te voet,” zei hij, “en omdat ze niet gewoon zijn om met een ezel te rijden, heeft dat ook al geen zin. En tenslotte heeft het toch geen enkele zin om zo’n twee kleine kinderen voor een rechter te roepen.” Mijn ouders dachten het tegenovergestelde: “Mijn dochter gaat! Ikzelf begrijp niets van deze dingen. Als zij liegt is het een goede zaak, dat ze ervoor gestraft wordt.”

Heel vroeg de volgende morgen, plaatsten ze mij op een ezel en vertrokken we, in het gezelschap van mijn vader en mijn oom. Onderweg viel ik drie maal van de ezel. Ik denk, dat ik Zijne Excellentie reeds heb verteld hoeveel Jacinta en Francisco die dag hebben geleden, omdat ze dachten, dat ze mij gingen doden. Wat mijzelf het ergste trof was de onverschilligheid van mijn ouders. Dit werd nog meer duidelijk, daar ik zag hoe gevoelsmatig zij hun kinderen benaderen. Ik herinner mij hoe ik onderweg tegen mezelf zei: “Hoe verschillend zijn mijn ouders van mijn oom en tante. Zij nemen alle risico om hun kinderen te verdedigen, terwijl mijn ouders tegenover mij de grootste onverschilligheid aan de dag leggen en hen laten doen wat ze maar willen met mij! Maar ik moet geduldig zijn…” Ik herinner mezelf uit het binnenste van mijn hart: “Dit betekent, dat ik het geluk heb om hiervoor meer te mogen lijden voor U, O mijn Heer en voor de bekering van de zondaars.”

In het kantoor werden wij ondervraagd in het bijzijn van mijn vader, mijn oom en diverse andere mannen, die mij vreemd waren. Het hoofd was vastbesloten om mij te dwingen het geheim te onthullen en hem te beloven om nooit meer terug te keren naar de Cova de Iria. Om dit doel te bereiken, spaarde hij noch beloften, noch bedreigingen. Toen hij bemerkte, dat hij niets bereikte, mocht ik beschikken, evenwel onder het protest, dat hij zijn doel wel zou bereiken, zelf als zou dit betekenen, dat hij mij het leven moest ontnemen. Daarna gaf hij een sterke uitbrander aan mijn oom, omdat hij zijn bevelen niet had uitgevoerd. Uiteindelijk mochten we terug naar huis.

Onrust in Lucia’s familie

Binnen onze eigen familie was er opnieuw onrust en de schuld hiervoor werd aan mij gegeven. Cova de Iria was een stuk grond, dat toebehoorde aan mijn ouders. In die uitholling was het meer vruchtbaar en we kweekten er erwten en maïs en andere groenten. Op de hellingen groeiden er olijfbomen, eiken en steeneiken. Nu dat de mensen naar ginds gingen, konden we absoluut niets meer kweken. Omdat de meerderheid te voet ging, aten hun dieren alles op wat ze konden vinden en vernietigden ze het hele land. Mijn moeder betreurde dit verlies. “Weet u,” zei ze tegen mij, “als u iets wenst te zeggen, vraag het dan aan Onze Lieve Vrouw!” Mijn zussen waren het hier allen mee eens: “Ja, u mag hebben wat er nog groeit op de Cova de Iria!”

Deze opmerkingen sneden mij zozeer in het hart, dat ik nog amper een stuk brood durfde mee te eten. Om mij te dwingen de waarheid te vertellen, kreeg ik meer dan gewoonlijk slaag van de bezemstok en een stuk hout naast de haard. Maar ondanks dit, probeerde mijn moeder daarna, zoals ze was, om mijn kracht weer wat op te beuren. Ze was vol bezorgdheid toen ze mij zo dunnetjes en bleekjes zag en ze was bevreesd, dat ik ziek zou worden. Arme moeder! Nu begrijp ik volkomen de toestand waarin zij zich bevond. Hoe spijt me dit voor haar! Waarlijk, zij had gelijk, dat ik zo’n genade onwaardig was en daarom dacht dat ik loog.

Door een bijzondere genade van God heb ik nooit de minste gedachte of het minste gevoel van ontstemdheid gehad over haar manier van handelen met mij. Daar de Engel had aangekondigd, dat God mij lijden zou zenden, zag ik de Hand van God in alles. De liefde en de eerbied, die ik haar schuldig was, groeide er alleen maar door, precies zoals ik heel lief werd behandeld. En nu ben ik haar meer dankbaar om mij zo te hebben behandeld, dan dat ze zou doorgegaan zijn met mij te knuffelen en te liefkozen.

Vrienden in medeleven en opofferingen

Deze door de hemel gezonden “liefdevolle behandelingen” vielen nooit te beurt aan Jacinta en Francisco, want hun ouders zouden nooit aan iemand toestaan, dat ze hen iets zouden misdoen. Maar zij leden, toen zij mij zagen lijden, en dikwijls liep er een traan langs hun wangen, wanneer ze me zo vernederd en verward zagen. Op een dag zei Jacinta tot mij: “Waren mijn ouders maar zoals de uwe, zodat de mensen mij ook zouden een pak rammel geven, dan zou ik nog meer opofferingen kunnen doen voor Onze Heer.” Niettemin wist ze hoe ze van bijna elke gelegenheid een versterving kon maken. Bij gelegenheid hadden we de gewoonte om aan God de versterving van negen dagen of een maand zonder drank aan te bieden. Ooit maakten we deze belofte eens tijdens de maand augustus, als het snikheet is.

Toen we op een dag terugkeerden van de Cova da Iria, waar we de Rozenkrans hadden gebeden, kwamen we aan een vijver naast de straat en zei Jacinta tot mij: “O, ik heb zo’n dorst en mijn hoofd doet zo’n pijn! Ik ga een beetje van dit water drinken.” “Niet dat water,” antwoordde ik, “Onze moeder wil niet, dat wij het drinken, omdat het niet goed is voor ons. We gaan nu verder en zullen wat water vragen aan Maria dos Anjos [zij was een buurvrouw van ons, die onlangs was gehuwd en nu naast ons leefde, in een klein huis]. “Neen, ik wil geen goed water. Ik drink liever dit water, want in de plaats van onze dorst op te offeren aan de Heer, kan ik hem het offer schenken van het drinken van dit vuile water.” En het water was vuil. De mensen wasten er hun kleren in en de dieren kwamen er uit drinken en er in waden. Dat was de reden waarom mijn moeder waarschuwde om niet van dit water te drinken.

Andere keren zei Jacinta: “Onze Heer moet blij zijn met onze opofferingen, omdat ik zo dorstig ben, ja, zo dorstig! Maar ik wens niets te drinken. Ik wens te lijden uit liefde voor Hem.’ Op een dag zaten we aan de ingang van het huis van mijn oom, toen wij meerdere mensen zagen naderen. Omdat we de tijd niet hadden om iets anders te doen, gingen Francisco en ik ons verbergen onder de bedden, hij in de ene kamer, ik in de andere. Jacinta zei: “Ik ga mij niet verstoppen. Ik ga dit opofferen aan Onze Heer.” Deze mensen kwamen dus en praatten met haar en wachtten een hele poos tot ik zou gevonden worden. Uiteindelijk gingen ze verder. Ik kwam uit mijn schuilplaats gekropen en vroeg aan Jacinta: “Wat heb u geantwoord toen ze u vroegen of u wist waar we waren.” Ze zei: “Absoluut niets. Ik hield het hoofd naar beneden, hield mijn ogen op de grond gericht en zei niets. Ik doe dat altijd als ik de waarheid niet vertel, want ik hou ook niet van het liegen, omdat liegen een zonde is.”

Ze had inderdaad de gewoonte om dit te doen en het was nutteloos om haar dan vragen te stellen, want zij die zulke vragen stelden, kregen toch nooit antwoord. Als ontsnappen bijna onmogelijk was, voelden wij ons geneigd om dit als een soort offer aan te bieden. Op een andere dag zaten we in de schaduw van twee vijgenbomen, die over de weg naar het huis van mijn oom hingen. In die tijd was het mode om hoeden met randen te dragen, zo wijd als een zeef. We waren dan ook zeker dat, met zo’n hoofdwerktuig, de mensen nooit aan ons zicht zouden ontsnappen. Zodra de dames kwamen, snelden we zo vlug mogelijk naar beneden, namen de benen en verborgen ons in het graanveld.

Deze gewoonte, die we hadden aangenomen om steeds aan alles te ontsnappen, was een andere oorzaak van klagen voor de parochiepriester. Hij klaagde bitter over de manier waarop wij hem in het bijzonder probeerden te vermijden. Zijne Eerwaarde had het zeker bij het rechte eind. Het waren vooral de priesters, die ons de meeste kruisverhoren oplegden. Daarna keerden ze terug om alles opnieuw te doen. Wanneer we ook in de aanwezigheid waren van een priester, bereidden wij ons voor om aan God een der grootste opofferingen aan te bieden.

Tegenstand van de overheid

Ondertussen toonde de overheid haar afkeuring over het verloop van de zaken. Op de plaats van de Verschijningen hadden sommige mensen masten opgericht, die een boog vormden, waaraan ze lantaarns hingen en er voorzichtig voor zorgden, dat deze steeds brandend bleven. Op een dag werd aan sommige mensen het bevel gegeven om deze masten neer te halen en ook de steeneik, waarop de Verschijningen hadden plaatsgevonden, neer te halen en alles met een kar weg te slepen. Tegen de ochtend had het nieuws zich verspreid als een wild vuur. Ik rende naar de plaats om te zien of het waar was. Maar hoe groot was mijn opluchting toen ik zag dat de arme mannen zich hadden vergist en in plaats van de steeneik, hadden ze de andere eiken in de nabijheid, weggenomen. Ik vroeg dan aan Onze Lieve Vrouw om deze armen mensen te vergeven en ik bad voor hun bekering.

Enige tijd later, op een dertiende mei, ik weet niet van het jaar 1918 of 1919, deed het nieuws de ronde, dat een cavalerie naar Fatima was gekomen om de mensen te verhinderen om naar de Cova da Iria te gaan. Iedereen was gealarmeerd en kwam mij het nieuws berichten en mij verzekeren, dat dit zonder twijfel de laatste dag van mijn leven zou zijn. Zonder dit nieuws al te ernstig te nemen, ging ik naar de Kerk. Toen ik Fatima bereikte, ging ik langs de paarden, die zich overal op de kerkelijke gronden bevonden. Ik woonde de Mis bij, die werd opgedragen door een priester, die mij onbekend was, ontving de Heilige Communie, maakte een dankgebed en ging naar buiten zonder dat iemand ook maar een woord tot mij zei. Misschien dachten sommigen, dat ik de belangstelling niet waard was. Het nieuws bleef binnenstromen, dat de troepen tevergeefs poogden om de mensen weg te houden van de Cova da Iria. Desondanks ging ik erheen om de Rozenkrans te bidden. Op mijn weg werd ik al spoedig vergezeld door een groep vrouwen, die van ver waren gekomen. Terwijl we de plaats naderden, gaven twee cavaleriemensen hun paarden een zweepslag en renden in volle vaart naar de groep. Ze duwden ons naast hen en vroegen ons waarheen wij gingen. De vrouwen antwoordden stoutmoedig, dat dit hen niets aanging. Opnieuw sloegen ze met de zweep op de paarden alsof ze de bedoeling hadden om te chargeren en ons te vertrappelen. De vrouwen renden in alle richtingen en een ogenblik later bleef ik alleen achter voor de cavalerie. Zij vroegen mijn naam, die ik zonder twijfel gaf. De volgende vraag was of ik een zieneres was; en ik antwoordde bevestigend. Daarop gaven ze mij het bevel om mij richting Fatima te begeven, tussen twee paarden in.

Toen wij de vijver bereikten waarover ik eerder reeds sprak, zag een arme vrouw, die daar woonde en waarover ik reeds heb gesproken, me van ver aankomen, geleid tussen de paarden. Zij rende naar mij in het midden van de straat, zoals een nieuwe Veronica. De soldaten lieten geen tijd voorbijgaan om haar opzij te duwen en de arme vrouw barstte in een tranenvloed uit, luid wenend om mijn tegenspoed. Een paar passen verder stopten ze en vroegen ze mij of de vrouw mijn moeder was. Ik zei van neen. Ze geloofden mij niet en vroegen of dat huis mijn thuis was. Opnieuw zei ik: “Neen!” Blijkbaar schenen zij mij nog niet te geloven en gaven ze mij het bevel om lichtjes voorop te lopen tot wij bij het huis van mijn ouders zouden komen.

Tegenstand van de overheid

Toen we een stuk grond bereikten aan de rand van Aljustrel, waar er een kleine bron was en een aantal gleuven waren gegraven om wijnranken te planten, stopten ze en zegden ze tegen elkaar, waarschijnlijk om mij angst aan te jagen: “Hier zijn open sleuven. Laat ons haar hoofd afhakken met onze zwaarden en haar hier voor dood en begraven achterlaten. Dan zijn we voor eens en voor altijd af van deze zaak.” Toen ik deze woorden hoorde, dacht ik werkelijk dat mijn laatste uur was geslagen, maar ik was zozeer in vrede, dat ik absoluut niet bezorgd was. Na zo’n twee minuten, terwijl ze deden alsof ze erover nadachten, antwoordde de andere: “Neen. We hebben geen opdracht gekregen om zoiets te doen.” Ze gaven me het bevel om verder te gaan en zo ging ik recht af op ons klein dorpje, tot we aan het huis van mijn ouders kwamen. Alle buren stonden aan de ramen of deuren te kijken om te zien wat er gaande was. Sommigen lachten en spotten met mij, terwijl anderen treurden om mijn benarde toestand. Thuis gaven ze mij het bevel om mijn ouders te roepen, maar ze waren blijkbaar niet in huis. Een van hen stapte af om te zien of mijn ouders zich niet verstopten. Hij doorzocht het huis, maar vond niemand, waarop hij mij het bevel gaf om voor de rest van de dag binnen te blijven. Daarop besteeg hij opnieuw zijn paard en reden ze beiden weg.

Laat in de namiddag ging het nieuws rond, dat de troepen waren weggegaan, verslagen door de mensen. Tegen zonsondergang was ik mijn Rozenkrans aan het bidden bij de Cova da Iria, vergezeld door honderden mensen. Toen ik onder arrest was, waren sommigen mijn moeder gaan vertelden wat er gebeurde en zij antwoordde: “Als het waar is, dat zij Onze Lieve Vrouw zag, dan zal Onze Lieve Vrouw haar verdedigen en als ze liegt is het maar juist dat ze hiervoor gestraft wordt.” En ze bleef vredevol, zoals ervoor. Nu zullen er sommigen zich afvragen: “En waar bleven Jacinta en Francisco die hele tijd?” Ik weet het niet. Ik kan me helemaal niets meer herinneren van hun handel en wandel die dag. Misschien dat ze in het licht van het nieuws, dat zich had verspreid, van hun ouders het huis niet uitmochten die dag.

Lucia’s moeder wordt ernstig ziek

Mijn lijden moet de Heer wel hebben behaagd, want hij was voor mij de meest bittere kelk aan het voorbereiden, die ik spoedig zou moeten drinken. Mijn moeder werd zo ernstig ziek, dat we op een gegeven moment dachten, dat ze ging sterven. Al haar kinderen waren rond haar bed verzameld bij het ontvangen van de laatste sacramenten en om de hand te kussen van hun stervende moeder. Ik was de jongste, dus mijn beurt was de laatste. Toen mijn moeder mijn gelaat een beetje zag stralen, hield zij haar armen rond mijn nek en zei ze met een diepe zucht: “Mijn arme dochter, wat zal er van u geworden zonder uw moeder! Ik sterf met een doorboord hart, omwille van u.” Toen barstte ze in tranen uit en weende bitter en greep ze mij nog dieper en dieper in haar armen. Mijn oudste zus nam me toen weg van mijn moeder, nam mij naar de keuken en legde mij het verbod op om nog in de ziekenkamer te komen, met de woorden: “Moeder gaat sterven van verdriet omwille van alle kommer, die u haar hebt doen doorstaan.” Ik knielde neer met mijn hoofd op de bank en meer dan ik ooit in verwarring ben geweest, offerde ik mijn boete op aan Onze Lieve Heer. Een aantal minuten later kwamen mijn twee oudste zusters, die dachten dat de zaak hopeloos was, bij mij en zeiden; “Lucia! Als het waar is dat u Onze Lieve Vrouw zag, ga dan nu meteen naar de Cova da Iria en vraag Haar om onze moeder te genezen. Beloof Haar wat u maar wilt, we zullen alles doen en dan zullen wij u geloven.”

Zonder een ogenblik te verliezen rende ik, zoals nooit tevoren, naar buiten en liep tussen de velden, langs kleinere paden en bad de hele tijd de Rozenkrans. Toen ik daar was, gaf ik ons verzoek door aan Onze Lieve Vrouw en bevrijdde ik mij mezelf van alle verdriet, door overvloedig te wenen. Daarop spoedde ik mij naar huis, getroost met de hoop, dat mijn geliefde moeder zich reeds een beetje beter zou voelen. Drie dagen later kon ze opnieuw het werk in en buiten het huis hervatten. Ik had Onze Lieve Vrouw beloofd dat, wanneer ons verzoek zou worden ingewilligd, ik voor negen opeenvolgende dagen naar de Cova da Iria zou gaan, samen met mijn zussen, om er de Rozenkrans te bidden en ondertussen op onze knieën van de weg naar de steeneik te gaan en dat we op de negende dag, negen arme kinderen met ons zouden meenemen en hen daarna een maaltijd zouden geven. We kwamen onze belofte na en ons moeder ging mee. “Hoe vreemd!” zei ze: “Onze Lieve Vrouw heeft me genezen en op de een of andere manier kan ik het nog niet geloven! Ik weet niet hoe dit kan.”

Lucia’s vader sterft

Onze goede Heer schonk mij deze troost, maar andermaal kwam Hij aan de deur kloppen om een nieuwe opoffering te vragen, en ook geen kleintje. Mijn vader was robuust en een gezonde man: hijzelf zei, dat hij niet wist wat hoofdpijn was. Maar in minder dan 24 uren bracht een aanval van een dubbele longonsteking hem naar de eeuwigheid. Mijn verdriet was zo groot, dat ik dacht dat ik ook ging sterven.

Hij was de enige, die zich altijd had voorgedaan als mijn vriend en de enige, die mij verdedigde wanneer er twisten waren in huis omwille van mij. “Mijn God! Mijn God!” schreeuwde ik het uit in mijn eigen kamer: “Ik heb nooit gedacht, dat u zo’n lijden voor mij in huis ging halen! Maar ik lijd uit liefde voor U, voor het hertel van de zonden, die zijn begaan tegen het Onbevlekte Hart van Maria, voor de Heilige Vader en voor de bekering van de zondaars.”

Lucia’s neefje en nichtje worden ernstig ziek

Rond die tijd werden de zorgen rond Jacinta en Francisco ook erger. Jacinta vertelde soms: “Mijn borst doet zo’n pijn, maar ik zeg niets tegen mijn moeder! Ik wens te lijden voor Onze Heer, voor het herstel van de zonden, die zijn begaan tegen het Onbevlekte Hart van Maria, voor de Heilige Vader en voor de bekering van de zondaars.” Op een morgen, toen ik haar ging opzoeken, vroeg ze mij: “Hoeveel verstervingen hebt u aan onze Heer opgeofferd de vorige nacht?” “Drie. Ik ben driemaal opgestaan om de Engelengebeden te bidden.” “Wel, ik heb Hem heel, heel veel verstervingen opgeofferd. Ik weet niet meer hoeveel het er waren, maar ik had enorme pijn en heb geen ogenblik geklaagd.”

Francisco sprak heel weinig. Hij deed gebruikelijk na wat hij ons zag doen en stelde uitzonderlijk zelf iets voor. Zijn ziekte leed hij met een heldengeduld, zonder enig gekerm of geklaag, dat over zijn lippen kwam. Op een dag, kort voor zijn dood, vroeg ik hem: “Lijdt u veel, Francisco?” “Ja, ik lijd veel, maar ik offer alles op uit liefde voor Onze Lieve Vrouw en Onze Lieve Heer.” Op een dag gaf hij mij het touw waar ik reeds heb over gesproken en zei hij: “Neem het weg, voor mijn moeder het ziet. Ik kan het niet langer meer dragen rond mijn middel.” Hij nam alles aan wat zijn moeder hem gaf, en ze kon niets ontdekken, dat hem niet beviel. Zo ging het door tot de dag voor hem kwam om naar de Hemel te gaan. De dag voor zijn dood, zei hij tot Jacinta en mijzelf: “Ik ga naar de Hemel, maar als ik daar ben, zal ik veel bidden tot Onze Heer en Onze Lieve vrouw en hen vragen om u zo spoedig mogelijk naar ginds te brengen.”

Ik denk, dat ik reeds in mijn verslag over Jacinta heb geschreven, hoe dit scheiden ons leed veroorzaakte. Om deze reden, herhaal ik het hier niet. Jacinta was reeds ziek en de ziekte werd steeds erger. Het is niet nodig om dit nu te beschrijven, daar ik dit reeds heb gedaan. Ik zal eenvoudig verwijzen naar een of twee daden van deugdzaamheid, die ik haar heb zien doen, en die ik nog niet heb beschreven. Haar moeder wist hoe moeilijk het voor haar was om melk te drinken. En zo bracht ze op een dag een prachtige tros druiven mee met haar glas melk en zei: “Jacinta, neem dit. Als u de melk niet naar binnen krijgt, laat deze dan staan en eet de druiven.” “Neen moeder, ik wil de druiven niet. Neem ze weg en geef me de melk in de plaats. Ik zal dat doen.” En zonder het minste teken van verzet te tonen, dronk ze de melk op. Mijn tante ging gelukkig naar buiten, met de gedachte, dat de smaak van haar kleine meid aan het terugkeren was. Maar ze was nog maar weg of Jacinta draaide haar hoofd naar mij en zei ze: “Ik had zo’n verlangen naar die druiven en het was moeilijk om de melk te drinken! Maar ik wou deze versterving opofferen aan Onze Heer.”

Op een morgen zag zij er vreselijk uit en ik vroeg haar of zij zich slechter voelde. “Vorige nacht,” antwoordde zei, “had ik zo veel pijn en ik wou aan Onze Heer de versterving opofferen van niet uit mijn bed te vallen en daarom heb ik helemaal niet geslapen.” Een andere keer, vertelde ze mij: “Als ik alleen ben, ga ik het bed uit om het gebed van de engel te bidden. Maar nu kan ik de grond niet meer raken met mijn hoofd, omdat ik omver zou vallen en zo kan ik enkel op mijn knieën bidden.”

Op een dag had ik de gelegenheid om de Vicaris te mogen spreken. Zijne Eerwaarde vroeg mij over Jacinta en hoe zij zich voelde. Ik vertelde hem wat ik over haar toestand dacht en zei daarna nog, dat ze de grond niet meer kon raken bij het bidden. Zijne Eerwaarde zond mij om haar te vertellen, dat ze niet meer uit het bed hoefde om te bidden, maar dat ze gerust, liggend in het bed mocht bidden en dan nog enkel zo lang ze kon zonder moe te worden. Ik bracht deze boodschap over bij de eerstvolgende gelegenheid. “En zal onze Heer hiermeer verheugd zijn?” vroeg ze. “Hij is verheugd,” antwoordde ik, “Onze Heer is gelukkig met alles wat de Eerwaarde Vicaris zegt om te doen.” “Dan is het goed, ik zal niet meer opstaan.”

Wanneer ik ook maar kon, hield ik ervan om naar de Cabeco te gaan, naar onze lievelingsgrot. Jacinta was dol op bloemen en toen ik de heuvel afkwam, naar huis toe, plukte ik heel wat irissen en pioenrozen, als die te vinden waren, en dan nam ik ze mee naar haar en zei: “Kijk! Deze zijn van de Cabeco!” Ze nam ze enthousiast aan en soms rolden de tranen van haar wangen, zei ze: “Ik moet er aan denken, dat ik daar nooit meer zal heen gaan! Geen Valinhos, noch Cova da Iria! Ik zal dat alles zo erg missen!” Maar wat geeft het, als u naar de Hemel zult gaan om Onze Lieve Vrouw en Onze Lieve Heer te zien?” “Dat is waar”,” zei ze. Toen lag ze daar tevreden, en plukte de blaadjes van de bloemen en telde ze één voor één.

Een aantal dagen nadat ze ziek werd, gaf ze me het snoer, dat ze droeg en zei: “Hou het voor mij. Ik ben bang, dat mijn moeder het zal zien. Als het beter gaat, zal ik er opnieuw om vragen!” Dit snoer had knopen, met wat gestold bloed erop. Ik hield het verborgen tot op de dag, dat ik mijn moeders huis verliet. Daarna, niet wetende wat ik ermee moest doen, heb ik het verbrand, samen met het snoer van Francisco.

Lucia in slechte gezondheid

Een aantal mensen, die van ver kwamen om ons te zien, merkten op, dat ik er maar bleekjes en lusteloos uitzag en vroegen mijn moeder om mij te laten gaan om een aantal dagen bij hen te verblijven. De verandering van lucht zou mij misschien goed doen. Met dit in haar gedachte, verleende mijn moeder haar toestemming en namen ze mij met hen mee, nu eens naar de ene plaats, dan naar de andere. Maar, weg van zo’n goede thuis als bij mij, kreeg ik niet altijd dezelfde eerbied of genegenheid. Terwijl er waren, die van mij hielden en naar mij opkeken als een heilige, waren er ook anderen, die zeiden, dat ik misbruik maakte en die mij schijnheilig, fantast of een tovenares noemden. Dit was de wijze van de Goede Heer om zout in het water te gooien om af te wenden, dat alles zou slecht aflopen. Dankzij Zijn goddelijke Voorzienigheid, ging ik door het vuur zonder verbrand te worden of zonder vertrouwd te raken met de ijdelheid, die overal zijn weg vindt. Bij zulke gelegenheden dacht ik bij mezelf: “Ze hebben het allemaal verkeerd voor. Ik ben geen heilige, zoals sommige beweren, en ik ben ook geen leugenaar, zoals dan weer anderen zeggen. Enkel God weet wie ik ben.” Toen ik weer thuis was, rende ik naar Jacinta, die zei: “Luister! Ga niet meer opnieuw weg. Ik ben zo eenzaam geweest. Sinds u weg was, heb ik met niemand meer gesproken. Ik weet niet hoe ik met andere mensen moet praten.”

Spijtig genoeg kwam uiteindelijk de tijd eraan voor Jacinta om naar Lissabon te gaan. Ik heb ons afscheid reeds beschreven en daarom ga ik het hier niet herhalen, maar hoe erg was het om nu alleen te moeten zijn! Op zo’n korte tijd had Onze Lieve Heer mijn geliefde Vader naar de Hemel genomen, en dan Francisco en nu kwam Hij Jacinta halen, die ik nooit meer zou zien in deze wereld. Zodra ik kon, glipte ik er tussen uit naar de Cabeco, om mij te verbergen in onze grot tussen de rotsen. Daar, alléén met God, stortte ik mijn verdriet uit en weende ik tranen in overvloed. Toen ik de helling afkwam, herinnerde alles mij aan mijn lieve maatjes: de stenen waarop we zo dikwijls zaten, de bloemen, die ik niet langer plukte, nu ik niet langer iemand meer had aan wie ik ze moest geven. Valinhos, waar we alledrie de verrukking van het paradijs beleefden! Het was alsof ik alle zin voor de werkelijkheid verloren had en nog steeds half verstrooid, ging ik op een dag naar het huis van mijn tante, roepend op Jacinta voor het raam van haar kamer. Haar zus Teresa maakte mij er attent op dat Jacinta niet langer daar was!

Kort daarna bereikte mij het nieuws, dat zij opgenomen was naar de Hemel. Daarop werd haar lichaam teruggebracht naar Vila Nova de Ourem. Mijn tante nam mij er op een dag heen, om er te bidden naast de stoffelijke resten van haar kleine dochter, in de hoop van mij wat af te leiden. Maar tot lange tijd daarna, bleef mijn verdriet alleen maar groeien. Wanneer het kerkhof ook maar open was, ging ik op Francisco’s graf zitten, of naast dat van mijn vader en kon ik daar vele uren doorbrengen. Mijn moeder, besloot Godzijdank, enige tijd hierna om naar Lissabon te gaan en mij met haar mee te nemen. Met de vriendelijkheid van Dr. Formigao en een goede vrouw, die ons bij haar thuis ontving, en aanbood om mijn opvoeding te betalen in een kostschool, nam ik het besluit om te blijven. Mijn moeder achtte het, na het raadplegen van een aantal artsen, nodig om te worden geopereerd aan de nieren en de wervelkolom, maar de artsen konden haar leven niet garanderen, daar zij ook aan een hartkwaal leed. Daarom ging zij naar huis en liet zij mij over aan de zorgen van de vriendelijke dame. Toen alles klaar was en de dag overeengekomen was voor mijn intrede in de kostschool, werd er mij medegedeeld, dat de overheid op de hoogte was van mijn verblijf te Lissabon en mijn verblijfplaats zocht. Daarom nam die lieve dame me mee naar het huis van Dr. Formigao en bleef ik voor een aantal dagen verborgen, zonder dat het mij werd toegestaan om de heilige Mis bij te wonen.

Uiteindelijk kwam de zus van Zijne Excellentie om mij bij mijn moeder te nemen met de belofte om de toelating te regelen voor mij om kostschool te volgen bij de Zusters van de Heilige Dorethea in Spanje. Ze zou mij later komen halen. Al dit gebeuren verstrooide mij enigszins en zo begon de benauwende droefheid stilaan te verdwijnen.

Lucia’s eerste ontmoeting met de Bisschop

Het was rond deze tijd, dat Zijne Excellentie werd aangesteld tot Bisschop van Leiria, en uw Lieve Heer de zorg van de arme kudde, die het zo vele jaren zonder herder had moeten stellen, aan u toevertrouwde. Er waren onwillige mensen, die me probeerden schrik aan te jagen over de komst van Zijne Excellentie, net zoals ze dit eerder hadden gedaan met een andere heilige priester. Zij vertelden mij, dat Zijne Excellentie alles wist, dat u de harten kon lezen en diep binnendringen in het geweten en dat u nu al mijn misleidingen zou ontdekken. Verre van mij schrik aan te jagen, wakkerde het bij mij eerder de wens aan om u te spreken en ik dacht bij mezelf: “Als het juist is, dat hij alles weet, dan zal hij weten, dat ik de waarheid spreek.” Daarom aanvaardde ik met graagte het voorstel van een vriendelijke dame uit Leiria om mij naar u toe te brengen. Daar bevond ik mij, vol hoop, in het vooruitzicht van dit gelukkige ogenblik.

Uiteindelijk kwam de dag en de Dame en ik gingen naar het Paleis. We werden uitgenodigd om binnen te gaan en in een kamer geleid waar we een tijdje diende te wachten. Een paar ogenblikken later, kwam de secretaris van Zijne Excellentie binnen en sprak vriendelijk met Dona Gila, die mij had begeleid. Af en toe stelde hij mij vragen. Daar ik reeds tweemaal bij de secretaris te biechten was geweest , kende ik hem reeds, en het was daarom heel aangenaam om met hem te spreken. Een beetje later kwam Eerwaarde Dr. Marques dos Santos binnen. Hij droeg schoenen, een gesp en was dik ingepakt in een warme jas. Daar het de eerste keer was, dat ik een priester op een dergelijke wijze gekleed zag, trok dit mijn aandacht. Toen stelde hij mij een hele reeks vragen. Er leek wel geen einde aan te komen. Van tijd tot tijd glimlachte hij, als beleefde hij plezier aan mijn vragen, en het leek, dat het moment, dat ik tegen Zijn Excellentie zou kunnen spreken, er nooit zou komen. Uiteindelijk wendde Uw secretaries zich opnieuw tot de dame, die mij vergezelde. Hij vertelde haar dat, wanneer Zijne Excellentie zou komen, zij mocht beschikken om de tijd elders door te brengen, aangezien Zijne Excellentie een privaat gesprek met mij wou hebben. Ik was verheugd toen ik dit hoorde en ik dacht bij mezelf: daar Zijne Excellentie reeds het hele verhaal kent, zal Hij mij niet te veel vragen stellen en zal hij alleen zijn met mij. Wat een zegen!

Toen Zijne Excellentie binnentrad, kwijtte de goede dame haar heel goed van haar taak en zo had ik het geluk om met u alleen te spreken. Ik ga nu niet beschrijven wat er tijdens dit interview gebeurde, omdat Zijne Excellentie dit alles zich heel zeker veel beter herinnert dan ik. Om de waarheid te vertellen, toen ik Zijne Excellentie mij met zo’n vriendelijkheid zag ontvangen, zonder de minste poging om mij onnodige of nieuwsgierige vragen te stellen, enkel bezorgd voor het goede van dit kleine, arme lam, die de Heer aan u had toevertrouwd, dan was ik inderdaad overtuigd, dat Zijne Excellentie inderdaad alles wist en twijfelde ik geen ogenblik om mijzelf volledig in uw handen te geven. Daarenboven, stelde Zijne Excellentie enkele voorwaarden die ik, omwille mijn aard, heel gemakkelijk vond, zodat ik alles wat Zijne Excellentie tot mij zei, volledig geheim zou houden. Ik hield mijn geheim voor mezelf tot op de dag dat Zijne Excellentie de toetemming vroeg van mijn moeder.

Vaarwel aan Fatima

Uiteindelijk was de dag van mijn vertrek vastgesteld. De avond ervoor ging ik nog eens langs bij alle mij bekende plaatsen om afscheid te nemen. Mijn hart was doorstoken van eenzaamheid en verlangen, want ik was er zeker van, dat ik nooit meer een voet zou zetten op de Cabeco, de Rots, Valinhos, of in de parochiekerk, waar Onze Lieve Heer Zijn werk van Genade was begonnen, en de begraafplaats, waar de stoffelijke resten lagen van mijn geliefde vader en van Francisco, die ik nooit kon vergeten. Ik nam afscheid van onze bron, die reeds was verlicht door de bleke stralen van de maan, en van de oude schuur, waar ik zo dikwijls lange uren doorbracht om de schoonheid van de sterrenhemel, het wonder van de zonsondergang en zonsopgang en de schoonheden van het paradijs te aanschouwen.

Zonder afscheid te nemen van iemand, vertrok ik de volgende dag om twee uur in de ochtend, vergezeld van mijn moeder en een arme arbeider, Manuel Carreia, die naar Leiria ging. Ik hield mijn geheim ongeschonden voor mij. We gingen langs de Cova da Iria, en zo kon ik daar ook afscheid nemen. Voor de laatste keer bad ik er de Rozenkrans en zolang deze plaats nog in zicht bleef, keerde ik mij regelmatig om, om een allerlaatste afscheid te nemen. We kwamen aan te Leiria om negen uur ’s morgens. Daar ontmoette ik Dona Filomena Miranda, die door Zijne Excellentie was belast om mij te vergezellen. Deze dame zou later mijn peetmoeder worden bij het afleggen van mijn geloften. De trein vertrok om twee uur in de namiddag en daar stond ik dan in het station, gaf aan mij moeder een laatste omhelzing, liet haar achter, bedolven onder het verdriet en in overvloedige tranen. De trein vertrok en hiermee werd mijn hart ondergedompeld in een oceaan van eenzaamheid en gevuld met herinneringen, die ik nooit zou vergeten.

Epiloog

Ik denk, Zijn Excellentie, dat ik juist de meest mooie bloem heb geplukt en het meest verrukkelijke fruit uit mijn kleine tuin, die ik nu plaats in de genadevolle handen van de Goede Heer, die u vertegenwoordigt. Bid, opdat hij de herfst (?) mooie vruchten van zielen voor het eeuwige leven zou laten voortbrengen. En daar Onze Lieve Heer behagen vindt in de nederige gehoorzaamheid van de minste van Zijn schepselen, eindig ik met de woorden van Haar, die God, in zijn oneindige genade, mij als Moeder, Beschermer en Voorbeeld heeft geschonken, en eveneens dezelfde woorden waarmee ik begon: “Zie de dienstmaagd des Heren! Dat Hij verder gebruik zou maken van Haar, zoals Hij het beste denkt.”

Verdere herinneringen aan Jacinta

Ik vergat te zeggen, dat Jacinta, toen ze naar het ziekenhuis ging in Vila Nova de Ourem en daarop in Lissabon, wist dat ze niet meer zou genezen, maar het enkel was om te lijden. Lang voordat er haar iemand had gesproken over de mogelijkheid van een opname in het ziekenhuis van Vila Nova de Ourem, zei ze op een dag: “Onze Lieve Vrouw wil, dat ik naar twee ziekenhuizen ga, niet om te genezen, maar om meer te lijden voor de liefde van Onze Heer en voor de zondaars.” Ik ken de precieze woorden niet van Onze Lieve Vrouw in deze verschijning aan Jacinta alleen, want ik vroeg haar hier nooit om. Ik hield er me aan om louter te eren wat ze me bij gelegenheid toevertrouwde en in dit verslag probeer ik niet te herhalen wat ik reeds in het eerste gedeelte over Jacinta heb vermeld, om alles niet hoeven te rekken.

Lucia’s aantrekkingskracht

Het kan uit dit verslag lijken dat er, in mijn dorp, mij niemand geen liefde of genegenheid meer toonde, maar dit is niet zo. Er was een gekozen gedeelte van Gods kudde, die een bijzondere genegenheid voor mij toonde. Dit waren de kleine kinderen. Ze renden naar me toe om me te overweldigen met vreugde en als ze wisten, dat ik de schapen ging hoeden in de buurt van ons klein dorpje, kwamen hele groepen met mij mee om samen met mij de dag door te brengen. Mijn moeder zei: “Ik weet niet welke aantrekkingskracht u hebt op kinderen! Ze rennen u achterna alsof ze naar een feest gaan!” Ikzelf voelde me niet rustig temidden van zo’n vrolijkheid en om deze reden probeerde ik uit hun buurt te blijven.

Hetzelfde gebeurde met mijn gezellen te Vilar en ik durf bijna te beweren, dat nu hetzelfde gebeurt met mijn medezusters. Een aantal jaren geleden, vertelde Moeder Overste me, die nu Provinciaal Overste is: “U hebt zo’n invloed op de Zusters dat, indien u dat wil, heel wat goeds kunt doen.” En nog onlangs zei de Moeder Overste in Pontevedra mij: “Tot op een zekere graad bent u verantwoordelijk tot Onze Heer voor de staat van hartstocht of het veronachtzamen van de regels, door onze Zusters, omdat hun hartstocht toeneemt of afneemt tijdens de ontspanningsmomenten. Wat de anderen u ook maar zien doen, doen ze u na. Bepaalde onderwerpen, die u naar voor bracht tijdens de ontspanning, hielpen de andere Zusters om de regels beter te begrijpen en deden ze beter naleven.”

Waarom? Ik weet het niet.

Misschien is het een talent, dat de Heer mij heeft geschonken en waar Hij een grote waarde aan hecht. Indien ik wist hoe ik er moest mee omgaan, ik zou het Hem duizendmaal terugschenken.

Lucia’s uitstekend geheugen

Misschien zal er iemand zich afvragen: Hoe kunt u zich dit alles herinneren? Hoe? Ik weet het niet. Onze Lieve Heer, die de talenten uitdeelt, zoals Hij deze het beste acht, heeft mij dit goed geheugen toebedeeld. Hij alleen weet waarom. En daarnaast, voor zover ik weet, is er dit verschil tussen gewone en buitengewone dingen: Als we spreken over een louter schepsel, zelfs wanneer we spreken, hebben we de neiging om te vergeten wat er is gezegd, terwijl bovennatuurlijke dingen dieper in de ziel zijn geschreven, zeker als we ze zien of horen, zodat het niet gemakkelijk is om te vergeten.

Vertaling: Chris De Bodt

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x