Fatima in Lucia’s eigen woorden: Lucia’s kinderjaren – deel 1

Fatima in Lucia’s eigen woorden:

Lucia’s kinderjaren – deel 1

Voorwoord

“O Gods wil, U bent mijn Paradijs.”

Zijne Excellentie, hier ben ik, met de pen in de hand, klaar om Gods wil te vervullen. Daar ik geen ander doel heb, begin ik met de spreuk van de Heilige Stichtster van Onze Orde [de Heilige Paula Frassinetti, stichtster van de Congregatie van de Zusters van de Heilige Dorothea] en die ik, naar haar voorbeeld, dikwijls zal herhalen tijdens dit relaas: “O Gods Wil, U bent mijn Paradijs.”

Sta mij toe, Zijne Excellentie, om de diepzinnigheid van deze spreuk te laten klinken. Elke keer dat de afkeer of de liefde van mijn geheim mij bepaalde dingen wil doen verborgen houden, dan is deze spreuk mijn gids en mijn richtsnoer. Ik heb mij afgevraagd wat het nut kan zijn om mijn relaas als dit neer te schrijven, omdat zelfs mijn handschrift amper leesbaar is. Maar ik vraag niets.

Ik weet, dat het toonbeeld van de gehoorzaamheid geen reden vereist. De woorden van Uwe Excellentie volstaan, daar zij mij verzekeren, dat dit voor de glorie is van Onze Heilige Moeder in de Hemel. Met deze zekerheid, smeek ik om de zegen en de bescherming van Haar Onbevlekte Hart, en nederig knielend aan Haar voeten, gebruik ik Haar eigen Heilige woorden om tot God te spreken: “Ik, de minste van uw dienstmaagden, O mijn God, kom nu in volle overgave aan Uw Heilige Wil, om de sluier van mijn geheim op te lichten en het verhaal van Fatima te onthullen, precies zoals het is. Niet langer zal ik de vreugde smaken om de geheimen van Uw Liefde alleen met U te delen, maar voortaan zullen ook de anderen, samen met mij, de grootsheid van Uw barmhartigheid bezingen!”

Lucia’s kinderjaren

Zijne Excellentie, de Heer heeft mij beschouwd als Zijn nederige dienstmaagd en dat is waarom alle mensen de grootsheid van Zijn genade zullen zingen. Het lijkt mij, Zijne Excellentie, alsof de Heer zich heeft verwaardigd om mij te begunstigen met de gave van de rede van in mijn vroegste kinderjaren. Ik herinner mij, dat ik mij bewust was van mijn handelingen, zelfs toen mijn moeder mij nog omsloot in haar armen. Ik weet nog, dat ik heen en weer werd gewiegd en in slaap viel op het geluid van wiegeliedjes. Onze Heer heeft mijn ouders gezegend met vijf meisjes en een jongen, van wie ik de jongste was en ik weet nog hoe ze tegen elkaar kibbelden, omdat zij mij allen in hun armen wilden houden en met mij te spelen. Niemand van hen is hier ooit in geslaagd, want mijn moeder nam mij onmiddellijk weg uit hun armen.

Wanneer ze het te druk had om mij vast te houden, gaf zij mij door aan mijn vader en ook streelde ze en liefkoosde ze mij volop. Het eerste wat ik leerde was het Weesgegroet. Terwijl zij mij in haar armen hield, leerde mijn moeder het gebed aan Carolina, de tweede jongste en vijf jaar ouder dan ik. Mijn twee oudste zussen waren reeds volgroeid. Mijn moeder, die wist dat ik alles herhaalde als een papegaai, wilde mij met hen, overal waar zij naartoe ging, meenemen. Zij waren, zoals wij zeggen, in onze buurt, de lichtjes onder de jeugdige mensen. Er was geen festiviteit of dansgelegenheid, dat ze niet bijwoonden. Bij Carnaval, de feestdag van de Heilige Johannes of met Kerstmis, kon men er zeker van zijn, dat ze aan het dansen waren. Daarnaast was er de wijnoogst en het plukken van de olijven, waarbij er bijna elke dag werd gedanst.

Toen de grote parochiefeesten eraan kwamen, zoals het Feest van het Heilig Hart van Jezus, Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans, Sint Antonius, en zo verder, verloten we steeds gebak en daarna kwam er ongetwijfeld de dans. Wij werden op bijna alle huwelijken van kilometers uit de buurt uitgenodigd, en als mijn moeder niet werd uitgenodigd als bruidsdame, dan hadden ze haar zeker nodig bij het koken. Bij deze huwelijken begon het dansen na het eten en duurde dit tot diep in de morgen.

Daar mijn zusters mij steeds bij hen wilden, maakten ze er meer werk van om mij aan te kleden dan zichzelf. Daar één onder hen een kleermaakster was, werd ik altijd uitgedost in de sierrijkste klederdracht van de streek, meer dan enig meisje in de buurt. Ik droeg een geplooide rok, een schitterende gordel, een kasjmieren schouderdoek en een hoed, die versierd was met gouden parels en diep gekleurde veren. Soms zou je gedacht hebben dat ze eerder een pop aan het aankleden waren, dan een klein kind. Bij volksfeesten moest ik van boven op de kast of enig ander groot stuk meubilair, opdat ik niet onder de voet zou worden gelopen. Eens moest ik van op mijn hoge plaats een aantal liedjes zingen op de muziek van het orkest. Mijn zusters hadden mij al leren zingen en een aantal walsjes aangeleerd voor als er een partner ontbrak. Ik deed dit met een uitzonderlijke bekwaamheid en trok hierbij de aandacht en het applaus van iedereen.

Van sommigen kreeg ik zelfs geschenkjes in de hoop om in de gunst van mijn zussen te komen. Tijdens de zomer kwamen zij op zondagnamiddag allen bijeen in onze tuin, in de schaduw van de drie grote vijgenbomen en tijdens de winter onder een open veranda, die we hadden en waar nu het huis staat van mijn zus Maria. Daar brachten ze spelend en pratend met mijn zussen de namiddag door. Het was daar dat met Pasen de gesuikerde amandelen verloot werden en de meeste van hen belandden in mijn zak, omdat de winnaars hoopten op onze bevalligheid.

Mijn moeder bracht deze namiddagen zittend door bij de keukendeur, die uitkwam op de keuken. Soms hield zij een boek in haar handen en las zij een tijdje of maakte zij een babbel met onze tantes of buren, die naast haar zaten. Zij was altijd heel ernstig en iedereen wist dat haar woorden als de Bijbel waren en moesten worden gehoorzaamd. Ik heb nooit iemand een oneerbaar woord horen zeggen in haar bijzijn of enig gebrek aan hoffelijkheid zien tonen. Het was hun algemene mening, dat mijn moeder hen meer waard was dan al haar dochters tezamen. Ik hoorde mijn moeder dikwijls zeggen: “Ik begrijp niet hoe deze mensen ervan houden om van huis naar huis lopen te kletsen! Voor mij is nergens beter dan thuis voor een mooi en rustig boek. Ze staan vol met wondermooie dingen en het leven van de Heiligen is ronduit boeiend.”

Het komt me voor, dat ik Zijne Excellentie reeds heb verteld, hoe ik tijdens de week de dag doorbracht, omgeven met kinderen uit de buurt. De moeders gingen uit werken in het veld en zo vroegen ze aan mijn moeder of hun kinderen bij mij konden blijven. Toen ik Zijne Excellentie over mijn neefje schreef, denk ik, dat ik ook onze spelletjes en vertier beschreef, ik zal hier dus niet blijven bij stilstaan. In de warmte van zo’n liefhebbende tederheid bracht ik mijn eerste zes levensjaren door. Om de waarheid te zeggen, begon de wereld mij toe te lachen en bovenal zat de passie voor het dansen reeds diep in mijn hart. Ik moet toegeven, dat de duivel die zou hebben aangewend om mij ten onder te brengen, indien de goede Heer Zijn speciale genade voor mij niet had getoond.

Als ik het niet verkeerd voorheb, heb ik Zijne Excellentie in hetzelfde relaas ook verteld, hoe mijn moeder gewend was om de catechismus, tijdens de siësta’s in de zomer, bij te brengen aan haar kinderen. Tijdens de winter kregen we onze les ’s avonds, na het avondeten, toen we allen rond de haard zaten, kastanjes en alle soorten eikels aan het eten en het roosteren.

Lucia’s Eerste Communie

De dag, die de parochiepriesters hadden vastgelegd voor de plechtige Eerste Communie van de kinderen van de parochie, kwam dichterbij. Met de kennis in het achterhoofd, dat ik de Catechismus reeds kende en ook reeds zes jaar oud was, dacht mijn moeder, dat ik nu reeds mijn Eerste Communie kon doen. Daarom zond zij mij mee met mijn zus Carolina naar de Catecheselessen, die de parochiepriester aan de kinderen gaf, als voorbereiding voor deze grote dag. Ik ging steeds stralend van geluk in de hoop om spoedig mijn God voor de eerste maal te mogen ontvangen. De priester gaf zijn les en zat vooraan neer op een verhoog. Hij riep mij bij hem en als het een of ander kind niet kon antwoorden op zijn vraag, vroeg hij aan mij om het antwoord in de plaats te geven, om hen zo in verlegenheid te brengen.

De laatste dag voor de Eerste Communie, de grote dag, was gekomen en de priesters hadden verteld, dat alle kinderen naar de kerk moesten komen in de voormiddag om zo zijn uiteindelijke beslissing te kunnen maken wie zijn Eerste Communie mocht doen. U kunt zich voorstellen hoe teleurgesteld ik was toen hij me naast hem riep, me streelde en zei, dat ik moest wachten tot ik zeven jaar was! Ik begon onmiddellijk te wenen, en net zoals ik bij mijn eigen moeder zou hebben gedaan, legde ik mijn hoofd op zijn knieën en snikte. Net op dat moment kwam er een andere priester, die geroepen was om te helpen met de biecht, de kerk binnen. Toen hij mij zo zag liggen, vroeg hij om de reden van mijn tranen. Toen hij alles had vernomen, nam hij me mee naar de sacristie en het mysterie van de Eucharistie. Daarna nam hij mij bij de hand en bracht mij bij de parochiepriester en zei: “Vader Pena, u mag dit kind haar Communie laten doen. Zij begrijpt beter dan de anderen wat zij doet.” “Maar zij is maar pas zes jaar oud,” wierp de goede priester tegen. “Dat geeft niet! Ik neem de verantwoordelijkheid daarvoor op mij.” “Dan is het goed,” zei de goede priester tot mij: “Ga nu maar gauw uw moeder vertellen, dat u morgen uw Eerste Communie mag doen.”

Ik kan nooit de vreugde uitdrukken die ik toen voelde. Met de handen klappend, rende ik naar huis om het goede nieuws aan mijn moeder te vertellen. Onmiddellijk bereidde zij mij voor op de Biecht van die namiddag. Mijn moeder nam mij naar de kerk en toen we aankwamen vertelde ik haar, dat ik bij de andere priester te biechten wou gaan. Zo gingen we naar de sacristie, waar hij op een stoel de biecht hoorde. Mijn moeder knielde voor het hoogaltaar, naast de sacristie, neer, samen met de andere moeders, die met hun kinderen aan het wachten waren voor de biecht. Het was daar, voor het Heilig Sacrament, dat mijn moeder mij de laatste aanbevelingen gaf. Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans lachte naar Lucia, toen het mijn beurt was. Ik ging en knielde neer aan de voeten van Onze Lieve Heer, die daar vertegenwoordigd was door zijn dienaar en de vergeving voor mijn zonden afsmeekte. Toen ik had gebiecht, zag ik dat iedereen lachte.

Mijn moeder riep mij naar haar toe en zei: “Mijn kind, weet u dan niet dat de biecht iets geheim is en fluisterend wordt gedaan? Iedereen heeft u gehoord! Er was maar één ding, dat niemand kon horen en dat is wat u op het einde zei.” Op de weg naar huis ondernam mijn moeder enkele pogingen om, wat zij “het geheim van de biecht” noemde, te ontdekken. Maar het enige antwoord, dat ze kreeg, was een volledige stilte. Nu ga ik hoe dan ook het geheim van mijn eerste Biecht verklappen. Na mij te hebben gehoord, zei de priester de volgende woorden tot mij: “Mijn kind, uw ziel is de tempel van de Heilige Geest. Hou ze steeds rein, zodat Hij Zijn Goddelijke handelingen erin kan plaatsen.”

Toen ik deze woorden hoorde, voelde ik een volle eerbied in mijn binnenste en vroeg ik mijn vriendelijke biechtvader wat ik verondersteld werd te doen: “Kniel niet (?, waarschijnlijk: wel of hier) voor Onze Lieve Vrouw en vraag Haar, met groot vertrouwen, om zorg te dragen voor uw hart, om het voor te bereiden om morgen op een waardige manier Haar geliefde Zoon te mogen ontvangen, en uw hart alleen aan hem voor te behouden!” In de Kerk bevond er zich meer dan een beeld van Onze Lieve Vrouw, maar daar mijn zussen steeds zorgden voor het altaar van Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans, ging ik gewoonlijk daar bidden. Daarom ging ik ook nu daarheen om haar, met de volle vurigheid van mijn ziel, te vragen om mijn arme ziel allen voor te behouden voor God. Toen ik dit nederig gebed, met mijn ogen op het beeld gericht, bleef herhalen, leek het alsof Ze glimlachte en mij met een liefdevolle blik en een vriendelijk gebaar verzekerde, dat Zij dat zou doen. Mijn hart stroomde over van geluk en ik kon nauwelijks nog een woord uitbrengen.

Vurig afwachten

Die nacht maakten mijn zussen voor mij een wit kleed en een haarkrans. Wat mij aangaat, ik was zo gelukkig, dat ik niet kon slapen en het leek alsof de uren nooit voorbij zouden gaan! Ik ging hen dan ook altijd vragen of de dag al gekomen was, of ze wilden, dat ik mijn kleed paste of mijn haarkrans, en zo verder.

De gelukkige dag was eindelijk aangebroken, maar hoe lang duurde het eer het negen uur was! Ik deed mijn witte kleed aan en dan nam mijn zus Maria me naar de keuken om de genade van mijn ouders te vragen, om hun handen te kussen en hun zegen te vragen. Na deze kleine ceremoniële gebeurtenis, gaf mijn moeder mij haar laatste aanbevelingen. Zij vertelde mij wat ik aan Onze Heer moest vragen wanneer ik Hem in mijn hart had ontvangen: “Vraag Hem boven alles om van u een heilige te maken.” Daarna wenste ze mij geluk. Haar woorden maakten zo’n onuitwisbare indruk op mijn hart, dat ze ook de eerste woorden waren, die ik tot de Heer richtte, toen ik Hem ontving. Zelfs vandaag lijk ik nog de echo te horen van mijn moeders stem, die deze woorden herhaalt. Toen ging ik met mijn zussen en mijn broer naar de kerk en ik werd de hele tijd in hun armen gedragen, zodat niet het minste beetje stof van de weg mijn kleed zou vuil maken.

Zodra we in de kerk waren, ging ik lopen om te knielen voor het altaar van Onze Lieve Vrouw om mijn verzoek te hernieuwen. Dan bleef ik nadenken over de glimlach van gisteren van Onze Lieve Vrouw, tot mijn zussen mij kwamen zoeken en me meenamen naar de aangeduide plaats. Er was een groot aantal kinderen, netjes opgesteld in vier rijen, twee voor de meisjes en twee voor de jongens, van achteraan in de kerk tot aan het altaar. Als kleinste bevond ik mij het dichtste bij de Engelen bij de leuningen aan het altaar.

De grote Dag

Toen men begonnen was met de Missa Cantata en het grote moment nabij kwam, begon mijn hart harder en harder te kloppen, in afwachting van het bezoek van de Grote God, die zou neerdalen uit de Hemel om Zich met mij te verenigen. De parochiepriester kwam naar beneden en ging door de rijen van de kinderen en verdeelde het Brood der Engelen.

Ik had het geluk dit als eerste te mogen ontvangen. Terwijl de priester van de altaartreden kwam, was het of mijn hart uit mijn borst zou springen. Maar zodra hij de Goddelijke Hostie op mijn tong had gelegd, voelde ik een onveranderlijke sereniteit en vrede. Ik voelde mezelf in een bad van zo’n bovennatuurlijke atmosfeer, dat de tegenwoordigheid van Onze Lieve Heer mij zo ontvankelijk en klaar als mogelijk was, alsof ik Hemzelf gehoord en gezien had met alle mijn lichamelijke zinnen. Toen richtte ik mijn gebed tot Hem: “O Heer, maak van mij een heilige. Houdt mijn hart steeds rein, voor U alleen.” Toen leek het of de Heer de volgende woorden in de diepten van mijn hart plaatste: “De genade, die aan u op deze dag wordt verleend, zal levend in uw ziel verblijven en de vruchten voortbrengen van het eeuwige leven.” Het voelde aan alsof ik getransformeerd was tot God.

Het was bijna 13 uur wanneer de plechtigheid beëindigd was, vanwege een aantal priesters, die laat waren, omdat ze van ver moesten komen, de preek en de hernieuwing van de doopbeloften. Mijn moeder kwam mij nogal verstrooid halen, omdat ze vreesde, dat ik van zwakte flauw zou vallen. Maar overvloeid door het Brood der Engelen, kon ik geen enkel voedsel meer tot mij nemen. Hierna verloor ik de smaak en de aantrekking voor de dingen van de wereld en voelde mij nog enkel thuis in een afgezonderde plaats, waar ik, helemaal alleen, het genoegen van mijn Eerste Heilige Communie weer kon oproepen.

Lucia’s familie

Deze momenten van afzondering waren inderdaad uitzonderlijk. Zoals Zijne Excellentie reeds weet, moest ik op de kinderen letten, die ons door de buren waren toevertrouwd; en daarenboven werd mijn moeder, als verpleegster, in de omgeving zo dikwijls gevraagd. Bij minder erge ziekten kwamen de mensen bij ons thuis om advies te vragen, maar wanneer een zieke persoon een huis niet kon verlaten, werd aan mijn moeder gevraagd om bij hen thuis te komen. Vaak bracht ze daar hele dagen en zelfs nachten door. Bij een langdurige ziekte, of als de toestand van de persoon het vereiste, stuurde ze nu en dan mijn zussen om naast het bed van de zieke te blijven tijdens de nacht om zo de familie wat tot rust te laten komen.

Als de zieke persoon de moeder van een jonge familie was, of iemand, die het geluid van kinderen niet kon verdragen, dan bracht mijn moeder de kleintjes mee naar huis en werd ik ingeschakeld om op de kinderen te letten. Ik hield mij bezig met hen. Zo leerde ik hen hoe bij het weven de draad moest worden klaargemaakt .

En zo hadden we steeds van alles te doen. Meestal werkten er meerdere meisjes in ons huis, die dan kwamen om te leren weven of om kledij te maken. Meestal toonden deze meisjes veel genegenheid voor onze familie en later zeiden ze, dat de beste tijd uit hun leven, de tijd was, die ze bij ons thuis hadden doorgebracht. Tijdens bepaalde perioden van het jaar moesten mijn zussen in het veld gaan werken tijdens de dag en ’s nachts moesten ze hun weef- en naaiwerk doen. Het avondmaal werd gevolgd door gebeden, die werden geleid door mijn vader en dan begon het werk.

Iedereen had wel iets te doen. Mijn zus Maria ging naar het weefgetouw, mijn vader vulde de spoelen met draad. Teresa en Gloria deden het naaiwerk en mijn moeder deed het spinnen. Carolina en ik gingen, na het schoonmaken van de keuken, helpen bij het naaiwerk, droegen de rijgsteken buiten, naaiden knoppen aan, en zo verder. Om de slaperigheid tegen te gaan, speelde mijn broer op het accordeon, en we zongen allerlei liedjes mee. Dikwijls kwamen de buren in huis om ons gezelschap te houden, en alhoewel dit hun slaap belette, vertelden ze, dat het geluid van onze opgewektheid al hun zorgen deed verdwijnen en hen vervulde van geluk. Ik hoorde meerdere vrouwen soms tot mijn moeder zeggen: “Hoe gelukkig bent u! Wat een lieve kinderen heeft God u geschonken.” Toen de tijd kwam om graan te oogsten, scheidden we ’s nachts het kaf.

Soms zat ik boven de berg maïs en elke keer, dat er een donkergekleurde maïskolf verscheen, moest ik iedereen tegen mij aandrukken. Als ik terugkijk weet ik niet meer of de hierboven vermelde feiten, die ik met mijn Eerste Communie in verband breng werkelijkheid of enkel de inbeelding van een kind waren. Wat ik wel weet is, dat ze altijd tot op vandaag een grote invloed hadden in mijn vereniging tot God.

Maar ik weet niet, Zijne Excellentie waarom ik u al deze zaken over ons familieleven vertel. Maar het is God, die mij ingeeft om het zo te doen, en Hij kent de reden waarvoor. Misschien is het om u te laten zien hoe ik, na zoveel liefde rondom mij te hebben gehad, meer en meer het lijden zou voelen, dat de Heer van mij zou vragen. Zoals Zijne Excellentie mij heeft gevraagd om een relaas te geven van al het lijden, dat de Heer mij heeft gezonden en van alle genaden, die de Heer mij heeft geschonken, denk ik het beter is alles te vertellen, zoals het gebeurd is. Bovendien voel ik mij er vredig en rustig bij, omdat ik weet, dat Zijne Excellentie alles zal vernietigen wat niet tot Gods of Maria’s meest Heilige eer strekt.

De Verschijningen: Lucia, de herderin

Dit is hoe de dingen geschiedden tot ik zeven jaar oud was. Toen besloot mijn moeder, dat ik de schapen zou hoeden. Mijn vader, noch mijn zussen, waren het ermee eens. Zij hadden mij zo lief en zo wilden ze in mijn geval een uitzondering. Mijn moeder gaf echter niet toe: “Zij is zoals de anderen,” zei ze, “Caroline is reeds twaalf jaar en kan reeds beginnen werken in de velden, of anders leren voor weefster of naaister, wat ze verkiest.” De hoede over onze kudde werd dus mijn taak. Het nieuws, dat ik voortaan een herderinnetje zou zijn, verspreidde zich vlug onder de andere herdertjes: bijna iedereen kwam langs en bood aan om mijn gezel te zijn. Ik zei “ja” aan iedereen en kwam met allen overeen om elkaar te ontmoeten aan de helling van de Serra. De volgende dag was de Serra één massa schapen met hun herders, alsof er een wolk op was neergedaald.

Maar ik voelde mij ziek tussen al deze herrie. Daarom koos ik drie meisjes uit de herdertjes om mij voortaan te vergezellen en zonder tegen iemand een woord te zeggen, hadden we afgesproken om onze schapen op het grasland op de hellingen aan de overkant te laten grazen. Het waren Teresa Matias, haar zus Maria Rosa en Maria Justino. En zo vertrokken we de volgende dag naar de heuvel, die gekend stond als de Cabeco. We gingen langs de noordelijke helling. Valinhos is een plaats, die Zijne Excellentie reeds kent bij naam en ligt aan de zuidelijke kant van dezelfde heuvel. Aan de oostelijke kant is de grot waar ik reeds over gesproken heb in mijn uiteenzetting over Jacinta. Samen met onze kudden, klommen we tot bijna bovenaan de heuvel. Vanaf daar strekten er zich tot aan de vallei beneden een grote oppervlakte olijfbomen, eiken, pijnbomen, steeneiken, en zo verder, uit.

Een raadselachtig voorteken in 1915

Rond de middag gebruikten we ons middagmaal. Hierna nodigde ik de meisjes uit om samen de Rozenkrans te bidden, waarmee ze enthousiast instemden. We waren amper begonnen of we zagen daar, vóór onze ogen, een figuur zweven in het licht boven de bomen. Het leek op een beeld uit sneeuw, bijna doorzichtig door de stralen van de zon.

“Wat is dat?” vroeg ik hen, enigszins bevreesd.

“Ik weet het niet!”

We vervolgden met bidden, met onze ogen gericht op de figuur voor ons, en toen ons gebed was beëindigd, verdween ook de figuur. Zoals gebruikelijk zei ik niets, maar mijn vriendinnetjes hadden thuis verteld wat er was gebeurd zodra ze waren teruggekeerd. Het nieuws had zich vlug verspreid en op een dag, toen ik thuis aankwam, werd ik door mijn moeder ondervraagd: “Kijk eens! Er wordt gezegd, dat jullie iets of wat dan ook hebben gezien daarboven. Wat was het, dat u hebt gezien?”

“Ik weet het niet,” zei ik, “het leek op een persoon, gewikkeld in een laken!” Omdat ik geen gelaatstrekken kon waarnemen, voegde ik hieraan toe: “Er waren geen ogen, noch handen uit af te leiden.”

Mijn moeder maakt een einde aan de hele zaak met een gebaar van “kinderlijke onzin!”

Na enige tijd keerden we met onze kudde naar dezelfde plaats terug en precies hetzelfde deed zich opnieuw voor. Opnieuw vertelden de meisjes het hele verhaald. Na een korte tijd gebeurde het opnieuw. Het was de derde keer, dat mijn moeder van deze feiten had gehoord, zonder dat ik er zelf thuis een woord over had gezegd. Ze riep mij daarom, nogal onwelgevallig, bij haar, en vroeg: “Zeg nu meer eens wat jullie meisjes daarboven hebt gezien?”

“Ik weet het niet moeder. Ik weet niet wat het is.”

Sommigen begonnen de spot met ons te drijven. Mijn zussen, die zich herinnerden zich, dat ik mij, na mijn Eerste Communie, nogal vreemd gedroeg, vroegen minachtend: “Ziet u iets, dat in een laken is gewikkeld?”

Ik voelde deze minachtende woorden en gebaren nogal scherp aan, want anders werd ik steeds geliefkoosd. Maar dit was zo onwerkelijk. U ziet, ik wist niet wat de Goede Heer voor mij had voorbehouden in de toekomst.

Verschijningen van de Engel in 1916

Rond deze tijd, zoals ik Zijne Excellentie reeds heb medegedeeld, zochten en bekwamen Francisco en Jacinto van hun ouders de toestemming om zorg te dragen over hun eigen kudde. Zo verliet ik mijn goede gezellinnetjes om mij in plaats hiervan bij mijn neefje, Francisco en bij mijn nichtje, Jacinta, te vervoegen. Wij vermeden de Serra om niet alle overige herdertjes achter ons aan te krijgen en we spraken af om onze kudde uit te laten op de eigendommen van mijn oom en tante en van mijn ouders.

Op een dag lieten wij onze schapen los op een land, dat aan mijn ouders toebehoorde en dat aan voet van de oostelijke zijde van de helling lag, wat ik reeds vermeld heb. Deze eigendom noemde Chousa Velha. Zodra we in de voormiddag aankwamen, begon er een lichte motregen te vallen, zo licht, dat het als mist leek. We gingen de heuvel op, volgden onze kuddes en zochten naar een overhangend stuk rots om te schuilen. Dit was dus de eerste maal, dat wij deze gezegende holte tussen de rotsen binnentraden. Het was midden een olijfbosje, dat aan mijn peter Anastacio toebehoorde. Van daaruit kon men het kleine dorpje zien waar ik was geboren en ook de gehuchten Casa Velha en Eira da Pedra. Het bosje strekte zich verder uit, over het grondgebied van verschillende eigenaars, tot de grenzen van de gehuchtjes.

We brachten ginds de dag door, tussen de rotsen, ondanks dat het niet meer regende en de zon klaar en helder scheen. We aten ons middageten op en baden de Rozenkrans. Ik ben er niet zeker meer van of we die dag de Rozenkrans baden op de wijze, die ik aan Zijne Excellentie reeds heb verteld, door enkel de woorden “Weesgegroet Maria” en “Onze Vader” te zeggen op elk kraaltje, zo groot was onze verlangen naar het spelen. Onze gebed was beëindigd en we begonnen met de steentjes te spelen. We genoten maar een kleine poos van het spel, want een sterke wind schudde de bomen plots heen en weer. We keken geschrokken op om te zien wat er gebeurde, want de dag was anders ongewoon kalm. Toen zagen we boven de olijfbomen, de figuur waar ik reeds heb over gesproken, naar ons toekomen. Jacinta en Francisco hadden deze figuur nog niet gezien, noch had ik er hen ooit over gesproken. Terwijl de figuur naderde, konden wij de gelaatstrekken waarnemen. Het was een jonge man van een grootse schoonheid, zo’n veertien tot vijftien jaar oud, witter dan sneeuw, en, bij zonneschijn, zo doorzichtig als kristal. Toen hij ons bereikte, zei hij: “Wees niet bevreesd! Ik ben de Engel van de Vrede. Bid met mij.”

We knielden neer op de grond en hij boog zich voorwaarts neer tot zijn voorhoofd de grond raakte, en hij deed ons de volgende woorden drie maal herhalen: “Mijn God, Ik geloof en stel mijn hoop in U, Ik aanbid U en ik hou van U! Ik vraag vergiffenis voor hen, die niet in U geloven en niet hun hoop op U stellen, U niet aanbidden en niet van U houden.” Toen hij zich oprichtte, zei hij: “Bid nu. De Harten van Jezus en Maria zijn aandachtig voor de woorden van uw verzoeken.” Zijn woorden griften zich zo diep in onze geesten, dat we ze nooit meer konden vergeten. Van dan af, brachten we lange perioden door in de houding van de Engel, en herhaalden zijn woorden, tot we soms uitgeput waren. Ik waarschuwde Francisco en Jacinta meteen, dat dit moest geheim worden gehouden. Godzijdank stemden zij hiermee in.

Enkele weken gingen voorbij en de zomer kwam, toen we naar huis moesten voor de siësta. Op een dag speelden we op de paveien van de bron, aan het diepste punt van de tuin van mijn ouders, die we de Arneiro noemden [ik heb deze bron reeds vermeld aan Zijne Excellentie in mijn relaas over Jacinta]. Plots zagen we naast ons dezelfde figuur, of liever, de Engel, zoals het mij leek.

“Wat bent u aan het doen?” vroeg hij. “Bid, bid heel veel! De meest Heilige Harten van Jezus en Maria hebben plannen van genade met u. Bied voortdurend de Meest Heilige gebeden en opofferingen aan.”

“Hoe moeten we opofferingen maken?” vroeg ik.

“Maak van alles wat u kan een opoffering en schenk het aan God als een daad van herstel voor de zonden waardoor Hij wordt beledigd en met de bekering van de zondaars als verzoek. Zo zult u vrede doen neerdalen over uw land, waarvan ik de Beschermengel ben, de Engel van Portugal. Boven alles, aanvaard en draag met nederigheid het lijden, dat de Heer u zal zenden.”

Een aanzienlijke tijd ging voorbij, tot we op een dag onze schapen uitlieten op een eigendom van mijn ouders, op de helling van de heuvel, die ik reeds heb vermeld, een beetje hogerop dan de Valinhos. Het is een olijfbos, Preguiera, genaamd. Na ons middageten besloten we om te gaan bidden in de holte tussen de rotsen aan de andere kant van de heuvel. Om tot daar te komen, gingen we rond de helling en moesten bij over een aantal rotsen boven Pregueira klimmen. De schapen konden maar met de grootste moeite over de rotsen klauteren.

Zodra we daar waren, knielden we neer, met onze voorhoofden tot aan de grond, en begonnen het gebed van de Engel te herhalen: “Mijn God, Ik geloof en stel mijn hoop in U, Ik aanbid U en ik hou van U! Ik vraag vergiffenis voor hen, die niet in U geloven en niet hun hoop op U stellen, U niet aanbidden en niet van U houden.” Ik weet niet hoe dikwijls we dit gebed hadden herhaald, toen er plots een buitengewoon licht op ons scheen. We sprongen op om te zien wat er gebeurde en aanschouwden de Engel. In zijn linkerhand droeg hij een Kelk, met de zwevende Hostie erboven, waaruit enkele druppels Bloed in de Kelk dropen. De Engel liet de Kelk zwevend in de lucht hangen en knielde naast ons neer en deed ons drie maal herhalen: “Meest Heilige Drievuldigheid, Vader, Zoon en Heilige Geest, Ik aanbid U diep en ik offer U het meest dierbare Lichaam, Bloed, Ziel en de Goddelijkheid van Jezus Christus aan, aanwezig in alle tabernakels ter wereld, tot herstel van de gewelddaden, de onteringen en de onverschilligheid waarmee Hijzelf werd beledigd. En door de onmetelijke verdiensten van Zijn meest Heilige Hart en het Onbevlekte Hart van Maria, smeek ik U om de bekering van de arme zondaars.”

Daarna, bij het oprichten, nam hij de Kelk en de Hostie in zijn handen. Hij overhandigde mij de Heilige Hostie en verdeelde het Bloed van de Kelk tussen Jacinta en Francisco, met de volgende woorden: “Neem en drink het Lichaam en Bloed van Jezus Christus, afschuwelijk beledigd door ondankbare mensen! Herstel hun misdaden en troost uw God.” Opnieuw wierp hij zich op de grond en herhaalde nogmaals drie maal met ons, hetzelfde gebed: “Meest Heilige Drievuldigheid, Vader, Zoon en Heilige Geest, Ik aanbid U diep en ik offer U het meest dierbare Lichaam, Bloed, Ziel en de Goddelijkheid van Jezus Christus aan, aanwezig in alle tabernakels ter wereld, tot herstel van de gewelddaden, de onteringen en de onverschilligheid waarmee Hijzelf werd beledigd. En door de onmetelijke verdiensten van Zijn meest Heilige Hart en het Onbevlekte Hart van Maria, smeek ik U om de bekering van de arme zondaars.” Hierop verdween hij. We bleven nog een lange tijd in deze houding en herhaalden deze woorden opnieuw en opnieuw. Toen we ten laatste opstonden, bemerkten we dat het reeds donker was en dus ook tijd om terug te keren naar huis.

Problemen thuis

Hier ben ik dan, Zijne Excellentie, aan het einde gekomen van mijn drie jaren als herderin, van wanneer ik zeven tot wanneer ik tien jaar oud was. Tijdens deze drie jaren onderging ons huis, zowel als onze parochie, een totale verandering. Eerwaarde Vader Pena was niet langer parochiepriester en was vervangen door Eerwaarde Vader Boicinha. Toen deze zeer ijverige priester zag, dat zo een heidense gewoonte als het eindeloze dansen te gebruikelijk was in de parochie, begon hij er zich onmiddellijk van op zijn preekstoel tegen te verzetten. Ook op straat en in de huizen, liet hij geen gelegenheid voorbijgaan om in te gaan tegen deze slechte gewoonte. Van zodra mijn moeder vernam, dat deze goede priester op de wijze optrad, verbood ze mijn zus om nog langer deze amuzementen bij te wonen. En zoals altijd, leidde het voorbeeld van mijn zussen tot de opvolging door anderen en geleidelijk aan stierf de gewoonte dus uit. Hetzelfde gebeurde onder de jonge kinderen, die naar kleine aparte dansgelegenheden gingen, zoals ik reeds aan Zijne Excellentie heb uitgelegd, in mijn schrijven over de nichtje Jacinta.

In verband hiermee, merkte iemand aan mijn moeder op: “Tot nu was het geen zonde om te dansen, maar enkel, omdat we een nieuwe parochiepriester hebben, is het een zonde geworden. Hoe kan dat nu?” “Ik weet het niet,” antwoordde mijn moeder: “Alles wat ik weet is, dat de priester niet wil dat ze dansen en zo gaan mijn dochters niet meer naar zulke gelegenheden. Ik laat hen dan een beetje binnen de familie dansen, omdat de priester zegt, dat dit geen kwaad kan.” Tijdens deze periode, verlieten mijn twee zussen het huis, na het sacrament van het huwelijk. Mijn vader was in slecht gezelschap terechtgekomen en door zijn zwakheid verloren we een deel van onze eigendom. Toen mijn moeder er zich van bewust werd, dat onze middelen en levensonderhoud verminderden, loste ze dit op door mijn twee zussen, Gloria en Carolina, als diensters te laten werken. Thuis bleef er enkel mijn broer over om te passen op onze overblijvende velden, om zorg te dragen voor mijn moeder, het huis en mijzelf en om onze schapen naar de weide te brengen. Mijn arme moeder leek in het midden van tegenspoed terechtgekomen te zijn. Toen we op een avond rond het haardvuur zaten te wachten op mijn vader voor het avondmaal, keek mijn moeder naar de lege plaatsen van mijn zussen en zei met diepe droefheid: “Mijn God, waar is al die vreugde van ons huis heengegaan?” Daarna barste ze in tranen uit en legde haar hoofd te rusten op de kleine tafel naast haar. Mijn broer en ik weenden mee.

Het was een van de droevigste taferelen, die ik ooit meemaakte: verlangend uitkijkend naar mijn zussen en mijn moeder zo ellendig te zien. Dit deed mijn hart breken. Ook al was ik nog maar een kind, ik begreep precies de situatie waar we waren in beland. Toen herinnerde in mij de woorden van Engel: “Boven alles, aanvaard nederig de opofferingen, die de Heer u zal zenden.” Op zulke momenten trok ik mij gewoonlijk terug naar een andere plaats en liet ik haar alleen om mijn moeders lijden niet te vergroten. Deze plaats was dan gewoonlijk onze bron. Daar leunde ik op mijn knieën over de rand van de stenen en ik kon geen woord uitbrengen. Mijn tranen vermengden zich met het water beneden en ik offerde mijn lijden op aan God. Soms vonden Jacinta en Francisco mij in deze staat, in bitter verdriet. Ik kon geen woord uitbrengen, want mijn stem was afgesneden door mijn wenen en zij deelden mijn lijden tot zo’n hoogte, dat ze ook overvloedig begonnen te wenen. Toen zei Jacinta luidop: “Mijn God, onze offers zijn een daad van herstel en voor de bekering van de zondaars. Aanvaard al het leed en onze opofferingen.” De formule van de opoffering was niet altijd precies dezelfde, maar de betekenis was wel dezelfde.

Zoveel lijden begon de gezondheid van mijn moeder te ondermijnen. Zij kon niet langer werken en zij vroeg mijn zus Gloria om voor haar en het huis te zorgen. Alle artsen en dokters uit de omgeving waren reeds bezocht. We hadden toevlucht voor elke ziekte, maar er was geen enkele verbetering te merken. De goede parochiepriester bood mijn moeder aan om haar mee te nemen met zijn ezelskar, om in Leiria de dokter te raadplegen. Vergezeld door mijn zuster trok zij naar Leiria. Maar ze keerde halfdood van haar reis terug, uitgeput van zo vele raadplegingen, zonder enig resultaat of wat ook. Uiteindelijk werd er een dokter S. Mamede geraadpleegd. Hij verklaarde, dat mijn moeder een verzwakking had aan het hart, een verschoven ruggenwervel en falende nieren. Hij schreef haar een rare behandeling voor met roodhete naalden en van alles en nog wat en dit bracht wel enige verbetering aan haar toestand.

Dit waren de dingen thuis bij ons, toen de dertiende mei van 1917 aankwam. Het was ook rond deze tijd, dat mijn broer de leeftijd had bereikt om zich in te laten schrijven voor het leger. En daar zijn gezondheid goed was, hadden we elke reden om aan te nemen, dat hij zou aanvaard worden. Daarnaast was er oorlog en zou het moeilijk zijn om voor hem een uitzondering te verkrijgen. Mijn moeder, die bang was om er thuis alleen voor te staan en niemand had om het land te latten, vroeg eveneens aan mijn zus Carolina om naar huis te komen. Ondertussen beloofde de peter van mijn broer om zijn uitzondering voor hem te bekomen. Hij sprak enkele woorden met de dokter, die verantwoordelijk was voor zijn medisch onderzoek en aldus verleende de Heer mijn moeder deze verlichting.

Verschijningen van Onze Lieve Vrouw

Ik ga niet langer de beschrijving van de verschijning van 13 mei uitstellen. Het is u wel bekend, Zijne Excellentie, en het zou verloren tijd zijn om er heel diep op in te gaan. U weet ook hoe mijn moeder zich bewust werd van wat er gebeurde, en ze zou niets sparen om me te doen toegeven, dat ik loog. We kwamen overeen om de woorden, die Onze Lieve Vrouw tot ons gesproken had, die dag, te zeggen. Na ons te hebben beloofd om ons naar de Hemel te nemen, vroeg Zij: “Bent u bereid zichzelf op te offeren om al het lijden te dragen, dat God u zal zenden, als een daad van herstel voor de zonden waardoor Hij zo erg beledigd wordt en te bidden voor de bekering van de zondaars?” “Ja, dat willen wij,” was ons antwoord. “Dan zult u veel te lijden hebben, maar Gods genade zal uw troost zijn.”

Op 13 juni, het feest van de Heilige Antonius, waren er steeds grote festiviteiten in onze parochie. Op die dag lieten we gewoonlijk onze kudde heel vroeg in de morgen buiten, om hen om negen uur ’s ochtends reeds op te sluiten. Toen gingen we naar de ‘festa’. Mijn moeder en mijn zussen, die wisten hoezeer ik van een festa hield, bleven maar zeggen: “We moeten nog zien, dat u de festa verlaat om naar de Cova de Ira te gaan om tegen die Dame te praten!” Op die dag sprak niemand een woord tot mij. Insofa en ik waren bezorgd. Zij deden alsof ze wensten te zeggen: “Laat haar alleen, en we zullen spoedig zien wat ze doet.”

Ik liet de kudde bij dageraad uit met de bedoeling om tegen negen uur terug te zijn en naar de Mis te gaan van tien uur, en daarop naar de Cova da Ira. Maar de zon was nog maar op of mijn broer kwam mij roepen. Hij vertelde mij om terug naar huis te gaan, omdat er verschillende mensen waren gekomen om mij te spreken. Hij bleef bij de kudde en ik ging kijken wat ze wilden. Ik zag een aantal mannen en vrouwen, die kwamen uit plaatsen als Minde, Tomar, Carrascas, Boleiros, en zo verder. Ze wensten me te vergezellen naar de Cova de Ira. Ik vertelde hen, dat het nog vroeg was en nodigde hen uit tot de Mis van acht uur. Daarop keerde ik naar huis terug. Deze goede mensen wachtten ondertussen in de tuin, in de schaduw van onze vijgenbomen. Mijn moeder en mijn zussen hielden hun minachtende houding aan, en dit brak mijn hart, want het was inderdaad even pijnlijk als de beledigingen. Rond elf uur verliet ik het huis en ging naar het huis van mijn oom, waar Jacinta en Francisco reeds op mij aan het wachten waren. Toen ging het rechtstreeks richting Cova de Ira, voor het langverwachte ogenblik. Al deze mensen volgden ons en stelden duizenden vragen. Die dag was ik bedolven van bitterheid. Ik kon zien, dat mijn moeder diep verward was en ze zou alles doen wat binnen haar mogelijkheden lag om mij te doen toegeven, dat ik loog. Ik wou allemaal zo graag doen wat ze wou, maar de enige manier om dit te doen was door een leugen te vertellen. En vanuit de wieg, heeft ze steeds haar kinderen de grote gruwel van de leugen voorgehouden en iedereen, die onwaarheden durfde te zeggen, zou streng worden gestraft.

“Ik heb altijd geweten,” zei ze dikwijls, “dat mijn kinderen steeds de waarheid spraken en moet ik nu mijn jongste dochter met zoiets zien laten aandraven? Als het maar een kleine, kleine leugen was! Maar een leugen van deze afmetingen, die zoveel mensen misleidt en hen allemaal hierheen leidt!” Na deze bittere klachten, draaide ze zich tot mij en zei: “Maak uw besluit over wat u wenst! Ofwel ontdoet u zich van al dit bedrog door de mensen te vertellen, dat u hebt gelogen, ofwel sluit ik u op in een donkere kamer waar u zelfs het licht van de zon niet kunt zien. Na al deze moeilijkheden, die ik heb meegemaakt, moet mij nu zoiets overkomen!” Mijn zussen zaten allen naast mijn moeder en rondom mij was de sfeer er een van geringschatting en misprijzen.

Toen herinnerde ik mij de oude dagen en zei bij mezelf: “Waar is al de genegenheid nu heen, die mijn familie tot voor kort voor mij toonde?” Mijn enige troost was te wenen voor de Heer en Hem deze opoffering te schenken. Het was op deze dag dat, bijkomend op wat ik reeds heb verteld, Onze Lieve Vrouw, alsof ze kon raden wat er gaande was, tot mij zei: “Lijdt u veel? Verlies de moed niet. Ik laat u nooit in de steek. Mijn Onbevlekte Hart zal uw toevluchtsoord zijn en de weg, die u tot God zal leiden.”

Toen Jacinta mij in tranen zag, wou zij me troosten: “Ween niet. Zeker zijn dit de beproevingen waarover de Engel het had, die God tot ons zou zenden. Daarvoor dient uw lijden, voor uw herstel tot Hem en voor de bekering van de zondaars.”

Lucia’s twijfels en verzoeken

Rond deze tijd kwam onze parochiepriester te weten wat er allemaal gebeurde en vroeg mijn moeder om mij mee te nemen naar zijn pastorie. Het was alsof mijn moeder opnieuw kon ademen, nu ze dacht, dat de priester de verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen op zich zou nemen. Daarom zei ze tot mij: “Morgen is het eerste was we gaan doen, naar de Mis gaan en dan gaat u naar de pastorij van de Eerwaarde Vader. Laat hem maar doen om de waarheid te achterhalen, op welke manier ook. Laat hem u straffen. Laat hem doen wat hij maar wenst te doen met u, zolang hij er maar in slaagt u te doen toegeven, dat u gelogen hebt. Pas dan zal ik tevreden zijn.”

Mijn zussen namen het op voor mijn moeder en vonden eindeloze bedreigingen uit om mij schrik aan te jagen voor mijn gesprek met de parochiepriester. Ik vertelde Jacinta en Francisco er alles over. “Wij gaan ook,” antwoordden zij, “De Eerwaarde Vader vertelde aan onze moeder om ons eveneens daarheen te nemen, maar zij heeft zo geen dingen tot ons gezegd. Oh, het geeft niet! Als ze ons verslaan, zullen we lijden uit liefde voor Onze Heer en voor de zondaars.”

De volgende dag stapte ik naast mijn moeder zonder de hele weg een woord tot elkaar te spreken. Ik moet toegeven, dat ik beefde van de gedachte van wat er stond te gebeuren. Tijdens de Mis offerde ik mijn lijden op aan God. Daarna volgde ik mijn moeder vanuit de kerk naar de pastorij. We begonnen aan de trappen, die leidden tot de veranda. We hadden maar een paar treden beklommen toen mijn moeder zich omdraaide en het uitriep: “En verveel mij niet langer meer! Vertel de Eerwaarde Vader, dat u gelogen hebt, zodat hij op zondag in de kerk kan zeggen, dat het allemaal een leugen was en dat daarmee een einde is gekomen aan de hele zaak. Wat een mooi verhaal is dit! Al het volk loopt naar de Cova de Ira, gewoon om te bidden voor een steeneik.”

Vervolgens klopte ze aan de deur. De priestermeid opende en nodigde ons uit om neer te zitten op een zitbank en er te wachten. Tenslotte verscheen de parochiepriester. Hij nam ons in zijn studeerkamer en wenkte mijn moeder om te gaan zitten. Hij bekeek mij vanachter zijn bureel. Toen ik bemerkte, dat Zijne Eerwaarde mij heel vriendelijk en rustig ondervroeg, stond ik verbaasd. Ik was nog steeds bevreesd, maar enkel van wat nog moest komen. De ondervraging was heel gedetailleerd en, ik zou durven zeggen, vermoeiend. Zijne Eerwaarde besloot met de korte opmerking: “Het lijkt me niet dat dit een onthulling uit de Hemel is. Het is in dergelijke gevallen gebruikelijk, dat Onze Heer de zielen vertelt voor wie deze onthullingen bestemd zijn, zodat zij hun biechtvader of parochiepriester rekenschap kunnen geven van het gebeurde. Maar dit kind daarentegen, houdt zoveel mogelijk alles voor zichzelf. Dit kan ook een misleiding van de duivel zijn. We zullen zien. De toekomst zal ons tonen wat we hier allen moeten over denken.”

Aanmoedigingen van Jacinta en Francisco

Hoezeer deze insinuatie mij deed lijden, weet enkel God, want enkel Hij kan in het binnenste van het hart kijken. Ik begon te twijfelen, dat deze verkondigingen eventueel van de duivel zouden komen, die misschien op deze wijze mijn ziel verloren wilde doen gaan. Toen ik de mensen hoorde zeggen dat de duivel altijd onenigheid en verwarring zaait, begon ik waarachtig te twijfelen, daar de sfeer in ons huis niet meer dezelfde was, want de vreugde en de vrede was verdwenen, sinds deze dingen begonnen. Welke smart voelde ik! Ik maakte mijn twijfels bekend aan mijn neefje en nichtje. “Neen, het is de duivel niet!” antwoordde Jacinta, “helemaal niet! Er wordt gezegd, dat de duivel heel lelijk is en dat hij zich onder de grond bevindt, in de hel. Maar die dame is zo mooi, en we zagen haar opstijgen naar de Hemel!”

Onze Heer maakte hiervan gebruik om de twijfels, die ik had wat te verminderen. Maar tijdens de loop van de maand verloor ik al mijn enthousiasme om opofferingen en daden van versterving te doen, zodanig zelfs, dat ik mijzelf begon af te vragen of het niet beter was om te zeggen dat ik gelogen had, zodat aan alles een einde zou komen. “Doe dat niet!” schreeuwden Jacinta en Francisco het uit. “Ziet u dan niet, dat u nu juist een leugen gaat vertellen, en is liegen dan geen zonde?” In deze gemoedstelling kreeg ik bovenop een droom, die enkel de duisternis in mijn geest nog deed toenemen. Ik zag de duivel lachen, omdat hij mij voor de gek gehouden had, terwijl hij probeerde om mij in de hel te trekken. Terwijl ik mijzelf in zijn klauwen zag, begon ik zo hardop te schreeuwen en op Onze Lieve Vrouw te roepen om hulp, dat ik mijn moeder wakker had gemaakt. Zij was ontdaan en vroeg mij wat er gaande was. Ik kan mij niet meer herinneren wat ik haar antwoordde, maar ik herinner mij wel nog, dat ik verlamd was door de angst en dat ik die nacht niet meer kon slapen. Deze droom had mijn ziel bedekt met wolken van angst en lijden. Mijn enige troost was mij terug te trekken en mijn hart te laten uitwenen. Zelfs het gezelschap van mijn neefje en nichtje werd mij een last en daarom begon ik mij ook voor hen te verbergen. De arme kinderen! Ze zochten mij, schreeuwden mijn naam uit en kregen geen antwoord, terwijl ik de hele tijd daar was, dicht in hun baijheid verborgen in een hoek, waar ze nooit zouden gaan zoeken.

De dertiende juli kwam dichterbij en ik had nog steeds twijfels of ik zou gaan. Ik dacht bij mijzelf: “Als het de duivel is, waarop zou ik dan gaan om hem te zien? Als ze me vragen waarom ik niet ga, zal ik zeggen, dat ik bevreesd ben voor de verschijning en dat ik daarom niet meer terugga naar de Cova de Ira.” Mijn beslissing was genomen en ik was vastbesloten om ernaar te handelen.

Op de avond van de twaalfde begonnen de mensen zich reeds te verzamelen, in afwachting van de gebeurtenissen van de daaropvolgende dag. Daarom riep ik Jacinta en Francisco en vertelde hen over mijn besluit. “Wij gaan,” antwoorden zij, “De Dame heeft gezegd, dat wij moeten gaan.” Jacinta zou uit eigen beweging tot de Dame spreken en zij was zo ontsteld over mijn beslissing, dat zij begon te wenen. “Omdat u niet wil gaan!”

“Neen, ik wil niet gaan! Luister! Als de Dame naar mij vraagt, vertel haar dan, dat ik niet ga, omdat ik bevreesd ben, dat het de duivel is.” En zo liet ik hen achter en verborg mij om zo te vermijden om op alle vragen te moeten antwoorden van de mensen, die ondertussen waren afgezakt. Mijn moeder dacht, dat ik met de kinderen uit het dorp speelde, terwijl ik mij de hele tijd verborgen hield in de braamstuiken van onze buurman, dat aan de Arneiro grensde, een beetje oostwaarts van de bron, die ik reeds zo dikwijls heb vermeld. Toen ik die avond thuiskwam, schold zij mij uit: “Wat een mooie schijnheilige bent u, wees daar maar zeker van. Al de tijd, die er was voor de schapen te hoeden, hebt u verspild om enkel maar te gaan spelen en wie weet wat meer u nog had te doen, want niemand kon u vinden!”

De volgende dag, wanneer het bijna tijd was om te vertrekken, voelde ik plots, gedreven door een vreemde kracht waar ik amper kon aan weerstaan, dat ik moest gaan. Ik stapte op, belde aan bij mijn oom om te zien of Jacinta nog steeds daar was. Ik vond haar in haar kamer, samen met haar broer Francisco, knielend en wenend naast het bed: “Gaat u dan niet?” vroeg ik. “Niet zonder u! Wij durven niet. Ga mee!” Ik antwoordde: “Ja, ik ga mee.” Hun gezichten klaarden op van vreugde en samen gingen we op stap. Een massa volk bevond zich lang de weg, wachtend op ons, en enkel met veel hinder konden we uiteindelijk de plaats bereiken. Dit was de dag waarop Onze Lieve Vrouw ons het geheim zou onthullen. Hierna, zei Zij ons, om onze hangende hartstocht opnieuw op te flakkeren: “Offer uzelf op voor de zonden en zeg dikwijls tegen Jezus, vooral wanneer u een opoffering maakt: O Jezus, dit is uit liefde voor U, voor de bekering van de zondaars en tot eerherstel van de zonden tegen het Onbevlekte Hart van Maria.”

Vertaling: Chris de Bodt

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x