Fatima in Lucia’s eigen woorden: Jacinta Marto

Fatima in Lucia’s eigen woorden: Jacinta Marto

(onderstaande publicatie is wat taal betreft een beetje oud,
ik heb het hier en daar een beetje bijgeschaafd,
maar het geeft een heel goede indruk van de persoon van Jacinta,
pastoor Frank Domen)

Jacinta’s karakter, haar natuurlijke karaktertrekken

Voor de gebeurtenissen van 1917, vóór de verschijningen die ons intens verenigden, had ik niet meer bijzondere interesse in Jacinta en Francisco, dan in andere kameraadjes. In tegendeel, soms vond ik Jacinta’s aanwezigheid nogal onaangenaam vanwege haar humeurigheid. De minste onenigheid tussen de kinderen, was al genoeg voor haar om alleen in haar hoekje te kruipen. “De ezel vastbinden”, zoals we zeiden. We probeerden haar te overhalen, te strelen, haar op te beuren, maar dit was niet genoeg om haar terug tot het spel te brengen. Zij diende het spel te kiezen, evenals haar vriendjes. Haar hart bevond zich echter op de juiste plaats, want God had haar tegelijkertijd ook gezegend met een zacht en vriendelijk karakter, dat haar ook aantrekkelijk en geliefd maakte.

Ik weet niet waarom, maar Jacinta en Francisco hadden een bepaalde voorkeur voor mij en zochten mij steeds eerst op als ze wilden spelen. Zij hielden niet van het gezelschap van andere kinderen en ze vroegen me dikwijls om met hen mee te gaan naar de bron, beneden in de tuin, die tot hun ouders behoorde. Eens we daar waren, was het Jacinta die het spel koos, voornamelijk een spel met steentjes en knopen, dat we op de geplaveide stenen speelden, die de bron bedekten, in de schaduw van een olijfboom en twee pruimenbomen. Met de knopen spelen, verwarde me steeds, want telkens als we werden binnengeroepen om te eten stond ik op verlies. Jacinta won altijd. Mijn moeder was hiervoor dikwijls kwaad op mij. Ik diende ze vlug opnieuw aan te naaien, maar hoe kon ik Jacinta overhalen om ze mij terug te geven, want naast het opzetten van pruillippen, had ze nog een ander gebrek, ze was nameijk hebberig. Ze wou alle knopen houden tot het volgende spel, om zo geen eigen knopen te moeten afstaan. Enkel door haar te bedreigen om nooit meer met haar te spelen, kon ik haar overhalen.

Een van mijn oudere zussen kon weven en de andere kon naaien en beiden waren de hele dag thuis. De buren vroegen daarom of hun kinderen bij ons thuis mochten blijven spelen, terwijl zij gingen werken in de velden. De kinderen bleven bij ons spelen, terwijl mijn zussen een oogje in het zeil hielden. Mijn moeder wou dit, hoewel dit meestal verloren tijd was voor mijn zussen. Ik diende op te letten dat de spelende kinderen niet in de vijver vielen in de tuin. Drie grote vijgenbomen beschermden ons voor de brandende zon. Op een dag als deze vroeg Jacinta mij om samen met haar broer naar “haar schuilhoekje” te gaan. Ik vertelde haar, dat mijn moeder mij had bevolen om te blijven. Terleurgesteld en berustend zei ze: “Natuurlijk, ik zou in uw plaats niet beschaamd willen zijn wanneer de priester u rond Pasen ondervraagt over de katechismus.” Alle kinderen waren bij de katechismusles aanwezig, ook Jacinta.

Jacinta’s gevoeligheden

Op een dag beschuldigde één van de kinderen het andere van onfatsoenlijk taalgebruik. Mijn moeder berispte hem streng, en zei dat men zulke schunnigheden niet zegt, omdat het een zonde is en men er het kindje Jezus verdriet mee doet, en dat diegenen die zulke zonden begaan en dit niet biechten, naar de hel gaan. De volgende keer dat de kinderen kwamen, zei Jacinta:

Jacinta: Mag u meegaan van uw moeder vandaag?
Lucia: Nee
Jacinta: Dan ga ik met Francisco naar onze tuin.
Lucia: En waarom blijf je niet hier?
Jacinta: Mijn moeder wil niet dat ik bij die andere kinderen blijf. Zij vertelde u mee te vragen om in onze tuin te komen spelen. Ze wil niet dat ik die schunnige praat hoor, dat zonde is en dat het kindje Jezus niet graag hoort.
Jacinta fluisterde hierop Lucia in de oren: “Als uw moeder u laat gaan, komt u dan bij ons spelen?
Lucia: Ja
Jacinta: Ga het haar dan vragen.

Jacinta nam toen haar broer bij de hand en ging naar huis.

Eén van Jacinta’s lievelingspelletjes was er eentje waarbij de verliezer moest doen wat de winnaar vroeg. Jacinta hield er van om de verliezer achter de vlinders te doen jagen, er eentje te vangen en tot bij haar te brengen. Een andere keer vroeg ze naar een bepaalde bloem. Op een dag speelden we thuis dit spel en ik won en ik zei haar mijn opdracht. Mijn broer was aan de tafel aan het schrijven. Ik zei haar om hem een knuffel en een kus te geven, maar ze stribbelde tegen: “Neen, niet dat, vraag me wat anders. Waarom vraagt u mij niet om het beeld van Onze Heer ginds te kussen?” Er hing daar een kruisbeeld aan de muur.
“Akkoord”, zei ik, “sta op een stoel, breng het kruisbeeld naar hier, kniel en geef Jezus drie dikke knuffels en drie kusjes, ééntje voor Francisco, ééntje voor mij en ééntje voor uzelf.”
“Aan Jezus geef ik zo veel kusjes als ik wil”, en ze liep naar het kruisbeeld. Zij kuste en knuffelde Hem met zo een toewijding, dat ik dit nooit zal vergeten. Toen keek ze heel aandachtig naar Jezus en vroeg zij:
“Waarom is Onze Heer aan het kruis genageld?”
Ik antwoordde: “Omdat Hij voor ons stierf.”
“Vertel me hoe dit gebeurde”, vroeg ze, en ik begon te vertellen.

Jacina’s liefde voor de Gekruisigde Jezus

Tijdens de avonden vertelde mijn moeder steeds verhaaltjes en mijn vader en mijn oudere zussen vertelden graag sprookjes. Maar mijn moeder verhaalde ook over de Passie, Johannes De Doper, enz…en zo kwam ik verhaal te weten over Jezus’ Passie. Eén keer dit verhaal over Jezus’ lijden horen was voor mij voldoende om het tot in de details te blijven onthouden. Zo begon ik het “verhaal van de Heer”, zoals ik het noemde, woord voor woord aan Jacinta te vertellen. Toen kwam plots een van mijn zussen langs en ze merkte op, dat we het kruisbeeld in onze handen hadden. Toen kregen we een standje van haar en ze zei ons dat we zulke heilige dingen niet in onze handen mochten houden.

Toen stond Jacinta op en zei: “Maria, hou op met uw zus uit te schelden! Ik heb het gedaan en ik zal het niet meer doen.” Mijn zus streelde mij en vroeg ons om buiten te gaan spelen, omdat we nooit iets op zijn plaats konden laten liggen in huis.

Toen ging ik verder met het vertellen van het “verhaal van de Heer”. We vonden een plaatsje, verscholen achter wat kastanjebomen, struiken en stenen. Dit werd later “ons plaatsje” voor onze vertrouwelijke gesprekken, onze gebeden, en ook voor onze tranen, soms heel bittere tranen. Om onze rode ogen te verbergen wasten we onze tranen weg met hetzelfde water als uit de bron waaruit we dronken. Stelt deze bron niet precies Onze-Lieve-Vrouw voor, in wiens hart we onze tranen konden drogen en van waaruit we de zuiverste troost konden drinken?

Maar nu terug naar het verhaal. Toen de kleine Jacinta me hoorde vertellen over het lijden van Onze Heer, begon ze te wenen. Van toen af vroeg ze mij dikwijls om het hele verhaal telkens opnieuw te vertellen. Toen zei ze met haar ogen vol met tranen en met een hart vol van verdriet: “Onze arme Lieve Heer. Ik zal nooit meer zondigen. Ik wil niet meer dat Onze Heer nog lijdt.”

Jacina kon niet tegen de hitte

Jacinta hield er van om bij het vallen van de avond naar de dorsvloer te gaan, dat zich dichtbij het huis bevond. Vandaar keek ze naar de mooie zonsondergangen en de sterrenhemel. Vooral het zachte maanlicht bracht haar in vervoering. Wij daagden elkaar uit wie het meeste sterren kon tellen. De sterren noemden we engelenlampen, de maan was Maria’s lamp en de zon was Jezus’ lamp. Hierbij maakte Jacinta soms de opmerking: “Ik hou liever van Maria’s lamp, die geeft niet zoveel hitte af en verblindt ons niet”. De zon kan er heel sterk schijnen tijdens de zomerdagen en Jacinta, het broze kind, kon de hitte niet verdragen.

Jacinta kijkt en leert

Op een dag was Jacinta gefascineerd toen ze tijdens een kerkelijk feest zag hoe “engeltjes” bloemblaadjes uitstrooiden. Van toen af verliet ze soms de groep om haar schort te vullen met bloembladen. Dan kwam ze terug en strooide deze over mij uit, één voor één.

“Jacinta, waarom doe je dit?”
“Ik doe wat de engeltjes doen: ik bestrooi u met bloembladen.”

Elk jaar, ik denk op sacramentsdag, maakte mijn zus de kledij klaar voor de kinderen, die de engelen moesten voorstellen in de processie. Dan liepen de engeltjes naast de hemel waaronder de priester liep met Heilig Sacrament. Ik was er altijd bij en op een dag moest ik mijn kleed passen van mijn zus. Ik vertelde Jacinta over het aankomende feest en dat ik bloembaaldjes zou strooien over de kleine Jezus. Daarop drong Jacinta aan of ze mocht meegaan in de processie. Dus gingen we dit samen vragen aan mijn zus. Mijn zus ging akkoord en paste Jacinta’s kledij.

Tijdens de repetitie toonde mijn zus hoe de bloemblaadjes over de kleine Jezus werden gestrooid.
“Zullen wij Hem zien?” vroeg Jacinta.
“Ja”, zei mijn zus, “de parochiepriester zal Hem dragen.”

Hierop sprong Jacinta van vreugde een gat in de lucht en bleef maar vragen hoelang het nog duurde voor het feest eraan kwam en toen de langverwachte dag er dan uiteindelijk aan kwam was het kind buiten zichzelf van opwinding. Beiden namen we zo dicht mogelijk bij het altaar plaats. Later, tijdens de processie, liepen we naast de priesterhemel, elk van ons met een mandje vol met bloemblaadjes. Ik strooide mijn blaadjes uit vóór de kleine Jezus, zoals mijn zus mij had verteld, maar hoeveel mijn zus ook bleef gebaren naar Jacinta, het kind strooide haar bloemblaadjes niet uit. Haar blik was volledig op de pastoor geconcentreerd, en daar bleef het bij. Toen de processie voorbij was, nam mijn zus Jacinta bij de hand en vroeg haar:

“Jacinta, waarom heb je uw bloemblaadjes niet uitgetrooid voor de kleine Jezus?”
“Omdat ik Hem niet heb gezien! Hebt u Hem soms kunnen zien?”
“Natuurlijk niet. Weet je dan niet dat het kindje Jezus in de hostie niet kan worden gezien? Hij is daarin verborgen en wij ontvangen hem tijdens de Communie.”
“En spreek je dan met Hem als je te Communie gaat?”
“Jawel.”
“Wel, waarom zie je Hem dan niet?”
“Omdat Hij verborgen is.”
“Ik ga aan mijn moeder vragen of ik ook mag de Communie ontvangen.”
“De pastoor zal u zeggen dat u moet wachten tot u tien jaar bent.”
“Maar u was wel geen tien jaar!”
“Ja, maar ik kende ook de hele catechismus, en jij niet.”

En zo moest ik Jacinta èn Francesco de catechismus leren en al spoedig zei Jacinta: “Leer mij meer, dat weet ik al.” Ik moet toegeven, dat ik enkel dingen over de catechismus kon herinneren als er mij vragen over gesteld werden en toen zei ik: “Vraag aan je moeder om u naar de kerk te laten gaan om de catechismus te leren.” De twee kinderen, die zo graag de “verborgen Jezus”, zoals zij zelf zegden, ontvingen, vroegen dit daarop aan hun moeder en mijn tante ging akkoord, maar meestal liet ze hen niet gaan, omdat de kerk een eindje weg was en de kinderen nog heel klein waren. “In ieder geval zal de priester u toch geen Communie geven voor jullie tien jaar oud zijn.”

Jacinta hield niet op met vragen stellen over de verborgen Jezus en ik herinner mij hoe ze op een dag vroeg: “Hoe kunnen zoveel mensen tegelijk de verborgen Jezus ontvangen? Is er een klein stukje voor ieder persoon?
“Nee, aboluut niet. Zie je niet dat er vele hosties zijn? Wel, in elke hostie is er een verborgen Jezus.”

Ik denk, dat ik dat kind heel wat heb wijsgemaakt in die dagen.

Jacinta, de kleine herderin

Ik was nu oud genoeg om op de schapen te letten, juist zoals mijn moeder haar andere kinderen op die leeftijd had uitgestuurd. Mijn zus Carolina was toen dertien jaar en voor haar werd het tijd om te gaan werken. Daarom zond mijn moeder mij uit om op de kudde te passen. Ik vertelde dit nieuws aan Jacinta en Francesco en zei hen ook dat ik voortaan met hen niet meer zou kunnen spelen. Dit konden ze echter niet aanvaarden. Ze gingen meteen aan hun moeder vragen of ze mee mochten gaan, maar het antwoord was “nee”. En zo konden we niet anders dan deze scheiding te aanvaarden.

Daarop kwamen ze mij bijna elke avond, bij het vallen van de duisternis, tegemoet. Dan gingen we vlug naar de dorsvloer om de lampen te zien branden van Onze-Lieve-Vrouw en de engelen (de maan en de sterren). Tijdens een maanloze nacht zeiden we, dat er geen olie was voor de lamp van Onze Moeder.

Jacinta en Francisco konden er maar niet aan wennen, dat ze mij nu elke dag moesten missen en ze bleven daarom bij hun moeder maar aandringen om hen met mij te laten meegaan. Uiteindelijk gaf mijn tante toe, maar dit was meer om van hun gezaag af te zijn, om ook op hun kudde te passen. Opgewonden van vreugde renden ze mij toe om mij te komen vertellen, dat we onze kudden bij elkaar konden plaatsen elke dag. Van die dag begon Jacinta’s nieuwe leven als kleine herderin.

Hoewel we in de buurt van de schapen bleven, speelden we de hele dag. Jacinta hoorde graag de echo van haar stem in de valleien en één van onze meest favoriete bezigheden was dan ook op de top van de heuvels te klimmen; op de grootste rots te gaan zitten die we kon vinden en zoveel mogelijk namen beginnen te roepen, maar de naam die het mooiste weerklonk was “Maria”. Soms riep Jacinta dan ook het hele Wees Gegroet uit, waarbij ze telkens wachtte tot de echo was verdwenen, om verder te gaan.

Ook zongen we en dansten we graag en elk instrument, dat we door de andere herders hoorden bespelen was voor ons een gelegenheid om te dansen en ik moet zeggen dat Jacinta, door haar kleine gestalte, hiervoor uiterst geschikt was.

We moesten van onze ouders de rozenkrans bidden na het eten, maar de dag scheen ons veel te kort voor ons spel en zo vonden we als spoedig een alternatief om vlugger onze rozenkrans te bidden. Bij elke kraal zeiden we enkel “Weesgegroet Maria, Weesgegroet Maria…” en bij het einde van elk mysterie, stopten we even en zeiden we vlug “Onze Vader”, en zo hadden we in de kortste tijd onze rozenkrans beëindigd.

Jacinta hield er ook van om de kleine witte lammetjes op haar schoot te nemen, ze zachtjes in haar armen te houden, ze te aaien en te kussen en op haar schouders naar huis te dragen. Op een dag wandelde Jacinta op haar terugtocht in het midden van de kudde: “Wat doe je daar in het midden van de kudde?”, vroeg ik aan Jacinta. “Ik wil hetzelfde doen als Jezus op het prentje, dat ik gekregen heb. Daarop bevindt Hij zich temidden van de schapen en houdt Hij er eentje in zijn armen.”

De eerste verschijning

Nu weten jullie ongeveer hoe Jacinta tot die bewuste 13e mei 1917 haar eerste 7 levensjaren doorbracht. Die dag begon klaar en helder zoals de meeste dagen daarvoor. Die dag, het zal wel de Goddelijke Voorzienigheid geweest zijn zeker, besloten we om onze kudde te laten grazen op een weiland van mijn ouders, Cova de Iria genoemd. We kozen ons gebruikelijk weiland aan de Barreira (vijver). Wij moesten eerst door een dor, onvruchtbaar gebied om daar te geraken, wat de dag dubbel zolang maakte. We dienden langzaam te gaan om de schapen de kans te kunnen geven om te grazen en zo was het bijna middag toen we aankwamen.

Ik moet toegeven, dat er bepaalde dingen waren van de verschijningen waarover we hadden afgesproken om deze niet openbaar te maken. Nu echter besluit ik hierover te spreken om te kunnen uitleggen waarom Jacinta zo’n uitzonderlijke liefde had voor Jezus, voor het lijden, voor de zondaars, voor wiens redding ze haarzelf zo rijkelijk opofferde. Het was Jacinta zelf, die door de enorme indruk, die de verschijning op haar naliet, uiteindelijk die dingen niet kon zwijgen, die we besloten hadden om voor onszelf te houden. Diezelfde namiddag brak Jacinta de stilte door enthousiast uit te roepen:
“O, wat een mooie dame!”
“Ik zie het al aankomen”, zei ik, “dit kan je nooit verzwijgen voor anderen.”
“O, nee, zit hier absoluut niet over in.”
De volgende dag rende Francesco op mij af om mij te vertellen hoe ze hem alles de nacht ervoor thuis had verteld. Jacinta verroerde geen vin.
“Zie je wat ik dacht dat er ging gebeuren?”
“Er was iets binnen in mij dat mij niet kon tegenhouden”, zei ze met tranen in de ogen.
“Wel, ween nu niet meer en vertel aan niemand anders, wat Onze-Lieve-Vrouw ons heeft gezegd.”
“Maar ik heb het hen reeds gezegd.”
“En wat heb je gezegd?”
“Ik zei, dat de Dame ons beloofd had om ons naar de Hemel te brengen.”
“Heb je hen dat verteld?”
“Vergeef mij. Ik zal hierover nooit meer iets zeggen.”

Nadenken over de hel

Toen ik die dag het grasland bereikte, zat Jacinta diep na te denken op een stuk rots.
“Jacinta, kom mee en speel.”
“Ik wens niet te spelen.”
“Waarom niet?”
“Omdat ik nadenk. De Dame vertelde ons om de Rozenkrans te bidden en opofferingen te doen voor de bekering van de zondaars. Daarom moeten we vanaf nu, als we de Rozenkrans bidden het volledige Weesgegroet en het volledige Onze Vader bidden! En de opofferingen? Hoe gaan we die maken?
Onmiddellijk dacht Francesco aan een mooie opoffering: “Laten we ons eten aan de schapen geven. Wij zullen eens overslaan.”
In geen tijd lag het hele pakket eten uitgestrooid voor de schapen. En zo vasten we op die dag nog strenger als de meest ascetische kartuizer!
Nog steeds diep in gedachten verzonken bleef Jacinta op het rotsblok zitten en vroeg zij: “De Dame zei ook dat er vele zielen naar de hel gaan! Wat is de hel dan?”
“Dat is zoals een breed diep gat vol met wilde beesten, midden in een groot vuur. Dat is wat mijn moeder mij hierover vertelde en daar gaan de mensen heen die zonden bedrijven en deze niet opbiechten. Zij blijven en branden daar voor eeuwig.”
“En komen ze daar nooit meer uit?”
“Neen!”
“Zelfs niet na vele, vele jaren?”
“Neen, de hel is voor eeuwig!”
“En is de Hemel ook voor eeuwig?”
“Ze zijn eeuwig! Begrijp je dit dan niet?”
En zo dachten we voor het eerst na over de hel en de eeuwigheid. Zelfs in het midden van het spel zou Jacinta ons hebben onderbroken om te vragen: “Luister nu eens! Houdt de hel dan niet op na vele, vele jaren?”, of anders: “Die mensen die branden in de hel, sterven die dan nooit? En worden ze geen as? Arme zondaars! We moeten bidden en boete doen voor hen!” Daarna ging ze verder: “Hoe goed moet die Dame toch zijn! Zij heeft ons reeds beloofd om ons naar de hemel te nemen.”

Bekering van de zondaars

Jacinta nam zich de aangelegenheid van haar opofferingen voor de bekering van de zondaars zo ter harte, dat ze niet de minste gelegenheid liet voorbij gaan. Er waren twee families in Moita waarvan de kinderen deur aan deur gingen om te gaan bedelen. Op een dag, toen we op weg waren met de schapen, kwamen we ze tegen. Onmiddellijk als zij hen zag, zei Jacinta tot ons:
“Laat ons eten afgeven aan deze kinderen. Voor de bekering van de zondaars.”
Ze liep naar hen toe en gaf het hen.
Die namiddag vertelde ze me dat ze honger had. Er waren enkele eiken en steeneiken dichtbij. De eikels waren nog tamelijk groen, maar ik vertelde hen dat ze reeds eetbaar waren en zo klom Francesco in de steeneik en vulde zijn zakken. Toen zei Jacinta, dat er zich ook eikels aan de gewone eikenbomen bevonden. Die waren bitterder en zou de boete nog groter maken. En zo genoten we die namiddag van onze heerlijke maaltijd. Jacinta maakte hiervan haar gewoonte en nam dikwijls eikels of olijven van de bomen. Op een dag zei ik tot haar:
“Jacinta, eet dat niet! Dat smaakt te bitter!”
“Maar het is omdat ze bitter zijn, dat ik ze opeet! Voor de bekering van de zondaars.”
Dit waren niet de enige momenten van vasten. Zo hadden we afgesproken, dat wanneer we ook arme kinderen zagen, we ons middageten zouden afgeven. Natuurlijk waren die kinderen hiermee heel blij en spoedig stonden ze ons langs de kant van de weg op te wachten. Van zodra Jacinta ze zag, spoedde ze er zich heen om het eten af te geven, gelukkig omdat ze zo kon boete doen. Op dergelijke dagen bestond ons eten uit niets anders dan eetbare denneappels en kleine bessen, die groeiden op de klokjesbloemen, of zwarte bessen en paddestoelen en enkele andere zaken, die we vonden bij de pijnbomen, ik weet niet hoe men dit noemde.
Als er fruit was aan de bomen op het land van mijn ouders, aten we dat fruit op, maar aan Jacinta’s drang om opofferingen te doen leek geen einde te komen.
Op een dag bood een buur ons een goed grasland aan voor onze schapen en hoewel het tamelijk veraf gelegen was en het hoogzomer was, aanvaardde mijn moeder dit vrijgevig gebaar en zond mij daarheen. Ze vertelde me om ’s middags de schaduw van de bomen op te zoeken en er was ook een vijver vlakbij waar de dieren konden gaan drinken.
Op onze weg ontmoetten we onze gebruikelijke arme vriendjes en onmiddellijk bood Jacinta hen ons eten als aalmoes aan. Het was een prachtige dag en de zon gaf een felle gloed. In deze dorre en onvruchtbare woestenij, leek het alsof alles zou worden opgebrand. Wij stikten bijna van dorst en er was geen druppel water in de omtrek te bespeuren om te drinken. In het begin schonken we dit offer graag voor de bekering van de zondaars, maar na de middag konden wij het niet langer volhouden. We zagen een huis tamelijk nabij en ik stelde Jacinta en Francesco voor om er een beetje water te gaan vragen. Ze stemden toe en zo ging ik aan de deur kloppen. Een kleine, oude vrouw gaf mij niet enkel een kruik water, maar ook wat brood, dat ik graag aanvaardde. En zo liep ik naar Jacinta en Francesco toe en dan bood ik de kruik aan Francesco aan om te drinken.
“Ik wil niet”, antwoordde hij.
“Waarom?”
“Ik wens te lijden voor de bekering van de zondaars.”
“En u, Jacinta?”
“Ook ik wens dit offer te brengen voor de bekering van de zondaars.”
Ik goot de kruik dan maar uit in de holte van de rotsen, zodat de schapen er konden van drinken en bracht haar daarna terug naar de eigenaar. De hitte werd echter stilaan ondragelijk. Het scherpe geluid van de krekels en sprinkhanen en het kwaken van de kikkers in de nabijgelegen vijver maakten een tumult, dat bijna niet houdbaar was. Jacinta, die al mager is en u nog meer was verzwakt door het gebrek aan eten en drinken, zei tot mij in een eenvoud, die haar eigen was:
“Zeg tegen de krekels en de kikkers, dat ze moeten stil zijn! Ik heb zo’n hevige hoofdpijn.”
Toen zei Francesco tot haar: “Wenst u niet te lijden voor de bekering van de zondaars?”
Hierop antwoordde het arme kind, met het hoofd tussen de handen: “Jawel, laat ze maar verder zingen.”

Tegenwerking binnen de familie

Ondertussen had het nieuws over wat er zich afspeelde verspreid. Mijn moeder werd hierdoor erg bezorgd en wou absoluut, dat ik alles zou ontkennen. Op een dag, vooraleer ik met de kudde op stap ging, was ze vastbesloten om mij te doen opbiechten, dat ik leugens vertelde. Hiervoor waren alle middelen goed: eerst begon ze mij te strelen, daarna te dreigen en uiteindelijk werd de bezemsteel erbijgehaald. Het enige antwoord, dat ze kreeg was een volledige stilte, of de bevestiging van alles wat ik reeds had gezegd. Hierop mocht ik op stap met de kudde, maar ze maande me streng aan om mij onderweg te bezinnen over het feit, dat ze nooit zou toestaan dat haar kinderen leugens zouden verspreiden, en zeker geen leugens van deze aard. Ze waarschuwde mij, dat ze nog zou overwegen om mij nog dezelfde avond te dwingen om aan de mensen die ik had “misleid” alles op te biechten, toe te geven dat ik gelogen had en hen mijn verontschuldigingen aan te bieden.
Ik vertrok nu op pad met de schapen en Jacinta en Francesco stonden mij die dag reeds op te wachten. Toen ze mij zagen wenen waren ze bezorgd en vroegen ze mij wat er was gebeurd. Ik vertelde hen alles en voegde hieraan toe: “Vertel me wat ik moet doen? Mijn moeder is vastbesloten om mij ten koste van alles mijn “leugens” te doen opbiechten. Maar hoe kan ik zoiets doen?”
Toen zei Francisco tot Jacinta: “Zie je, het is allemaal uw fout. Waarom hebt u alles bij iedereen rondgebazuind?”
Hierop knielde het arme kind in bittere tranen neer, vouwde haar handen en vroeg ons om haar te vergeven: “Ik heb verkeerd gedaan”, zei ze met tranen in haar ogen, “maar ik zal nooit meer iets aan iemand vertellen.”
Men kan zich nu afvragen waarom Jacinta zo’n daad van nederigheid beging? Ik weet het niet, maar ongetwijfeld had ze verdriet, omdat wij aan onze ouders vergiffenis moesten vragen, of anders, dacht ik, was het Jacinta, die grotere genaden had bekomen van Onze-Lieve-Vrouw of een betere kennis had van Gods deugden.
Toen we enige tijd later bij de parochiepriester moesten gaan om ons te laten ondervragen, hield Jacinta de hele tijd het hoofd naar beneden gebogen en enkele met de grootste omzichtigheid kreeg hij één of twee woorden uit haar mond. Eenmaal buiten vroeg ik haar: “Waarom hebt u de pastoor niet geantwoord?”
“Omdat ik jullie beloofd heb om er nooit meer met iemand over te praten!”
Op een dag vroeg zij: “Waarom kunnen wij niet zeggen, dat Onze-Lieve-Vrouw ons heeft gevraagd om opofferingen te doen voor de zondaars?”
Mij moeder ergerde zich meer en meer over hoe de zaken zich ontwikkelden, wat leidde tot een nieuwe poging van haar om mij te doen opbiechten, dat ik had gelogen. Op een ochtend zei ze mij om naar de pastoor te gaan: “Als u daar bent, val dan op uw knieën en vertel hem, dat u hebt gelogen, en vraag hem om vergiffenis.”
Toen wij het huis van mijn tante voorbijkwamen, ging mijn moeder enkele minuten binnen. Dit gaf mij de mogelijkheid om aan Jacinta te vertellen wat er was gebeurd. Toen ze mijn ontreddering zag, barstte ze in tranen uit en zei ze: “Ik ga Francesco roepen! We gaan voor u bidden bij de bron. Wanneer u terugkomt, komt dan naar ginds. Wij zullen op u wachten.”
Eenmaal terug, rende ik naar de bron en zag ik hen beiden geknield bidden. Van het moment dat Jacinta me zag, liep ze naar mij toe om mij te knuffelen. Hierop zei ze: “Zie je, wij mogen nooit bevreesd zijn van iets! De Dame zal ons altijd helpen! Zij ziet ons zo graag.”
Vanaf het ogenblik dat Onze-Lieve-Vrouw ons bijbracht om onze opofferingen aan Jezus op te dragen, vonden we altijd wel een soort boete uit of spraken we af om een opoffering te doen en vroeg Jacinta: “Hebt u Jezus reeds verteld, dat wij dit doen voor Zijn liefde?”
Toen ik zei van neen, antwoordde ze: “Vertel het Hem dan!” en met haar handen gevouwd richtte ze haar ogen naar de hemel en zei ze: “O Jezus, dit is voor Uw Liefde en voor de bekering van de zondaars.”

Jacinta’s liefde voor de Heilige Vader

Twee priesters, die ons ondervroegen, gaven ons de raad om te bidden voor de Heilige Vader. Jacinta vroeg wie de Heilige Vader was. De brave priesters legden uit wie Hij was en hoezeer Hij onze gebeden nodig had. Dit bracht Jacinta zo’n liefde bij voor de Heilige Vader dat, elke keer wanneer ze boete deed voor Jezus, er aan toevoegde: “en ook voor de Heilige Vader”. Op het einde van de Rozenkrans zei ze altijd drie Weesgegroetjes voor de Heilige Vader en soms gaf ze de opmerking: “Hoe graag zou ik de Heilige Vader zien! Zo vele mensen komen naar hier, maar nooit de Heilige Vader!” In haar kinderlijke eenvoud, veronderstelde zij, dat onze Heilige Vader, net zo goed als de anderen, deze reis kon maken.
Op een dag werden mijn vader en mijn oom opgeroepen om, samen met ons drieën, voor de rechter te verschijnen. “Ik neem mijn kinderen niet mee”, zei mijn oom, “en ik zal nooit toelaten dat zij voor de rechtbank moeten verschijnen, want ze zijn veel te jong om verantwoordelijk te zijn voor hun daden, en daarbij is de reis naar Vila Nova de Ourem veel te ver te voet. Ik ga alleen om te zien wat ze willen.” Mijn vader dacht hier enigszins anders over: “Wat onze Lucia betreft, ik neem haar mee. Laat haar maar antwoorden, ik begrijp er toch niets van.” Uiteraard was deze aangelegenheid goed om ons allen bang te maken.
De volgende dag, toen we voorbij het huis van mijn oom kwamen, moesten wij een een aantal minuten wachten op hem. Ik rende ondertussen naar Jacinta, die nog in bed was. In twijfel of we elkaar ooit nog zouden zien, omarmden we elkaar, en in tranen snikte het kind: “Als ze u doden, zeg dan, dat Francesco en ik u volgen, en dat ze ons dan ook maar moeten doden. Ik ga nu onmiddellijk naar de bron met Francesco om hard voor u te bidden.”
Toen ik ’s avonds terugkeerde, liep ik naar de bron en beiden bevonden zich op hun knieën, leunend over de kant van de bron, bitter wenend met het hoofd in de handen. Van het moment, dat ze mij zagen, riepen ze verbaasd uit: “Bent u dan toch gekomen? Uw zus is hier zojuist geweest om water te nemen en zij heeft ons verteld dat jullie zijn gedood! Wij baden en weenden zo hard om u.”

In de gevangenis van Ourem

Enige tijd later moesten we naar de gevangenis. Jacinta leed het ergste onder het zich verlaten voelen door haar ouders. Haar tranen stroomden langs haar wangen en ze zei: “Noch mijn, noch uw ouders hebben ons reeds bezocht. Zij geven niet meer om ons.”
“Ween niet!”, zei Francesco, “we kunnen dit opofferen aan Jezus voor de zondaars.” Hierop richtte hij zijn ogen naar de hemel en droeg hij dit offer op: “O Jezus, dit is voor Uw Liefde en voor de bekering van de zondaars.”
Jacinta voegde hier aan toe: “En ook voor de Heilige Vader en tot herstel van de zonden tegen het Onbevlekte Hart van Maria.”
Na een tijd gescheiden te zijn geweest, bevonden we ons opnieuw tezamen in een van de andere kamers van de gevangenis. Toen ze ons kwamen vertellen, dat ze ons spoedig zouden komen halen om ons levend te braden, ging Jacinta bij het raam staan om naar de veemarkt te kijken. Ik dacht, dat ze eerst haar gedachten hiermee wou afleiden, maar spoedig zag ik, dat ze weende. Ik ging bij haar en nam haar in mijn armen en vroeg haar waarom ze weende.
“Omdat we gaan sterven,” antwoordde ze, “zonder eerst nog onze ouders te zien, zelfs niet onze moeders”. Zij weende bittere tranen en haar ogen en wangen zagen rood: “Ik zou tenminste graag mijn moeder nog een keer zien.”
“Wil je dan dit offer niet opdragen voor de bekering van de zondaars?”
“Ja, dat wil ik wel” en met haar ogen vol met tranen richtte ze met gevouwen handen haar gelaat naar de hemel en droeg zij dit offer op: “O Lieve Jezus, dit is uit liefde voor U, voor de bekering van de zondaars, voor de Heilige Vader en tot herstel van de zonden tegen het Onbevlekte Hart van Maria.”
De gevangenen, die dit zagen, probeerden oms ons te troosten: “Maar alles wat u hoeft te doen is het geheim te vertellen. Wat maakt het uit wat de Dame wel of niet wil.”
“Nooit!” antwoordde Jacinta vitaal terug, “dan sterf ik liever.”

De Rozenkrans in de gevangenis

Hierop besloten wij om de Rozenkrans te bidden. Jacinta nam de medaille van rond haar nek en vroeg aan een medegevangene om deze op te hangen aan een nagel aan de muur. Knielend voor deze medaille, begonnen wij te bidden. De gevangenen baden met ons, voor zover ze konden bidden natuurlijk, maar ze zaten dan toch tenminste geknield voor de medaille. Toen de Rozenkrans was beëindigd, ging Jacinta bij het raam staan en begon opnieuw te wenen.
“Jacinta,” vroeg ik, “wenst u dit dan niet op te offeren aan Onze Heer?”
“Jawel, maar ik kan mijn moeder niet uit mijn hoofd zetten en ik kan het niet helpen, dat ik moet wenen.”
Zoals de Heilige Maagd ons had gevraagd om onze gebeden en opofferingen te schenken voor het herstel van de zonden begaan tegen het Onbevlekte Hart van Maria, gooiden wij het op een akkoord, dat ieder van ons een intentie zou kiezen: voor de zondaars, voor Onze Heer, of het herstel van de zonden begaan tegen het Onbevlekte Hart van Maria.
Toen ik aan Jacinta vroeg welke keuze zij had gemaakt, antwoordde zij: “voor alle drie, want ik hou van hen allen.”

Dansen in de gevangenis

Tussen de gevangenen was er iemand, die de harmonica kon bespelen. Om onze aandacht wat af te leiden, begon hij te spelen en iedereen begon te zingen. Zij vroegen ons of we konden dansen. We antwoordden dat we de “fandango’ en de ‘vira’ kenden. De danspartner van Jacinta was een arme dief die haar, tenger als ze was, opnam in zijn armen en zo begon te dansen met haar. Wij kunnen enkel maar hopen dat Onze-Lieve-Vrouw zich genadig toonde over zijn ziel en hem bekeerde.
Ik hoor jullie nu al zeggen: “Dat is nu eens martelaarschap!” Inderdaad, we waren maar kinderen en wij dachten niet verder en eerlijk gezegd, Jacinta hield veel van dansen, ze had er zelfs een speciale aanleg voor. Ik herinner mij nog hoe ze op een dag weende, toen ze hoorde dat haar broer was gedood tijdens de oorlog en om haar wat af te leiden, had ik met twee van haar andere broers afgesproken om met haar wat te dansen. En toen danste het arme, lieve kind, terwijl de tranen, die van haar wangen liepen, langzaam begonnen te drogen. Haar voorliefde voor het dansen was zelfs zo groot, dat het geluid van een herder, die een instrument bespeelde, voldoende was om haar helemaal alleen aan het dansen te zetten.
Desondanks, toen de festivals van de Sint-Johannesfeesten eraan kwamen zei ze: “Ik ga niet meer dansen!”
“Waarom niet?”
“Ik wil deze opoffering doen voor de Heer.”

Gebeden en opofferingen te Cabeco

Jacinta’s moeder vertrouwde nu de verzorging van de kudde toe aan haar andere zoon. Deze beslissing was nogal pijnlijk voor Jacinta en dit om twee redenen: ten eerste diende ze alles te vertellen aan iedereen, die naar haar kwam vragen en ten tweede kon ze niet langer de hele dag bij mij blijven. Om aan de ongewenste bezoekers te ontsnappen, gingen ze zich verbergen in een holte van een rots op de heuvel van ons dorp. Boven op de heuvel stond er een windmolen. Het was een ideale plaats om te schuilen voor de regen en de brandende zon, want de holte in de rots bevondt zich aan de oosterkant van de heuvel. Ook waren er vele eiken en olijfbomen waaronder ze konden schuilen. Hoe groot was het aantal gebeden en opofferingen van Jacinta op die plaats voor de Heer!
Over de ganse heuvel groeiden er een enorm aantal verschillende soorten bloemen, waaronder vele irissen. Het verschafte haar een groot genot om er de blaadjes van te plukken en ze over mij uit te strooien, en als er geen irissen waren nam ze de blaadjes van andere bloemen.
Mijn moeder zorgde ervoor, dat ze goed wist op welk stuk weiland ik mij bevond met de schapen en als het dichtbij was, vertelde ik dit aan Jacinta en Francisco en in geen tijd waren ze dan bij mij. Jacinta was elke dag aan het lopen om mij niet uit het zicht te verliezen. Dan zat ze uitgeput op mij te roepen, tot ik haar antwoordde en naar haar toeliep.

Vervelende vragen

Mijn moeder werd het beu, omdat mijn zus haar tijd moest verspelen om mij telkens te komen vervangen bij het oppassen, dat ze besloot om de kudde schapen te verkopen. Ze praatte hierover met mij tante en ze kwamen overeen om ons naar school te sturen. Onder de speeltijd hield Jacinta er van om een bezoek te brengen aan het Heilig Sacrament.
“Het is alsof ze het kunnen raden,” klaagde zij, “wij zijn nog maar pas in de kerk of er komt een pak volk af om ons vragen te stellen! Ik wil graag een lange tijd alleen zijn met de Verborgen Jezus, om met Hem te praten, maar ik krijg hiertoe geen kans.” In een uiterste eenvoud vertelden ze ons allemaal over hun noden en zorgen. Jacinta had een groot medelijden en vooral wanneer het over zondaars ging, zei ze: “Wij moeten boete doen en bidden tot Onze Heer, opdat hij zich zou bekeren en niet naar de hel gaan, deze arme man!”
In verband hiermee is het goed om naar het volgende incident te verwijzen, dat aantoont hoe Jacinta alles in het werk stelde om aan de stroom bezoekers te ontsnappen.
Op een dag waren we onderweg naar Fatima en toen wij de hoofdstraat naderden, merkten we een groep heren en dames op, die uit hun wagen stapten. Zonder de minste twijfel wisten wij, dat zij voor ons kwamen en ons verstoppen was onmogelijk, omdat ze ons hadden gezien. We vervolgden onze weg, in de hoop, dat ze ons niet zouden herkennen. De dames vroegen aan ons of we de kleine herdertjes kenden aan wie Onze-Lieve-Vrouw was verschenen. We knikten met onze hoofden. “Weet u waar ze wonen?” en we toonden hen de weg om ons daarna te verstoppen tussen de bramen. Jacinta was zo opgetogen over deze kleine list, dat ze zei: “We zouden dit altijd moeten doen als zij ons niet herkennen.”

De heilige Vader Cruz

Op een dag kwam Vader Cruz uit Lissabon om ons te ondervragen. Toen hij hiermee klaar was, vroeg hij ons om hem de plaats te tonen waar Onze Lieve Vrouw aan ons was verschenen. Op onze weg wandelden we langs beide zijden van de Vader, die op zo’n kleine ezel zat, dat zijn voeten bijna de grond raakten. Onderweg leerde hij ons schietgebedjes. Twee ervan vergat Jacinta nooit meer en ze had deze ook enigszins aangepast. Ze deed niet anders dan ze herhalen: “O mijn Jezus, Ik hou van U! Lief hart van Maria, wees mijn redding.”
Tijdens haar ziekte vertelde ze mij op een dag: “Ik zou zo graag aan Jezus willen vertellen, dat ik Hem liefheb. Vele keren wanneer ik Hem dit zeg, voel ik een vuur in mijn hart, maar het verbrandt mij niet.” Een andere keer zei ze: “Ik hou zoveel van Onze Heer en Onze Lieve Vrouw, dat ik nooit moe word hen te zeggen en te blijven zeggen, dat ik van Hen hou.”

Genaden door Jacinta

Er was een buurvrouw die ons, elke keer als ze ons zag, beledigde. Op een dag ontmoetten we haar toen ze dronken uit het café kwam. Gewone beschuldigingen voldeden deze keer niet en ze ging steeds verder. Toen ze eindelijk ophield, zei Jacinta tegen mij: “Wij moet haar zaak bij Maria bepleiten en boete doen voor de bekering van deze vrouw. Zij zegt zoveel zondige dingen dat, wanneer ze niet te biechten gaat, naar de hel zal gaan.” Een aantal dagen later gingen voorbij de huisdeur van deze vrouw toen Jacinta plots stopte, zich omdraaide en zei: “Is het morgen, dat we Onze Lieve Vrouw gaan zien?”
“Ja.”
“Laat ons dan niet meer spelen. We kunnen dit offer brengen voor de bekering van de zondaars.” Zonder dat ze er zich van bewust was dat er iemand naar haar keek, richtte ze haar handen en ogen naar de hemel en deed haar opoffering. De vrouw had door een luik echter alles gevolgd. Later zei ze tegen mijn moeder, dat Jacinta op haar zo’n diepe indruk had nagelaten, dat ze geen ander bewijs meer nodig had om in de verschijningen te geloven. Voortaan beledigde ze ons niet meer, maar vroeg ze ons om tot Maria te bidden voor haar, tot vergeving van haar zonden.

Op een dag ontmoetten we een arme vrouw met een heel erge ziekte. Wenend knielde ze voor Jacinta neer en smeekte haar om aan Onze Lieve Vrouw te vragen om haar te genezen. Jacinta was enigszins verward om een vrouw te zien knielen voor haar en trachtte de vrouw met bevende handen op te lichten. Toen dit niet lukte, ging ze eveneens geknield naast de vrouw zitten en baden ze samen drie Weesgegroetjes. Hierop vroeg Jacinta haar om op te staan en ze verzekerde haar, dat Onze Lieve Vrouw haar zou genezen. Hierop bad ze dagelijks voor deze vrouw tot Maria tot ze op een dag Maria bedankte voor haar genezing.

Op een andere keer was er een soldaat, die weende als een kind. Hij had het bevel gekregen om naar het front te vertrekken, ondanks het feit, dat zijn vrouw zwaar ziek in bed lag en hij drie kleine kinderen had. Hij smeekte om genezing van zijn vrouw of zoniet om de intrekking van het bevel om naar het front te vertrekken. Jacinta nodigde hem uit om samen de Rozenkrans te bidden en zei hierop tot hem: “Ween niet. Onze Lieve Vrouw is zo goed! Zij zal u zeker de genade verlenen, die u vraagt.” Van toen af, vergat ze nooit meer haar soldaat en op het einde van de Rozenkrans zei ze steeds een Weesgegroetje voor hem.

Enkele maanden kwam hij Jacinta en Onze Lieve Vrouw bedanken voor de twee genaden, die hij had ontvangen. Toen hij zich wou aanmelden, had hij plots hevige koorts gekregen en werd hij van zijn plicht ontslagen en wat zijn vrouw betreft, zei hij, dat ze op een miraculeuze wijze genezen was, dankzij Maria.

Meer en meer opofferingen

Op een dag werd er ons verteld, dat er een heel heilige priester zou langskomen, die in de harten van de mensen kon kijken om zo te weten kunnen komen of we al dan niet de waarheid spraken. Buiten zichzelf van vreugde, riep Jacinta het uit: “Wanneer zal deze Vader komen? Als ik het hem kan vertellen zal hij wel weten, dat we de waarheid spreken.”

Op een dag waren we aan het spelen aan de reeds eerder vermelde bron en dichtbij was er een wijnstok, die aan Jacinta’s moeder toebehoorde. Ze nam er een een aantal trossen af om ze aan ons te geven, maar Jacinta was iemand, die nooit de zondaars vergat en hierop zei ze: “Wij gaan dit niet opeten en deze opoffering doen voor de zondaars.” Ze liep met de druiven weg op zoek naar andere kinderen en heel tevreden kwam ze terug, want ze had juist de arme kinderen op straat gezien om hen de druiven te geven.

Op een andere keer riep onze tante ons om wat vijgen te komen eten, en deze zagen er inderdaad heel lekker uit. Vrolijk nam Jacinta plaats naast het mandje en nam de eerste vijg. Ze bracht de vijg naar de mond, toen ze zich plots herinnerde: “Vandaag hebben we nog geen enkele opoffering gedaan voor de zondaars! We zullen deze opoffering doen.” en ze legde de vijg terug in de mand en ook wij legden we ze terug voor de bekering van de zondaars. En zo hield Jacinta niet op met haar kleine opofferingen, maar ik ga het hierbij laten, want anders raak ik nooit uitverteld.

Jacinta’s ziekte

Tot hiertoe heb ik verteld hoe Jacinta haar dagen doorbracht, tot de Heer de griep over haar en haar broer Francisco zond, en ze zo vastgekluisterd werden aan hun bed. De avond voor ze ziek werd, zei ze: “Ik heb een vreselijke hoofdpijn en ik heb zo’n dorst, maar ik drink niet, omdat ik wens te lijden voor de zondaars.” Buiten de school en enkele kleine werkjes, die ik moest doen, bracht ik elk vrij moment door met hen. Op een dag, toen ik me klaarmaakte voor school, zei Jacinta tegen mij: “Luister! Vertel de verborgen Jezus, dat ik Hem heel graag zie, dat ik Hem werkelijk zo liefheb.” Een andere keer zei ze: “Vertel Jezus, dat ik Hem mijn liefde zend en dat ik ook naar Hem verlang.” Elke keer wanneer ik eerst haar kamer bezocht, zei ze: “Ga Francisco maar eerst bezoeken. Ik blijf alleen als opoffering.” Bij een andere gelegenheid bracht haar moeder haar een glas melk. “Ik wil het niet, moeder”, antwoordde ze, en ze duwde de tas met haar kleine hand weg. Mijn tante drong wat aan, en verliet dan de kamer en zei: “Ik weet niet wat ik moet doen om haar iets te doen binnenkrijgen. Zij heeft geen eetlust.”
Zodra wij alleen waren, vroeg ik haar: “Hoe kunt u uw moeder zo ongehoorzaam zijn?” Toen ze dit hoorde, begon ze te wenen en ik had het geluk haar tranen te mogen drogen. Ze riep haar moeder terug en vroeg om vergiffenis en zei, dat ze voortaan alles zou eten. Haar moeder bracht het glas melk terug en deze keer dronk Jacinta het uit, zogezegd zonder tegenzin. Later zei ze: “Indien u zou beseffen hoe moeilijk het is om dit naar binnen te krijgen.” Op een andere keer: “Het wordt steeds moeilijker om melk en soep te drinken, maar ik zeg niets. Ik drink het, uit liefde voor God en het Onbevlekte Hart van Maria en onze Lieve Hemelse Moeder.”
Opnieuw vroeg ik: “Voelt u zich reeds beter?”
“U weet dat ik niet beter word,” gaf ze als antwoord, “Ik heb zo’n pijn in mijn borst! Maar ik zeg niets. Ik lijd voor de bekering van de zondaars.” Op een dag toen ik aankwam, vroeg ze: “Hebt u vandaag veel opofferingen gedaan? Ik wel. Mijn moeder ging weg en ik wou Francisco dikwijls gaan bezoeken, maar ik ben niet geweest.”

Bezoek van de Heilige Maagd

Het ging even beter met Jacinta. Ze kon zelfs uit haar bed en zo bracht ze enige tijd door op haar broer Francisco’s bedje. Op een dag vroeg ze om onmiddellijk bij haar te komen. “Onze Lieve Vrouw is ons komen bezoeken”, zei Jacinta, “Ze zei, dat ze Francisco heel spoedig naar de Hemel zou nemen en ze vroeg me of ik nog steeds boete wou doen voor de bekering van de zondaars. Ik zei van ja. Ze vertelde me, dat ik naar het hospitaal zou moeten gaan waar ik veel zal lijden en dat ik dit lijden moet opdragen voor de bekering van de zondaars en tot herstel van de zonden begaan tegen het Onbevlekte Hart van Maria en uit liefde voor Jezus. Ik vroeg of u met mij zou meegaan. Ze antwoordde van niet en dat vond ik het moeilijkste. Ze antwoordde, dat mijn moeder mij zou meenemen en dat ik dan alleen zou moeten achterblijven.”
Hierop dacht ze even diep na, en voegde er dan aan toe: “Kon u maar bij mij zijn! Het moeilijkste is om zonder u te moeten gaan. Misschien is het hospitaal een groot, donker huis, waar men niet kan zien en zal ik daar alleen moeten lijden. Maar dat geeft niet. Ik draag mijn lijden op voor Gods liefde en tot herstel van het Onbevlekte Hart van Maria.”
Toen voor haar broertje het ogenblik was aangebroken om naar de Hemel te gaan, vertrouwde ze hem de volgende boodschappen door: “Geef al mijn liefde aan de Heer en aan Onze Lieve Vrouw en vertel Hen, dat ik zoveel zal lijden als Ze wensen, voor de bekering van de zondaars en tot herstel van het Onbevlekte Hart van Maria.” Jacinta heeft veel geleden toen Francisco stierf. Ze bleef een lange tijd in gedachten verzonken en aan iedereen die haar vroeg waaraan ze dacht, antwoordde ze: “Aan Francisco. Ik zou alles doen om hem opnieuw te zien!” en de tranen stroomden overvloedig uit haar ogen.
Op een dag zei ik, wenend tot haar: “Het zal niet zo lang meer duren eer je naar de hemel zult gaan. Maar wat zal er met mij gebeuren?”
“Arm kind! Ween niet zo! Ik zal heel wat bidden voor u als ik in de Hemel ben. Het is de wens van Onze Lieve Vrouw dat u blijft. Als Zij dit aan mij zou vragen, zou ik graag blijven en nog meer lijden voor de bekering van de zondaars.”

In het hospitaal van Ourem

Toen kwam de dag dat Jacinta naar het hospitaal moest en het kind leed daar inderdaad enorm veel. Toen haar moeder haar ging bezoeken, vroeg zij of ze iets wilde hebben. Ze vertelde haar, dat ze mij wilde zien. Dit was niet zo’n gemakkelijke opdracht voor mijn tante, maar ze nam mij mee bij de eerstvolgende gelegenheid. Zodra Jacinta mij zag, omarmde zij mij vreugdevol en toen vroeg ze haar moeder of ze een tijdje met mij alleen kon zijn, terwijl zij boodschappen ging doen. Toen vroeg ik haar of ze veel leed. “Ja, ik lijd veel, maar ik draag dit op voor de zondaars en voor het herstel van het Onbevlekte Hart van Maria.” Toen sprak ze vol enthousiasme over de Heer en Onze Lieve Vrouw: “O, hoezeer hou ik ervan om uit liefde voor Hen te lijden, om Hen te behagen. Zij houden zo veel van hen, die lijden voor de bekering van de zondaars.”
De toegewezen bezoektijd ging snel voorbij en mijn tante kwam binnen om mij naar huis te nemen. Zij vroeg Jacinta of ze nog iets wilde en het lieve kind smeekte haar moeder opnieuw om mij de volgende keer terug mee te brengen. En zo nam mijn lieve tante, die haar kleine dochter zo graag gelukkig wilde maken, mij de volgende keer opnieuw mee. Opnieuw was Jacinta vervuld van vreugde, en zoals altijd, gelukkig om te lijden voor de liefde van Onze Goede God en het Onbevlekte Hart van Maria, voor de Zondaars en voor de Heilige Vader. Zij betekenden alles voor haar. Zij kon over niets anders praten.

Terug naar Aljustrel (door Zuster Lucia)

Jacinta mocht voor een poosje terug naar huis bij haar ouders. Zij had een diepe, open wonde in haar borst, die elke dag moest worden verzorgd, maar zij doorstond dit zonder klagen en zonder het minste teken van irritatie. Wat haar het meeste verdriet bezorgde waren de veelvuldige bezoeken en vragen van de mensen, die haar wilden zien, en die zij niet langer kon vermijden door zich te verstoppen.
“Ik offer dit ook op voor de bekering van de zondaars,” zei ze gelaten, “Ik zou alles doen om op de Cabeco gaan en daar een Rozenkrans te bidden op ons lievelingsplaatsje, maar ik ben hiertoe niet meer in staat. Als u naar de Covia di Iria gaat, bid dan voor mij. Denk eraan, dat ik daar nooit meer zal kunnen zijn.” De tranen stroomden van haar gelaat.
Op een dag deed mijn tante het volgende verzoek: “Vraag aan Jacinta waaraan ze denkt als ze met haar handen haar gelaat bedekt en zo lang bewegingloos blijft. Ik heb haar dat reeds gevraagd, maar zij geeft geen antwoord.” Zo stelde ik deze vraag aan Jacinta: “Ik denk aan Onze Heer”, zei ze, “aan Onze Lieve Vrouw, aan de zondaars, en aan (en ze vernoemt een deel van het geheim). Ik hou ervan om te denken.” Mijn tante vroeg mij wat ze had geantwoord. Ik glimlachte enkel.
Hierop vertelde mijn tante aan mijn moeder wat er was gebeurd. “Het leven van deze kinderen is een raadsel voor mij,” schreeuwde zij uit, “ik kan het niet begrijpen.” Mijn moeder voegde hier nog aan toe: “Ja, en als ze alleen zijn, ratelen ze er maar op los. Hoe hard men ook zijn best doet om een woord op te vangen, het lukt niet! Ik kan heel dat mysterie niet begrijpen.”

Opnieuw bezoeken van de Heilige Maagd

Opnieuw was de Heilige Maagd zo goed om Jacinta te bezoeken, om haar te vertellen over haar nieuwe kruisweg en opofferingen, die haar te wachten stonden. Ze gaf me dit nieuws en zei het volgende: “Maria vertelde me, dat ik naar een hospitaal zal gaan in Lissabon en dat ik u, noch mijn ouders nog zal terugzien en dat ik na een groot lijden alleen zal sterven. Maar Zij vertelde mij ook, dat ik geen vrees moest hebben, omdat Zij mij zelf zal komen halen.”
Zij knuffelde mij en weende: “Ik zal u nooit meer terugzien! U zal me niet meer komen bezoeken. Alstublief, bid voor mij, omdat ik alleen ga sterven.” Ik heb Jacinta vreselijk zien lijden tot de dag van haar vertrek naar Lissabon. Zij bleef snikken en zich aan mij vastklampen: “Ik zal u nooit meer zien, noch mijn moeder, noch mijn vader, noch broers. Ik zal nooit meer één van hen zien. Ik zal alleen sterven.”
“Denk er niet te veel over na,” gaf ik haar de raad op een dag.
“Laat mij erover denken,” antwoordde ze, “want hoe meer ik eraan denk, hoe meer ik lijd, en ik wil lijden uit liefde voor Onze Heer en voor de zondaars. Trouwens, ik geef er niet om! Onze Lieve Vrouw zal mij daar komen halen om mij naar de hemel te nemen.”
Op momenten kuste en omarmde ze een kruisbeeld en zei ze hardop: “O mijn Jezus! Ik hou van U en ik wil veel lijden uit liefde voor U.” Hoe dikwijls zei ze: “O Jezus, nu kan U vele zondaars bekeren, omdat dit werkelijk een grote opoffering is!” Soms vroeg ze mij: “Zal ik moeten sterven zonder de Verborgen Jezus te ontvangen? Wou Onze Lieve Vrouw Hem maar bij mij brengen, wanneer Zij mij komt halen.”
Op een dag vroeg ik haar: “Wat ga je in de Hemel doen?”
“Ik ga Jezus heel erg liefhebben, en het Onbevlekte Hart van Maria ook. Ik zal veel bidden voor u, voor de zondaars, de Heilige Vader, mijn ouders, broers en zussen en voor alle mensen, die mij hebben gevraagd om voor hen te bidden…”
Toen haar moeder er zo treurig uitzag, omdat haar kind zo ziek was, zei Jacinta steeds: “Wees niet bezorgd, moeder, ik ga naar de Hemel, en daar zal ik veel voor u bidden.” Of nog: “Ween niet. Alles gaat goed.” Als men haar vroeg of ze iets nodig had, antwoordde ze: “Neen, dank u,” en toen ze de kamer verlieten, zei ze: “Ik heb zo’n dorst, maar ik wil niet drinken. Dit is voor Jezus, omwille van de zondaars.”
Op een dag, toen mijn tante mij veel vragen stelde, riep Jacinta mij bij haar en zei ze: “Ik wil niemand vertellen dat ik lijd, ook mijn moeder niet. Ik wens haar niet treurig te maken.” Op een dag hield ze een beeld van Onze Lieve Vrouw stevig aan haar hart en zei ze: “O mijn liefste, Hemelse Moeder, moet ik helemaal alleen sterven?” Het arme kind had zo’n vrees bij de gedachte om alleen te moeten sterven.” Ik probeerde haar te troosten: “Wat doet het er toe, dat u alleen moet sterven als Onze Lieve Vrouw u zal komen halen?”
“Ja, dat is waar, het geeft inderdaad niet. Ik weet niet waarom, maar soms vergeet ik, dat Onze Lieve Vrouw mij zal komen halen en denk ik er alleen aan, dat ik zal moeten sterven zonder dat u naast mij bent.”

Naar Lissabon

Toen kwam de dag er aan dat ze naar Lissabon moest gaan. Het waren hartverscheurende taferelen. Ze klampte zich lange tijd aan mij vast met haar handen rond mijn nek en snikte: “We zullen elkaar nooit meer zien. Bid veel voor mij, tot ik naar de hemel ga. Dan zal ik veel voor u bidden. Vertel nooit het geheim aan iemand, zelfs als ze je doden. Heb Jezus en het Onbevlekte Hart van Maria heel erg lief en maak opofferingen voor de zondaars.”
Vanuit Lissabon liet zij mij weten, dat Onze Lieve Vrouw haar daar heeft bezocht. Zij heeft haar de dag en het uur van haar dood gezegd. Tenslotte herinnerde Jacinta me eraan om goed te zijn.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x