Fatima in Lucia’s eigen woorden: Francisco Marto

Fatima in Lucia’s eigen woorden:

Francisco Marto

Francisco’s karakter, zijn spiritualiteit

Ik ga nu beginnen, Zijne Excellentie, met neer te schrijven wat Gods wil voor mijn geest brengt over Francisco. Ik hoop, dat de Heer hem in de Hemel laat weten, wat ik hier op aarde over hem neerschrijf, zodat hij voor mij bij Jezus en Maria kan bemiddelen, vooral tijdens deze komende dagen. De genegenheid, die mij met Francisco verbond, was er een van verwantschap en een die haar oorsprong vond in de genaden, die de Hemel ontwierp om ons te verlenen. Onafhankelijk van zijn karaktertrekken en zijn deugdzaamheid, leek Francisco allesbehalve Jacinta’s broer te zijn. In tegenstelling tot haar, was hij niet wispelturig, noch opgewekt. Integendeel, hij was rustig en onderdaning van aard.

Als hij won bij het spelen en als er iemand hem dit recht als winnaar betwistte, gaf hij zonder meer toe en zei alleen maar: “U denkt dat u hebt gewonnen? Laat het dan zo wezen. Mij kan dit allemaal niet schelen!”

Hij had geen voorkeur voor het dansen, zoals Jacinta, en speelde liever op de fluit, terwijl de anderen dansten. Tijdens het spel was hij tamelijk levendig, maar weinigen onder ons hielden ervan om met hem te spelen, daar hij meestal verloor. Ik moet toegeven, dat ikzelf me niet altijd even vriendelijk tegenover hem gedroeg, daar zijn natuurlijke kalmte mijn eigen buitensporige levendigheid irriteerde. Soms nam ik hem bij de arm en liet ik hem op de grond of op een steen zitten en gebood hem om stil te zijn: hij gehoorzaamde alsof ik gezag over hem had. Nadien had ik hier spijt over en nam hem bij de hand. Dan ging hij opgewekt mee alsof er niets was gebeurd. Als een van de andere kinderen erop aandrong om hem iets af te nemen, zei hij: “Laat hij het maar hebben, wat kan mij dat schelen!”

Ik herinner mij hoe hij op een dag bij ons thuiskwam en verheugd was om mij een zakdoek te tonen met de beeltenis op van Onze Lieve Vrouw erop. Iemand had het aan zee voor hem gekocht. Alle kinderen verzamelden zich rondom hem en hielden ervan. De zakdoek ging van hand tot hand en na een paar minuten was deze verdwenen. We zochten ernaar, maar de zakdoek was nergens te vinden. Een beetje later vond ik het terug ik de zak van een andere kleine jongen. Ik wou hem dit afnemen, maar hij drong erop aan, dat het van hemzelf was en dat iemand anders hem er ook een had meegebracht van de zee. Om een einde aan het geschil te maken stond Francisco op en zei: “Laat het hem maar hebben! Wat kan mij een zakdoek schelen!” Indien hij niet zo vroeg zou overleden zijn, denk ik dat zijn grootste onvolkomenheid zijn houding van “het geeft allemaal niet” zou zijn geweest.

Toen ik zeven jaar oud was en onze schapen begon te leiden naar de weiden, gedroeg hij zich nogal anders. ’s Avonds stond hij mij, samen met zijn kleine zus, op te wachten in de tuin van mijn ouders, maar dit was niet uit genegenheid voor mij, maar eerder om haar tevreden te stellen. Zodra Jacinta de schaapsbellen hoorde, rende zij naar mij toe, terwijl Francisco op mij wachtte, zittend op de stenen trappen van de voordeur. Nadien kwam hij met ons spelen op de oude dorsvloer, terwijl we wachtten op het aansteken van de lichten door Onze Lieve Vrouw en de Engelen. Hij telde vurig de sterren met ons mee, maar niets kom hem meer boeien als de schoonheid van de zonsopgang en de zonsondergang. Hij sloeg geen acht op de eerste lamp, die zou oplichten aan de hemel, tot het laatste zonlicht was verdwenen. “Geen licht is zo mooi als dat van de Heer,” zei hij steeds tot Jacinta, die veeleer een voorkeur had voor het licht van Onze Lieve Vrouw, omdat dit, zoals ze zei: “geen pijn deed aan de ogen.”

In verrukking keek hij naar de zonnestralen, die weerkaatsten op de vensters van de huizen van de naburige dorpen, of de dauwdruppels aan de bomen of de gaspeldoornen van de serra deed glinsteren, en ze deden oplichten als vele sterren. In zijn ogen waren deze duizendmaal mooier dan de lampen van de engelen. Toen hij bleef aandringen bij zijn moeder om zorg te mogen dragen over de kudde en zo met mij kon meegaan, was dit eerder om Jacinta te behagen dan voor iets anders, omdat Jacinta veel liever het gezelschap had van haar broer Francisco dan van haar andere broer.

Op een dag had zijn reeds erg geïrriteerde moeder hem deze toelating geweigerd en hij antwoordde met zijn gebruikelijke kalmte: “Moeder, het hoeft niet zo zeer voor mij, het was eerder om Jacinta, die graag zou gaan, een plezier te doen.” Hij herhaalde dit bij nog een andere gelegenheid. Een van mijn gezellen kwam bij mij thuis met de uitnodiging om met haar mee te gaan, daar ze een uiterst geschikte weide had gevonden voor die dag. Daar het nogal mistig was, ging ik naar het huis van mijn tante om te vragen wie er die dag meeging, Francisco, Jacinta of haar andere broer John, maar ik gaf de voorkeur aan Francisco. Mijn tante had reeds beslist, dat John zou meegaan, omdat het nogal mistig en regenachtig was. Daarop ging Francisco naar zijn moeder toe en drong erop aan om zelf te gaan, maar hij ontving een kort en bondig: “Neen!” Hierop zei hij: “Voor mij is het allemaal hetzelfde, het is eerder Jacinta, die hier bedroefd over is.”

Francisco ziet de engel

Tijdens de verschijning van de Engel, wierpen wij ons allen ter aarde, meegesleept door dezelfde bovennatuurlijke kracht, die ons hiertoe bewoog. Maar hij leerde het gebed door het ons te horen herhalen. Hij vertelde ons, dat hij niets hoorde van wat de Engel had gezegd. Daarna, toen wij knielden om dat gebed te bidden, was hij de eerste, die knielde. Hij was de eerste om de druk van een dergelijke houding te voelen. Maar hij bleef geknield of zittend en steeds in gebed, tot wij klaar waren. Later zij hij: “Ik kan niet zo lang in de houding blijven, zoals u. Mijn rug doet te veel pijn, dat ik dat niet kan volhouden.”

Bij de tweede verschijning van de Engel, beneden bij de bron, wachtte Francisco een aantal ogenblikken nadat deze over was en vroeg dan: “U sprak tot de Engel. Wat zei Hij tegen u?” “Hebt u dat niet gehoord?” “Neen! Ik kon zien, dat Hij met u aan het praten was, maar ik weet niet wat Hij tegen u aan het zeggen was.” Terwijl het bovennatuurlijk karakter, waarmee de Engel ons verliet, nog niet volledig verdwenen was, zei ik tegen hem om het de volgende dag aan Jacinta of mij te vragen. “Jacinta, vertel mij wat de Engel zei.” “Ik zal het u morgen vertellen. Vandaag kan ik er niet over spreken.” De volgende dag, zodra hij bij ons kwam, vroeg hij aan mij: “Hebt u vannacht kunnen slapen? Ik moest blijven denken aan de Engel en wat hij kon gezegd hebben.” Ik vertelde hem alles wat de Engel had gezegd bij de eerste en de tweede verschijning.

Maar het leek of hij niet alle woorden had begrepen, want hij vroeg: “Wat is de Meest Verhevene? Wat is de betekenis van De Harten van Jezus en Maria luisteren steeds naar uw smeekbeden?” Toen Ik hem het antwoord gaf, bleef hij voor een tijdje in diepe gedachten verzonken en viel dan in met een andere vraag. Maar mijn geest was er nog niet klaar voor en zo vertelde ik hem om te wachten tot de volgende dag. Het lukte mij niet om te praten op dat ogenblik. Hij wachtte duidelijk tevreden, maar hij liet de volgende kans niet voorbijgaan om meer vragen te stellen. Hierop zei Jacinta tot hem: “Luister! We moeten niet te veel praten over deze dingen.” Toen we over de Engel spraken, kan ik niet onder woorden brengen wat wij voelden. “Ik weet niet lang hoe ik me zo reeds voel,” zei ik. Jacinta zei: “Ik kan niet langer zingen, praten, noch spelen. Ik heb hiertoe de volle kracht niet meer.” “Ook ik niet,” antwoordde Francisco, “maar het geeft niet, want de Engel is prachtiger dan alles wat er is. Laat ons aan Hem denken.”

Bij de derde verschijning, voelde ik nog intenser de aanwezigheid van het bovennatuurlijke. Francesco waagde het niet om gedurende de verschijning enige vraag te stellen. Later zei hij: “Ik hou ervan om de Engel te zien, maar het ergste is, dat wij achteraf niet in staat zijn om iets te kunnen doen. Ik kon zelfs niet lopen. Ik weet niet wat er gaande is met mij.” Ondanks dit alles was hij het, die na de derde verschijning van de Engel, opmerkte, dat het donker werd en vestigde hij er onze aandacht op, dat we onze kudde opnieuw naar huis moesten brengen.

Toen de eerste dagen voorbij waren en alles weer normaal werd, vroeg Francisco: “De Engel gaf u de Heilige Communie, maar wat gaf Hij aan Jacinta en mij?” “Het was ook de Heilige Communie,” antwoordde Jacinta met een onuitsprekelijke vreugde. “Heb u dan geen bloed van de Hostie zien vallen?” “Ik voelde dat God binnen in mij was, maar ik wist niet hoe!” Toen bleven hij en zijn zusje voor een lange tijd geknield op de grond, steeds het gebed van de Engel herhalend… Meest Heilige Drievuldigheid… Beetje bij beetje verdween de sfeer van het bovennatuurlijke en tegen de dertiende mei speelden we met bijna dezelfde vreugde en vrijheid van geest als ervoor.

Indrukken over de Eerste Verschijning

De Verschijning van Onze Lieve Vrouw dompelde ons nog meer onder in de sfeer van het bovennatuurlijke, maar deze keer op een meer zachtaardige manier. We bleven niet langer in vermoeidheid achter, maar in plaats daarvan vulde de Goddelijke Aanwezigheid, die ons anders lichamelijk uitputte, ons met vrede en een overvloedige vreugde en voelden wij ons niet in staat om er daarna over te praten wat er was gebeurd. Maar met betrekking tot het licht, dat tot ons sprak, toen Onze Lieve Vrouw Haar handen opende, en alles wat met dat licht verband hield, hadden we een soort innerlijke aandrang, die ons tot zwijgen bracht.

Nadien vertelden we aan Francisco alles wat Onze Lieve Vrouw had gezegd. Hij was overgelukkig en drukte nog meer zijn geluk uit toen hij hoorde van de belofte, dat hij naar de Hemel zou gaan. Met de handen gekruist op de borst, zei hij: “O, mijn Lieve Vrouw! Ik zal zoveel Rozenkransen bidden als U wilt.” En van toen af maakte hij er de gewoonte van om zich van ons te verwijderen. Hij zei, dat hij een eindje ging wandelen. Toen wij hem riepen en vroegen wat hij aan het doen was, stak hij zijn handen op en toonde hij mij zijn Rozenkrans. Als we hem vroegen om mee te komen spelen en de Rozenkrans nadien te bidden, antwoordde hij: “Ik zal ook dan bidden. Herinnert u zich dan niet dat Onze Lieve Vrouw zei, dat ik vele Rozenkransen moest bidden?” Bij een bepaalde gelegenheid zei hij tot mij: “Ik zag die verschijning van de Engel zo graag, maar ik zie nog liever Onze Lieve Vrouw. Waar ik nog het meeste van hield was om Onze Heer te zien in het licht van Onze Lieve Vrouw, dat onze harten binnendrong. Ik hou zoveel van God! Maar Hij is diep bedroefd over de vele zonden. We mogen nooit meer een zonde begaan.”

Ik heb reeds in het verslag over Jacinta gezegd, hoe hij het was, die mij vertelde, dat Jacinta onze overeenkomst had verbroken om niets te zeggen. Daar hij eveneens de mening was toegedaan, dat de zaak geheim moest worden gehouden, zei hij bedroefd: “Toen mijn moeder me vroeg of Jacinta de waarheid vertelde, moest ik wel ja zeggen om niet te moeten liegen.” Van tijd tot tijd zei hij: “Onze Lieve Vrouw heeft ons gezegd, dat we zullen moeten lijden, maar daar geef ik niet om. Ik zal alles lijden, wat Zij voor mij heeft weggelegd! Wat ik wil is naar de Hemel gaan!”

Op een dag, toen ik toonde hoe ongelukkig ik was over de vervolgingen, die binnen en buiten onze familie bezig waren, probeerde Francisco mij aan te moedigen met de volgende woorden: “Geef hier niet te veel om! Heeft Onze Lieve Vrouw niet gezegd, dat wij veel te lijden zullen krijgen, tot eerherstel van Onze Heer en Haar eigen Onbevlekte Hart en voor alle zonden waardoor Zij beledigd worden? Zij zijn bedroefd en als wij Hen kunnen troosten met ons lijden, dan moeten wij allen hier heel blij mee zijn.”

Toen we een aantal dagen na de eerste verschijning van Onze Lieve Vrouw aan de weide kwamen, klom hij naar de top van een steile rots en riep tot ons: “Kom mij niet achterna. Laat me hier bovenaan alleen.” “Al goed,” en ik ging met Jacinta op vlinders jagen. Zodra we er een hadden gevangen, maakten we een offer door hem te laten vliegen en we schonken nooit verder aandacht aan Francisco. Tegen de middag misten we hem en gingen hem roepen: “Francisco, komt u niet mee eten?” “Neen, eet u maar.” “En om de Rozenkrans te bidden?” “Dat wel, maar dan later. Roep mij later opnieuw.” Toen ik hem opnieuw ging roepen, zei hij: “Kom naar hier en bid samen met mij.” Wij klommen naar de top, waar wij drieën amper ruimte hadden om te knielen. Ik vroeg hem: “Maar waar bent u al die tijd geweest?” “Ik denk na over God, die bedroefd is vanwege de vele zonden! Kon ik Hem maar geluk schenken!” Op een dag begonnen we samen een lied te zingen over de serra:

Ah! tra la la la, Tra la la la!
In dit leven zingt iedereen.
En wie zingt er beter dan ik?
De herderin aan de Serra?
Er is het mooie tjirpen van de goudvink
Die mij wakker komt maken,
Zodra de zon opkomt.
De bramen komen tot leven met dit lied.
De kerkuil schreeuwt tijdens de nacht
En wil mij schrik aanjagen,
Het meisje zingt in het maanlicht
Terwijl vrolijk het kaf van het koren wordt gescheiden.
De nachtegaal op het weideland
Vult zijn hele dag met zingen.
De tortelduif zingt in het woud,
Zelf het boerenpaard zingt een lied!
De Serra is een tuin vol rotsen,
De hele dag lachend.
Dauwdruppels glinsteren en stralen,
En schitteren glanzend langs de heuvelkant.

We zongen het in een keer door en gingen het herhalen, toen Francisco ons onderbrak: “Laat ons niet langer zingen. Sinds ik de Engel en Onze Lieve Vrouw zag, heb ik niet meer zo’n verlangen om te zingen.”

Indrukken over de Tweede Verschijning

Bij de tweede verschijning, op 13 juni 1917, was Francisco diep onder de indruk van het licht waarover ik reeds melding heb gemaakt in het tweede verslag. Onze Lieve Vrouw sprak tot ons op het moment, dat Zij zei: “Mijn Onbevlekte Hart zal uw toevluchtsoord zijn en de weg, die u zal leiden tot God.” Op dat ogenblik scheen hij de betekenis van wat er gebeurde niet te begrijpen, misschien, omdat hij de bijhorende woorden niet kon horen. Om deze reden vroeg hij later: “Waarom had Onze Lieve Vrouw een Hart in Haar hand, waarbij zij over de wereld het licht verspreidde, dat God is? U was met Onze Lieve Vrouw in het licht, dat neerscheen op de aarde en Jacinta bevind zich met mij in het licht, dat opsteeg naar de hemel!” “Dat is omdat u en Jacinta spoedig naar de Hemel zullen gaan,” antwoordde ik, “terwijl ik, samen met het Onbevlekte Hart van Maria nog een tijd op deze aarde zal moeten verblijven.” “Hoeveel jaren zult u nog hier moeten blijven?” vroeg hij. “Ik weet het niet. Nogal veel.” “Was het Onze Lieve Vrouw, die dit zei?” “Ja, en ik zag dit in het licht dan Zij uitscheen naar onze harten.”

Jacinta bevestigde hetzelfde en zei: “Dat is het! Dat is precies hoe ik het ook waarnam!” Soms merkte hij op: “Deze mensen zijn zo gelukkig, omdat u hen hebt verteld, dat Onze Lieve Vrouwe wil dat de Rozenkrans wordt gebeden en omdat u gaat leren lezen! Hoe zouden ze zich voelen indien ze enkel maar wisten hoe Zij ons God toonde in Haar Onbevlekte Hart, in dat grote licht! Maar dit is een geheim waar niet mag over gesproken worden. Het is beter, dat niemand dit weet!”

Na deze verschijning, wanneer ze ons ook vroegen of Onze Lieve Vrouw nog iets anders had gezegd, begonnen we dit antwoord te geven: “Ja, dat deed Zij, maar het is een geheim.” Als ze ons vroegen waarom het een geheim was, trokken we onze schouders op, bogen we onze hoofden en bleven we stil. Maar na 13 juli zeiden we: “Onze Lieve Vrouw vertelde ons, dat we er met niemand mochten over spreken,” zo dus verwijzend naar het geheim, dat ons was verteld door Onze Lieve Vrouw.

Francisco moedigt Lucia aan

In de loop van deze maand, nam de toevloed van het volk aanzienlijk toe, maar eveneens de voortdurende ondervragingen en weerleggingen. Francisco leed hier tamelijk veel onder en beklaagde zich bij zijn zus: “Wat jammer. Als u alles maar verzwegen had, dat zou niemand het geweten hebben! Indien het geen leugen zou zijn, zouden we de mensen gewoon kunnen zeggen, dat we niets zagen en dan zou dit het einde betekenen. Maar dit kan niet!” Toen hij mij verstijfd en vertwijfeld zag staan, begon hij te wenen, en zei: “Maar hoe kunt u denken, dat het de duivel is? Hebt u Onze Lieve Vrouw en God niet gezien in dat grote licht? Hoe kunnen we naar ginds gaan zonder u, wanneer u het hele gesprek leidt?”

Die nacht, na het avondmaal, kwam hij terug naar ons huis, riep mij naar buiten naar de oude dorsvloer en zei; “Kijk! Gaat u morgen niet?” “Ik ga niet. Ik heb u reeds verteld, dat ik niet meer daarheen ga.” “Maar waarom denkt u dat nu zo plots?” “Ziet u dan niet, dat het de duivel niet kan zijn? God is reeds bedroefd genoeg over zo vele zonden en als u nu niet gaat… zal Hij nog meer bedroefd zijn! Kom en zeg, dat u gaat!” “Ik heb u reeds gezegd, dat ik niet ga. Het geeft geen zin om het te blijven vragen.” En ik ging abrupt het huis binnen. Een paar dagen later zei hij tot mij: “Weet u, dat ik die nacht helemaal niet geslapen heb. Ik was de hele tijd aan het wenen en het bidden, Onze Lieve Vrouw smekend, dat u zou gaan!”

Indrukken van de Derde Verschijning

Tijdens de derde verschijning leek het alsof het visioen van de hel op Francisco de minste indruk had gemaakt, alhoewel het wel degelijk een beduidende uitwerking had op hem. Wat het meeste indruk op hem maakte en wat hem helemaal in beslag nam, was God, de Meest Heilige Drievuldigheid, waargenomen in dat licht, dat in het binnenste van onze zielen binnendrong. Nadien zei hij: “Wij stonden midden de vlammen van het licht, dat God is en toch werden wij niet verbrand! Wat is God toch…? We zullen het nooit met woorden kunnen zeggen. Ja, dat is inderdaad werkelijk iets, dat we nooit zouden kunnen uitdrukken! Maar wat jammer, dat Hij zo bedroefd is! Als ik Hem enkel maar kon troosten!”

Op een dag werd er mij gevraagd of Onze Lieve Vrouw ons had verteld om voor de zondaars te bidden en ik antwoordde van niet. Toen de mensen, bij de eerste gelegenheid Jacinta ondervroegen, riep hij mij bij hem en zei: “U hebt zojuist gelogen! Hoe kunt u zeggen dan Onze Lieve Vrouw niet vroeg om te bidden voor de zondaars?” “Voor de zondaars, neen! Zij vroeg ons om te bidden voor de vrede, voor het beëindigen van de oorlog, maar voor de zondaars vroeg zij aan ons om verstervingen te doen.” “Oh ja, dat is waar. Ik begon te denken, dat u loog.”

Francisco in de gevangenis

Ik heb reeds beschreven hoe Francisco de dag biddend en wenend doorbracht, misschien nog meer ontsteld als ik, toen mijn vader een bevel ontving om mij te gaan presenteren bij de overheid in Vila Nova de Ourem. In de gevangenis was hij eerder bemoedigend en probeerde hij Jacinta op te beuren als zij zo verlangden naar huis. Terwijl we de Rozenkrans baden in de gevangenis, merkte hij op, dat een van de gevangenen geknield zat, met zijn hoofddeksel nog steeds op het hoofd. Francisco ging naar hem toe en zei: “Als u wenst te bidden, zou u dan uw hoofddeksel niet afnemen?” Onmiddellijk gaf de arme man het aan hem en Francisco legde het bovenop zijn hoofddeksel.

Tijdens Jacinta’s ondervraging, vertrouwde hij mij onbegrensd zijn vreugde en vrede toe: “Als ze ons gaan doden, zoals ze zeggen, zullen we spoedig in de hemel zijn! Hoe prachtig! Niets anders is van belang!” Dan voegde hij hier na een moment stilte aan toe: “God, verleen de genade, dat Jacinta niet bang zou zijn. Ik ga een Weesgegroet bidden voor haar!” Direct legde hij zijn hoofddeksel opzij en begon hij te bidden. De bewaker, die hem zag bidden, vroeg hem: “Wat zegt u allemaal?” “Ik bid een Weesgegroet, zodat Jacinta niet bevreesd zou zijn.” De bewaker maakte een minachtend gebaar en liet hem zijn gang gaan.

Op een dag, na onze terugkeer uit Vila Nova Ourem, begonnen we ons bewust te worden van de aanwezigheid van het bovennatuurlijke en de hemelse aanwezigheid rondom ons. Opeens toonde Francisco zijn bezorgdheid over Jacinta’s afwezigheid. “Wat jammer zou dit zijn,” zei hij, “als Jacinta daar niet op tijd zou geraken!” Hij smeekte zijn broer om haar vlug te gaan halen: “Vertel haar, dat ze naar hier moet rennen.” Nadat zijn broer ons had verlaten, zei Francisco: “Jacinta zal zeer bedroefd zijn als ze niet op tijd is.” Na de Verschijning wou zijn zus daar de hele namiddag blijven, en zo zei hij: “Neen! U moet naar huis gaan, omdat moeder u niet liet meegaan met de schapen.” Om haar aan te moedigen, ging hij met haar mee naar huis.

In de gevangenis merkten we op, dat het reeds voorbij de middag was en dat ze ons niet zouden laten gaan naar de Cova da Iria. Francisco zei: “Misschien komt Onze Lieve Vrouw naar hier om hier aan ons te verschijnen.” De volgende dag kon hij zijn verwarring niet verbergen en bijna in tranen zei hij: “Onze Lieve Vrouw moet heel bedroefd geweest zijn omdat we niet naar de Cova da Iria zijn gegaan. Ik zou haar zo graag willen zien!”

In de gevangenis weende Jacinta bitter. Zij verlangde naar haar thuis, naar haar moeder en familie. Francisco probeerde haar enigszins op te beuren en zei: “Ook al zouden we onze moeder nooit meer zien, kunnen we dit opdragen voor de bekering van de zondaars. Het ergste zou zijn als Onze Lieve Vrouw niet meer zou terugkeren! Dat is wat mij het diepste treft. Maar ook dit draag ik op voor de zondaars.” Nadien vroeg hij mij: “Vertel me! Zal Onze Lieve Vrouw niet meer komen en aan ons niet meer verschijnen?” “Ik weet het niet, maar ik denk, dat Zij nog zal komen.” “Ik mis haar zo erg!” De Verschijning van Valinhos was daarom een dubbele vreugde voor hem. Hij werd gekweld door de angst, dat Zij nooit meer zou terugkeren. Later vertelde hij mij: “Heel waarschijnlijk zal ze niet op een dertiende verschijnen, om zo te vermijden, dat we langs de bestuurder zijn huis moeten gaan, misschien omdat hij zo’n slechte man is.”

Indrukken van de Laatste Verschijning

Na 13 september, toen ik Francisco vertelde, dat Onze Heer in oktober eveneens aanwezig zou zijn, was hij overstelpt van vreugde: “O, hoe goed is Hij! Ik heb hem maar tweemaal gezien en ik hou zo veel van hem!” Van tijd tot tijd vroeg hij: “Zijn er nog vele dagen, vooraleer het de dertiende is? Ik verlang naar die dag, zodat ik opnieuw Onze Heer kan zien.” Dan dacht hij een ogenblik na: “Maar luister! Zou Hij nog steeds zo bedroefd zijn? Ik hou er niet van om Hem zo bedroefd te zien! Ik bied Hem al mijn verstervingen aan waar ik maar kan aan denken en voor die opofferingen mijd ik zelf al die mensen niet.”

Na 13 oktober zei hij tegen mij: “Ik hield ervan om Onze Heer te zien, maar ik hield er nog meer van om Hem in dat Licht te zien, waar we met Hem waren en waar ik voor altijd naar Hem kon zien.” Op een dag vroeg ik hem: “Waarom hield u uw hoofd naar omlaag toen u werd ondervraagd, en waarom gaf u geen antwoord?” “Maar ik wou u antwoorden, en ook Jacinta, maar ik hoorde niets en ik kan enkel zeggen wat ik zag. Stel u voor dat ik iets zou gezegd hebben dat u niet wou?” Om de haverklap ging hij weg zonder ons te waarschuwen. Als we hem misten, gingen we hem gaan zoeken en riepen we hem bij zijn naam. Hij antwoordde van achter een kleine muur, een struik of heesters en daar zat hij dan te bidden op zijn knieën: “Waarom hebt u ons niet gevraagd om samen met u te bidden.” “Omdat ik liever alleen bid.”

In mijn boek over Jacinta heb ik reeds verwezen naar wat er gebeurde op een stuk land, dat bekend staat als Varzea. Ik denk niet, dat het nodig is om dit hier te herhalen. Op een dag, op mijn terugweg naar huis, moesten we voorbijgaan langs het huis van mijn meter. Ze had juist een honingdrank gemaakt en riep ons binnen om een glas te drinken. We gingen binnen en Francisco was de eerste aan wie ze en vol glas gaf. Hij nam het aan en zonder het uit te drinken gaf hij het door aan Jacinta, zodat zij en ik eerst konden drinken. Ondertussen draaide hij zijn voeten en verdween.

“Waar is Francisco?” vroeg mijn meter. “Ik weet het niet, zojuist was hij hier nog.” Hij keerde niet terug en zo bedankten Jacinta en ik mijn meter voor het glas en gingen vervolgens op zoek naar Francisco. Zonder enige twijfel wisten wij, dat hij op de rand van de bron zou zitten, die ik zo dikwijls vernoemd heb. “Francisco, u hebt uw honingdrank niet gedronken! Mijn meter heeft u zo dikwijls geroepen en u kwam niet meer te voorschijn!” “Toen ik het glas nam, herinnerde ik mij plots, dat ik het kon opofferen als troost voor Onze Lieve Heer, en zo verkoos ik om mij uit de voeten te maken, terwijl jullie dronken.”

Anekdoten en mooie liederen

Tussen ons huis en dat van Francisco leefde mijn peter Anastacio, die gehuwd was met een oudere dame, die door God niet gezegend was met kinderen. Het waren boeren en ze zaten er warmpjes bij, dus hoefden ze niet te werken. Mijn vader was opzichter van hun boerderij en was baas over de knechten. Uit dankbaarheid toonden zij een bijzondere genegenheid tegenover mij, vooral zijn echtgenote, mijn tante Teresa. Als ik overdag niet werd binnengeroepen, ging ik er ‘s nachts gaslapen, omdat ze niet zonder haar kleine lieveling kon.

Bij feestelijke aangelegenheden, maakte zij mij op met een gouden halsketting en zware oorringen die tot beneden mijn schouders hingen, en ook een mooie, kleine hoed met grote verders (= veren?) uit diverse kleuren en vastgemaakt met een reeks gouden kralen. Bij deze “festas” was er niemand mooier uitgerust dan ik. Mijn zussen en mijn meters verheugden zich hier ten zeerste om. De oudere kinderen kwamen allen rondom mij staan om de glans van mijn opsmuk te bewonderen. Om de waarheid te zeggen genoot ik sterk van de “festas” en in feite was de pronkzucht mijn slechtste tooisel.

Iedereen was lief en respectvol tegen mij, buiten een arm weesmeisje, die mijn meter onder haar hoede genomen had. Ze leek schrik te hebben, dat ik een gedeelte van de erfenis, waar zij op hoopte, zou opeisen en ze had het inderdaad bij het rechte eind, was het niet dat de Heer voor mij een meer dierbare bestemming had voorbehouden. Zodra het nieuws van de verschijningen zich verspreidde, had mijn peter hier geen belangstelling voor en mijn meter was er helemaal tegen. Zij maakte geen geheim van haar afkeuring van dergelijke “uitvindingen,” zoals zij deze noemde. Daarom begon ik zoveel als mogelijk weg te blijven uit hun huis. Mijn wegblijven werd al spoedig opgevolgd door de groep kinderen, die daar steeds rond mij waren en die mijn meter graag hoorde zingen en zag dansen. Zij kregen gedroogde vijgen, noten, amandelen, kastanjes, fruit en zo verder.

Op een zondagnamiddag ging ik voorbij haar huis met Francisco en Jacinta, toen tante Teresa riep: “Kom binnen, mijn kleine schurken, kom! U bent hier sinds lang niet meer geweest!” Eenmaal binnen, was zij overdadig in haar gewone aandacht voor ons. De andere kinderen leken te raden, dat we daar waren en kwamen ook toegesneld. Mijn lieve meter, gelukkig ons opnieuw eens allen na zo’n lange tijd samen te zien in haar huis, overstelpte ons met lekkernijen en wou ons zien zingen en dansen. “Kom op,” zeiden we, “wat zal het zijn, dit of dat?” Mijn meter maakte zelf haar keuze, met een meerstemmig lied voor meisjes en jongens.

Vers 1

U bent de zon van de aarde,
Weiger uw stralen niet,
Dit zijn de stralen van de lente,
Ah, verander hen niet van uitzicht!
Proficiat aan de planten,
Welriekend als de vochtige dauw,
Lachend ziet u het strelen
Van een nieuwe ochtend tegemoet.
Dit jaar is rijk aan bloemen,
Aan fruit en ander goeds!
En mag het jaar dat komt
Rijk zijn aan hoop voor u!
De hoop is het mooiste geschenk,
Onze warmste wensen voor u!
Plaats ze op uw kruin,
De mooiste kroon van allen!
Zoals het verleden mooi was,
Zal ook de toekomst zijn!
Groeten aan het jaar dat gaat,
Maar ook aan het jaar dat komt.
In dit zoete banket van het leven,
Bekoorlijke Atlantische bloem,
De tuinman en tuinvrouw
Worden in mooie liederen geloofd!
Uw hart verlangt naar de bloemen
Die bloeien op uw inheemse bodem!
Voor uw huis en de zuiverste liefde,
Verstrengeld rond uw hart!

Vers 2

Denkt u dat het juist is, goede Heer,
Als de zeilen veranderen van aanblik,
En de Berlanga en de Carveiro
Hun lichtstralen uitblussen?
Maar de zee zweept in toorn
Een eeuwig draaiende mast!
Elke nacht is een huilend tumult
Dat leidt naar het waterige graf.
Nevelige zandbanken van Papoa,
Estelas en Farilhoes!
Wiens tragedie steeds opnieuw weerklinkt
In het geraas van de schuimende golven!
Elke ruwe klip in deze wateren
Is een wrede voorbode van de dood!
Elke golf zingt een akelige dodenzang
Elk kruis herinnert aan een wrak!
Hoe kunt u dan zo wreed zijn
En uw lichten doven die leven zijn?
Uitgang uit de duistere wateren
Leiden de boten veilig aan wal.

Vers 3

Ik laat niet langer enige tranen
Wanneer ik spreek over ons afscheid,
Mijn twijfel duurde maar een wijl,
Mijn verlies duurt het hele leven
Ga en vertel de hemel om
haar golvende stortvloed van genade
aan te houden.
Laat de bloemen verwelken en verdorren
Zij getuigen niet langer van uw zorg.
Ga, ik ben te wanhopig
Mijn toevlucht volledig in rouw.
Helemaal boven in de spits
Luiden de klokken de dood.
Het maakt me bedroefd en eenzaam
Op het grijze en akelige kerkhof,
Uitgehouwen in het zwart van uw grafsteen
Laat ik mijn eeuwig klaaglied.
Het was de tuinman die handelde.
Ik vertrouw op de Voorzienigheid
Die liefdevol zal behandelen!
Hopelijk wachtend op iedereen
Die het huiselijk nest verlaat.

Francisco, de kleine moraalridder

Een vrouw uit de buurt had het levendige zingen nog maar pas gehoord of ze kwam naar ons toe om ons te vragen alles opnieuw eens te zingen. Maar Francisco kwam tot mij en zei: “Laat ons dat lied niet meer zingen. Onze Heer wil heel zeker niet, dat we nu zo’n dingen zingen.” Daarom gleden we weg tussen de andere kinderen en liepen naar onze favoriete bron. Om eerlijk te zijn, nu dat ik juist onder gehoorzaamheid de tekst heb neergeschreven, dat ik mijn aangezicht met schaamte bedek. Maar Zijne Excellentie, op verzoek van Eerwaarde Dr. Galamba, leek het mij in orde om de tekst van deze geliefde volksliedjes neer te schrijven. Hier zijn ze dan! Ik weet niet waarom men ze wil, maar voor mij is het genoeg om te weten, dat ik aldus Gods wil vervul.

Ondertussen naderde de carnavalperiode in 1918. De jongens en de meisjes ontmoetten elkaar éénmaal dat jaar om de gebruikelijke maaltijden voor de festiviteiten voor te bereiden en uiteraard ook voor de pret tijdens die dagen. Iedereen bracht iets mee van thuis: olijfolie, flour, vlees, en zo verder en dan kookten de meisjes alles voor een weelderig banket. Deze drie dagen van feesten en dansen gingen door tot diep in de nacht, vooral de laatste dag van het carnaval. De kinderen onder de veertien vierden apart in een ander huis. Meerdere van de meisjes kwamen mij vragen om hen te helpen om hun festa te organiseren. Aanvankelijk weigerde ik, maar uiteindelijk gaf ik toe als een lafaard, vooral na het aanhoren van de smeekbeden van Jose Carreira’s zonen en dochters, want hij was het, die dit huis in Casa Velha voor ons ter beschikking stelde. Hij en zijn vrouw vroegen onafgebroken om er heen te gaan.

Ik zwichtte toen en ging met de jongens mee om de plaats te zien. Er was een mooie, grote kamer, bijna zo groot als een zaal, die heel goed geschikt was voor vertier, en er was een groot terrein voor het avondeten! Alles was in orde gebracht en ik ging klaarblijkelijk in een feestelijk gemoed naar huis, maar in mezelf ging mijn geweten hevig te keer. Zodra ik Jacinta en Francisco zag, vertelde ik hen wat er was gebeurd. “Gaat u terug naar die feestjes en die spelletjes?” vroeg Francisco mij streng. “Bent u vergeten, dat we hebben beloofd om nooit zoiets meer te doen?” “Ik wou helemaal niet gaan. Maar ze hielden niet op mij te smeken en nu weet ik niet meer wat ik moet doen!”

Er kwam inderdaad geen einde aan de smeekbeden, noch aan het aantal meisjes, dat kwam aandringen om met hen te spelen. Sommigen kwamen zelfs van afgelegen dorpen, Rosa kwam uit Moita en Ana Caetano en Ana Brogueira kwamen uit Fatima, de twee dochters van Manuel Caracol uit Beleiros, de twee dochters van Manuel de Ramiera en de twee van Joaquim Chapeleta kwamen allen uit Amoreira en de twee Silva meisjes uit Currais. Er waren ook nog Laura Gato, Josefa Valinho en vele anderen waar ik de naam van ben vergeten en die uit Boleiros en Lomba de Pederneira, Eira da Pedra, Casa Velha en Aljustrel kwamen. Hoe kon ik plots allemaal die meisjes laten vallen, die niet wisten hoe ze zichzelf moesten amuseren zonder mijn gezelschap, en hen doen inzien, dat ik met deze samenkomsten eens en voor altijd moet stoppen? God fluisterde Francisco het antwoord in: “Weet u wat u kunt doen? Iedereen weet, dat Onze Lieve Vrouw aan u is verschenen. U kunt hen dus, zeggen dat u Haar beloofd hebt om nooit meer te dansen en dat u om deze reden niet gaat!” Vanaf toen gingen ze zich op zulke dagen verstoppen in de grot op de Cabeco. “Daar kan ons toch niemand vinden!”

Ik aanvaardde dit voorstel, en toen ik eenmaal mijn besluit had gemaakt, dacht niemand anders er meer aan om dergelijke bijeenkomsten te organiseren.

Gods zegen was met ons

Mijn vrienden en vriendinnen, die mij tot dan opzochten om bij hen te zijn in hun vermaak, volgden nu mijn voorbeeld en kwamen elke zondagnamiddag bij mij thuis om mij te vragen om met hen de Rozenkrans te gaan bidden op de Cova da Iria.

Francisco bemint de eenzaamheid en het gebed

Francisco was een jongen van weinig woorden. Als hij bad of verstervingen deed, verkoos hij om alleen te zijn en zich te verbergen, zelfs voor mij en Jacinta. Heel dikwijls verrasten wij hem achter een muur of achter een bos struiken met zwarte bessen, waarheen hij vindingrijk wist te ontsnappen om te knielen en te bidden, of om aan de Heer te denken, die zo verdrietig was omwille van zo vele zonden, zoals hij zei.

Als ik hem vroeg: “Francisco, waarom vraagt u Jacinta en mij niet om samen met u te bidden?” antwoordde hij: “Ik bid liever alleen, zodat ik kan nadenken over de Heer, die zo bedroefd is, en Hem kan troosten!” Op een dag vroeg ik hem: “Francisco, waar houdt u het meeste van? Het troosten van Onze Heer over de bekering van de zondaars, zodat er geen zondaars meer naar de hel gaan?” “Ik zou liever onze Heer troosten. Hebt u niet opgemerkt hoe bedroefd Onze Lieve Vrouw was de laatste maand, toen Zij zei, dat de mensen God niet meer mogen beledigen, omdat Hij reeds genoeg is beledigd? Ik verkies eerst de Heer te troosten en daarna de zondaars te bekeren, zodat zij Hem niet meer zouden beledigen.”

Soms, op onze weg naar school, zodra we Fatima hadden bereikt, zei hij tot mij: “Luister, gaat u naar school en ik zal hier blijven, in de kerk, dicht bij de verborgen Jezus. Het is mij niet meer waard om nu nog te leren lezen, daar ik spoedig naar de Hemel zal gaan. Als u terug naar huis gaat, kom dan langs hier om mij te halen.” Het Heilig Sacrament stond destijds nabij de ingang van de kerk, aan de linkerkant, omdat er herstellingswerken bezig waren. Francisco ging er heen, tussen de doopvont en het altaar, en daar vond ik hem bij mijn terugkeer.

Later, toen hij ziek werd, toen ik hem ging bezoeken op mijn weg naar school, vertelde hij mij dikwijls; “Kijk! Ga naar de kerk en schenk mijn liefde aan de Verborgen Jezus. Wat mij het diepste treft, is dat ik er zelf niet kan heen gaan om een tijdje bij de verborgen Jezus te blijven.” Toen ik op een dag bij zijn huis kwam, nam ik afscheid van een groep schoolkinderen, die met mij meegekomen waren, en ging ik gauw een bezoek aan hem brengen en zijn zus. Toen hij al dat geruis hoorde, vroeg hij: “Bent u met al dat volk gekomen?” “Ja.” “Ga niet met hen mee, omdat u zou kunnen leren hoe u zonden moet begaan. Als u de school verlaat, blijf dan een tijdje bij de Verborgen Jezus en kom dan daarna alleen naar huis.”

Bij een gelegenheid vroeg ik hem: “Francisco, voelt u zich erg ziek?” “Ja, maar ik lijd om Onze Heer te troosten.” Toen Jacinta en ik op een dag in zijn kamer gingen, zei hij tot ons: “Praat niet te veel vandaag, want ik heb zo’n hoofdpijn.” Jacinta herinnerde hem: “Vergeet niet om uw opoffering voor de zondaars.” “Ja, maar eerst wens ik de Heer en Onze Lieve Vrouw te troosten, en daarna de zondaars en de Heilige Vader.”

Op een andere dag was hij heel gelukkig toen ik aankwam. “Voelt u zich beter?” “Nee, zelfs slechter. Het zal nu niet te lang meer duren eer ik naar de Hemel ga. Als ik eenmaal daar ben, zal ik Onze Heer en Onze Lieve Vrouw heel veel troosten. Jacinta zal heel veel bidden voor de zondaars, de Heilige Vader en voor u. U zult hier blijven, omdat Onze Lieve Vrouw het zo wil. Luister, u moest alles doen wat Zij van u verlangt.” Terwijl Jacinta enkel maar bezorgd leek te zijn over de bekering van de zondaars en de redding van de zielen van de hel, dacht Francisco eerder enkel aan het troosten van Onze Lieve Vrouw, die hem zo bedroefd leek.

Francisco ziet de duivel

Hoe verschillend is het voorval, dat mij nu voor de geest komt. Op een dag gingen we naar een plaats, die Pedreira werd genoemd, en terwijl de schapen aan het grazen waren, sprongen wij van rots tot rots en maakten we luide echo’s door de diepe ravijnen. Francisco trok zich naar gewoonte terug in een holte tussen de rotsen.

Een aanzienlijke tijd was intussen voorbijgegaan, toen we hem hoorden roepen en schreeuwen tot ons en Onze Lieve Vrouw. Verward dat er iets met hem was gebeurd, gingen we op zoek naar hem door zijn naam te roepen. “Waar bent u?” “Hier! Hier!” Maar het duurde nog enige tijd voor we hem vonden. Uiteindelijk kwamen wij op hem uit en zagen we hem, bevend van schrik, op zijn knieën en zodanig ontsteld, dat hij niet rechtop kon komen. “Wat scheelt er? Wat is er met u gebeurd?” Met een stem, bevend van schrik, antwoordde hij: “Het was een van deze grote beesten, die wij in de hel zagen. Het was hier recht voor mij en het ademde grote vlammen uit!” Jacinta en ik hadden niets gezien en zo zei ik lachend tot hem: “U wenst nooit na te denken over de hel, om niet bevreesd te zijn.” En inderdaad, als Jacinta voornamelijk scheen bewogen te zijn door haar herinneringen over het visioen van de hel, zei hij gebruikelijk: “Denk niet zoveel aan de hel! Denk in de plaats aan Onze Heer en Onze Lieve Vrouw! Ik denk niet aan de hel om niet bevreesd te worden.”

Hij was alles behalve bevreesd. Hij zou, helemaal alleen, eender waar gaan tijdens de nacht, zonder de minste twijfel. Hij speelde met hagedissen en als hij slangen tegenkwam, wond hij ze rond een stok en goot zelf schapenmelk in de rotsgaten, zodat ze konden drinken. Hij ging jagen op vossen en schuilplaatsen van konijnen, genetkatten en andere wilde dieren.

Francisco en zijn gevederde vrienden

Francisco was gek op vogels, ging heel teder met ze om en kon niet verdragen, dat iemand hun nest roofde. Hij hield altijd een deel van zijn ontbijt apart, maakte er kruimeltjes van en legde ze op de toppen van de rotsen, zodat de vogeltjes ze konden eten. Hij trok zich daarop een beetje terug en riep op hen in de veronderstelling, dat ze hem verstonden. Hij wilde, dat niemand naderbij kwam, omdat ze anders schrik zouden hebben. “Arme beestjes! Jullie hebben honger,” zei hij, alsof hij met hen aan het spreken was. “Kom, kom en eet!” en met hun scherpe ogen wachtten ze niet eens op de uitnodiging en kwamen rustig rond hem gevlogen. Het was mooi om hen, oorverdovend fluitend en sjirpend terug te zien vliegen naar de drie boomtoppen met hun klauwen vol kruimels en Francisco volgde hen in dit zingen met een ongekende deskundigheid.

Op een dag ontmoeten we een kleine jongen met in zijn hand een kleine vogel, die hij had gevangen. Vol medelijden beloofde Francisco hem twee muntstukken, als hij de vogels maar zou laten vliegen. De jongen ging goedschiks akkoord, maar wilde uiteraard eerst het geld in de handen. Francisco rende de hele weg naar huis vanaf de Carreirabrug, een beetje beneden de Cova da Iria, om de munstukken te halen en om zo de kleine gevangene te kunnen bevrijden. Toen hij het beestje zag wegvliegen, klapte hij in de handen van vreugde en riep het achterna: “Wees voorzichtig! Laat u niet opnieuw pakken.”

Ginds in de buurt leefde er een oude vrouw, Ti Maria Carreira, genaamd. Haar zonen lieten haar soms op de kudde geiten en schapen passen. De dieren waren eerder wild en zwierven dikwijls in alle richtingen rond. Als we Ti Maria tegenkwamen, was Francisco de eerste om naar haar toe te rennen om haar te helpen. En zo hielp hij haar om de kudde naar de weide te leiden en joeg achter de zwervertjes aan en verzamelde hen opnieuw. De arme, oude vrouw kon Francisco niet genoeg bedanken en noemde hem haar dierbare engelbewaarder. Toen hij zieke mensen tegenkwam, was hij vol van medelijden en zei: “Ik kan dit moeilijk zien, omdat ik zo’n medelijden heb met hen! Vertel hen, dat ik voor hen zal bidden!”

Op een dag wilden ze ons naar Montelo nemen, naar het huis van een man, Joaquim Chapeleta, genaamd. Francisco wou niet gaan. “Ik ga niet, omdat ik het moeilijk heb om mensen te zien, die willen spreken en het niet kunnen [de moeder van de man was stom].” Toen Jacinta en ik bij het vallen van de avond naar huis terugkeerden, vroeg ik aan mijn tante waar Francisco was. “Hoe kan ik dat weten!? antwoordde ze: “ik zoek hem reeds de hele namiddag. Enkele dames zijn gekomen en wensten u te zien. Maar jullie twee waren niet daar. Hij verdween en ik zag hem niet meer terug. Gaan jullie hem nu maar zoeken!” We gingen een tijdje op een bank zitten in de keuken en zouden later naar de Loca de Cabeco gaan, omdat we zeker waren, dat we hem daar zouden vinden. Maar mijn tante had het huis nog maar verlaten, toen we zijn stem op de zolder hoorden, door een gat in het plafond. Hij was naar boven geklommen, omdat er sommige mensen op bezoek kwamen. Vanaf dit strategisch punt had hij alles gadegeslagen en vertelde daarna: “Er waren zo vele mensen! De Hemel helpe mij, indien ze mij gevonden hadden! Wat zou ik hen allemaal moeten zeggen hebben?” Er was een valdeur in de keuken, die gemakkelijk te bereiken was door een stoel op een tafel te zetten en waardoor men dus toegang had tot de zolderopening.

Francisco’s liefde en ijver

Zoals ik reeds heb gezegd, verkocht mijn tante haar kudde, voor mijn moeder zich ontdeed van de onze. Van toen af aan liet hij ’s ochtend, vóór ik wegging, aan Jacinta en Francisco de plaats weten waar ik de schapen die dag moest heenbrengen. Zodra ze weg konden, kwamen ze me achterna.

Op een dag waren ze op mij aan het opwachten. “O, hoe bent u hier zo vroeg geraakt?” “Ik kwam,” antwoordde Francisco, “omdat… ik weet niet waarom… om samen met u te zijn (kon me hiervoor niet zoveel schelen?) en ik kwam enkel omwille van Jacinta, maar nu kan ik ’s ochtends niet meer slapen, omdat ik zo bezorgd ben om bij u te zijn.” Toen de verschijningen op elke dertiende ophielden, zei hij op de vooravond van elke dertiende tot ons: “Kijk! Morgen heel vroeg ga ik langs de achtertuin ontsnappen naar de grot op de Cabeco. Kom bij mij zodra u kan.”

O Lieve Heer! Daar zat ik nu, dingen aan het schrijven over zijn ziekte en over zijn nabije dood, en nu zie ik, dat ik ben teruggekeerd naar de gelukkige tijden op de Serra, met de fluitende vogels opgewekt rondom ons. Ik vraag om vergiffenis. In wat ik mij herinner ben ik zoals een krab, die achteruit en vooruit wandelt zonder om de bestemming van de reis te geven. Ik laat mijn werk aan Dr. Galamba, voor het geval hij er iets van kan gebruiken, alhoewel ik veronderstel, dat hij weinig of niets zal vinden.

Daarom keer ik nu terug naar de ziekte van Francisco. Maar eerst wil ik u iets vertellen over zijn korte scholing. Op een dag kwam hij het huis uit en ontmoette mij met mijn zus Teresa, die reeds getrouwd was en in Lomba leefde. Een andere vrouw uit een gehucht uit de buurt had haar gevraagd om te komen voor haar zoon, die beschuldigd werd van een misdaad, die ik mij niet meer kan herinneren. Als hij zijn onschuld niet kon bewijzen zou hij worden veroordeeld, ofwel tot een verbanning, ofwel tot een aantal jaren cel. Tereasa vroeg mij onophoudelijk, in naam van de arme vrouw voor wie ze zo’n gunst wou doen, om voor zijn genade te pleiten bij Onze Lieve Vrouw. Toen ik de boodschap had ontvangen, ging ik naar school en op weg vertelde ik dit aan mijn neefje en nichtje. Toen we Fatima bereikten, zei Francisco tot mij: “Luister! Terwijl u naar school gaat, zal ik bij de Verborgen Jezus blijven en zal ik Hem voor deze genade vragen.” Toen ik de school uitkwam, ging ik hem roepen en vroeg: “Hebt u tot Onze Heer gebeden om deze genade te bekomen?” “Ja, dat heb ik gedaan. Vertel uw Teresa dat hij binnen enkele dagen thuis zal zijn.” En inderdaad, enkele dagen later keerde de arme jongen terug naar huis. Op de dertiende kwamen hij en zijn volledige familie Onze Lieve Vrouw bedanken voor de genade, die ze hadden ontvangen.

Op een andere dag viel het mij op, toen we het huis uitgingen, dat Francisco heel traag liep. “Wat scheelt er?” vroeg ik hem. “U lijkt niet te kunnen lopen!” “Ik heb zo’n vreselijke hoofdpijn en heb het gevoel alsof ik flauw ga vallen.” “Ga dan niet mee en blijf thuis!” “Dat wil ik niet. Ik blijf liever in de kerk bij de Verborgen Jezus, terwijl u naar school gaat.” Francisco was reeds ziek, maar slaagde er nog in om een beetje te lopen en zo ging ik op een dag met hem naar de grot op de Cabeco en naar Valinhos. Op onze terugweg, vonden we het huis vol met mensen. Een arme vrouw stond naast de tafel te veinzen alsof ze een onnoemelijk aantal vrome voorwerpen kon zegenen: Rozenkransen, medailles, kruisbeelden, en zo verder.

Jacinta en ik werden spoedig omgeven door een menigte van mensen, die ons wilde ondervragen. Francisco was blijven hangen bij de “zogenaamde zegengeefster,” die hem vroeg om haar te helpen. “Ik kan geen zegen geven,” antwoordde hij heel ernstig, “en u ook niet! Enkel priesters doen dat.”

De woorden van de kleine jongen gingen door het volk zoals een lichtflits, alsof ze door een luidspreker kwamen, en de arme vrouw moest zich vlug uit te voeten maken onder een hagel van beledigingen van het volk, die allen hun voorwerpen terugvroegen, die ze zojuist hadden overhandigd. Ik heb in mijn verslag over Jacinta reeds verwezen hoe hij erin slaagde om op een dag naar de Cova da Iria te gaan, hoe hij het snoer droeg en het dan aan mij teruggaf of, hoe hij de eerste was om op een snikhete dag het offer van niet te drinken opdroeg en hoe hij somtijds zijn zus eraan herinnerde om te lijden voor de zondaars, en zo verder. Ik veronderstel, dat het daarom niet nodig is om deze dingen hier te herhalen.

Op een dag stond ik bij zijn bed om hem gezelschap te houden en Jacinta, die voor een tijdje was opgestaan, was er ook. Plotseling kwam zijn zus Teresa ons waarschuwen dat er een groot aantal mensen de weg opkwam, blijkbaar naar ons op zoek. Zodra ze de kamer uit was, zei ik tegen Francisco: “Goed! Blijf jullie twee op hen wachten hier. Ik ga mij verbergen.” Jacinta kwam na mij buiten en beiden slaagden wij erin om onszelf te verstoppen in een ton, die op haar zijde lag, net buiten de achterdeur, die naar de tuin leidt. Niet lang daarna hoorden we het geroezemoes van mensen, die het huis en de tuin doorzochten en zelfs naast de ton stonden, maar we werden gered, omdat de opening van de ton aan de tegenovergestelde kant was. Toen we het gevoel hadden, dat ze allen waren vertrokken, kwamen we uit de schuilplaats en gingen opnieuw naar Francisco, die ons alles vertelde wat er was gebeurd: “Er waren zo vele mensen en zij wensten, dat ik hen vertelde waar jullie waren, maar ik wist het zelf niet. Zij wensten ons te zien en heel wat vragen te stellen. Daarnaast was er een vrouw uit Alqueidao, die een genezing wou van een zieke persoon en een bekering van een zondaar. Ik zal voor die vrouw bidden en bid u voor de anderen: er zijn er zoveel.” Kort na Francisco’s dood kwam dezelfde vrouw ons bezoeken om ons te vragen om haar zijn graf te tonen. Zij wenste hem te bedanken voor de twee genaden waarvoor ze hem had gevraagd om te bidden.

Op een dag waren we juist buiten Aljustrel, op onze weg naar Cova da Iria, toen een groep mensen ons verraste, langs een bocht in de straat. Om ons beter te kunnen zien en horen, plaatsten ze Jacinta en mij boven een muur. Francisco weigerde zich daarop te laten plaatsen, omdat hij schrik had om eraf te vallen. Dan, beetje bij beetje, sloop hij voorzichtig weg en leunde tegen een vervallen muur aan de overkant. Een arme vrouw en haar zoon, die er niet in slaagden om ons persoonlijk te spreken, zoals ze verlangden, kwamen en knielden voor Francisco neer. Ze smeekten hem om bij Onze Lieve Vrouw de genade te bekomen, dat de vader van de familie zou genezen en dat hij niet naar de oorlog zou moeten gaan. Francisco knielde ook neer, nam zijn muts af en vroeg of zij samen met hem de Rozenkrans wilden bidden. Ze gingen akkoord en begonnen te bidden. Heel spoedig stopten de mensen met het stellen van hun nieuwsgierige vragen en gingen ook geknield bidden. Daarna gingen ze met ons naar de Cova da Iria, terwijl onderweg de Rozenkrans werd gebeden. Eenmaal daar, baden we opnieuw een Rozenkrans en daarop gingen ze heel gelukkig weg.

De arme vrouw had beloofd om terug te komen om Onze Lieve Vrouw te bedanken voor de genaden, die ze had gekregen. Zij kwam meerdere malen terug, niet alleen met haar zoon, maar ook met haar echtgenoot, die nu genezen was. Ze kwamen van de parochie van de Sao Mamede en we noemden hen de Casaleiros.

Tijdens zijn ziekte bleef Francisco steeds vreugdevol en tevreden. Soms vroeg ik hem: “Lijdt u veel, Francisco?” “Heel wat, maar ik geef daar niet om! Ik lijd om de Heer te troosten en dan ga ik daarna, binnen een korte tijd, naar de Hemel!” “Als u daar bent, vergeet dan niet om aan Onze Lieve Vrouw te vragen om me daar ook zo spoedig mogelijk heen te leiden.” “Dat ga ik niet vragen! U weet heel goed, dat Zij u daar nog niet wil.”

De dag voor hij stierf, zei hij tot mij: “Kijk, ik ben erg ziek, het zal nu niet lang meer duren alvorens ik naar de Hemel ga.” “Luister dan hier naar. Als u daarheen gaat, vergeet dan niet om veel te bidden voor de zondaars, voor de Heilige Vader, voor mij en voor Jacinta.” “Ja, dat zal ik doen, maar kijk, u zou dit beter aan Jacinta vragen in de plaats van aan mij, omdat ik vrees, dat ik dit allemaal zal vergeten, wanneer ik Onze Heer zie. En dan zal ik meer dan om handen hebben dan iets anders, vooral door Hem willen troosten.”

Op een dag, vroeg in de morgen, kwam zijn zus Teresa mij halen. “Kom vlug naar ons huis! Francisco is heel slecht en zegt, dat hij u iets wenst te vertellen.” Ik kleedde mij zo vlug mogelijk aan en ging er heen. Hij vroeg aan zijn moeder en broers en zussen om de kamer te verlaten, omdat hij mij een geheim wou vragen. Zij gingen naar buiten en hij zei tot mij: “Ik ga biechten, zodat ik de Heilige Communie kan ontvangen, en dan zal ik sterven. Ik wens u te vragen of u mij kunt zeggen of u mij een zonde heeft zien begaan en vraag dit aan Jacinta ook.” “U was een aantal keren ongehoorzaam aan uw moeder,” antwoordde ik, “toen zij u vroeg om thuis te blijven en u kwam naar mij toe of om u te verbergen.” “Dat is waar. Dat herinner ik mij. Ga nu en vraag aan Jacinta of zij zich iets anders herinnert.”

Ik ging dus naar Jacinta toe en zij dacht een tijdje na, waarop ze antwoordde: “Wel, zeg hem dat, voordat Onze Lieve Vrouw aan ons verscheen, hij een muntstuk van ons vader heeft gestolen om een muziekdoos te kopen van Jose Marto of Vasa Velha, en wanneer de jongens uit Aljustrel stenen gooiden naar deze van Boleiros, wierp hij ook sommige stenen!” Toen ik hem deze boodschap van zijn zus overmaakte, antwoordde hij: “Ik heb deze reeds gebiecht, maar ik zal het opnieuw doen. Misschien is het, omdat deze zonden heb begaan dat Onze Heer zo bedroefd is! Maar zelfs als ik niet zou sterven, zal ik ze nooit meer begaan. Ik heb over deze zonden van harte spijt.” Met de handen tezamen zei hij het gebed: “O Jezus, vergeef ons, red ons van het vuur van de hel en leid alle zielen naar de hemel, vooral zij, die er het meeste nood aan hebben.”

Toen zei hij: “Luister nu, u moet ook aan Onze Heer vragen om mij mijn zonden te vergeven.” “Ik zal dat vragen, geeft er niet om. Als Onze Heer ze niet reeds vergeven geeft, zoniet zou Onze Lieve Vrouw Jacinta de andere dag niet hebben verteld, dat Zij u zou komen halen om u naar de Hemel op te nemen. Nu ga ik naar de Mis en daar zal ik tot de Verborgen Jezus bidden voor u.” “Vraag Hem dan alstublief, dat de parochiepriester mij de Heilige Communie komt brengen.” “Dat zal ik zeker doen.” Toen ik terugkwam uit de kerk, was Jacinta reeds op en zat zij op zijn bed. Zodra Francisco mij zag vroeg hij mij: “Hebt u de Verborgen Jezus gevraagd, dat de parochiepriester mij de Heilige Communie zou komen brengen.” “Ja.” “Dan zal ik in de Hemel voor u bidden.” “Zult u dat doen? De andere keer zei u van niet!” “Dat ging over u en het spoedig naar de hemel gaan, maar als u wilt, dat ik daar voor bid, dan zal ik het doen, en laat Onze Lieve Vrouw dan doen zoals ze wenst.” “Ja, doe dat. Bid.” “Al goed, geef er niet te veel om. Ik zal ervoor bidden.”

Toen ging ik heen voor mijn dagelijkse lessen en werk. Toen ik ‘s avond thuis kwam, vond ik hem stralend van vreugde. Hij had zijn biecht gesproken en de parochiepriester had hem beloofd om hem de volgende dag de Heilige Communie te brengen. De volgende dag, nadat hij de Heilige Communie had ontvangen, zei hij tot zijn zus: “Ik ben gelukkiger dan u, omdat ik de Verborgen Jezus in mijn hart heb. Ik ga naar de hemel. Maar ik zal veel bidden tot Onze Heer en Onze Lieve Vrouw om jullie beiden spoedig naar hier te brengen.” Jacinta en ik brachten bijna de hele dag aan zijn bed door. En daar hij amper nog kon bidden, vroeg hij aan ons om de Rozenkrans voor hem te bidden. Toen zei hij tot mij: “Ik ben zeker, dat ik jullie verschrikkelijk zal missen in de hemel. Als Onze Lieve Vrouw jullie ook maar spoedig naar ginds zou willen brengen!” “U zult mij niet missen! Beeld u in! U daar met Onze Heer en Onze Lieve Vrouw! Zij zijn zo goed!” “Dat is waar! Misschien zal ik het mij niet meer herinneren!” Toen voegde ik eraan toe: “Misschien zult u het vergeten! Maar geef er niet om!”

Francisco’s Heilige Dood

Die nacht nam ik afscheid van hem. “Vaarwel Francisco! Als u deze nacht naar de hemel gaat, vergeet mij dan niet als u er bent, verstaat u mij?” “Neen, ik zal het niet vergeten. Wees daar maar zeker van.” Toen nam hij mijn rechterhand en hield haar lang vast, terwijl hij mij met tranen in de ogen aankeek. “Wenst u nog iets?” vroeg ik hem, terwijl de tranen eveneens van mijn wangen rolden. “Neen!” antwoordde hij met een zwakke stem, eerder overwonnen.

Toen het gebeuren te bewogen werd, vertelde mijn tante mij om de kamer te verlaten. “Tot ziens dan, Francisco! Tot we elkaar in de hemel ontmoeten, tot ziens!…” De Hemel kwam nabij. Hij nam de volgende dag, in de armen van zijn Hemelse Moeder, de vlucht naar de Hemel. Ik zal nooit kunnen beschreven hoezeer ik hem miste. De smart was zoals een doorn, die mijn hart jarenlang zou doorboren. Het is een herinnering aan het verleden, dat steeds in de eeuwigheid zal weerklinken.

Het was nacht en lag vredevol te dromen
Dat op deze langeverwachte, feestelijke dag
Van hemelse eenheid, de Engelen daarboven
Met ons in alle heiligheid wedijverden!
Welke gouden kroon, buiten elk omschrijven,
Welk een krans van bloemen hier vergaard
Kon de kroon evenaren die de Hemel aanbood?
Engelse schoonheid, alle aardse verlangen gestopt.
De vreugde, de glimlach, van onze liefdevolle Moeder
In de Hemelse Koninkrijk, leeft hij in God
Betoverd van de liefde en weergaloze vreugde,
Deze jaren op aarde gingen zo vlug, en vlogen voorbij…
Vaarwel!!

Vertaling: Chris De Bodt

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x