Fatima in Lucia’s eigen woorden: De Oproepen (3)

Fatima in Lucia’s eigen woorden: De Oproepen (3)

De oproep tot Gebed

De zesde oproep van de boodschap: “Bid, bid heel veel!”

Zoals u reeds weet, werd deze oproep gedaan tijdens de tweede verschijning van de Engel. De drie kinderen zaten aan de kant van de bron, die grensde aan mijn ouders huis. De Hemelse Boodschapper verscheen en zei tot hen: “Wat bent u aan het doen?” Daarop ging hij, zonder te wachten op een antwoord door: “Bid, bid heel veel! De Harten van Jezus en Maria hebben plannen van genade voor u. Offer voortdurend gebeden en boetes voor de Allerhoogste (…) Maak van alles een soort offergave en schenk het aan God als een daad van herstel voor de zonden waardoor Hij wordt beledigd en bijkomend voor de bekering van de zondaars. Op deze wijze zult u vrede brengen over uw land. Ik ben de engelbewaarder van uw land, de beschermengel van Portugal. Boven alles moet u met onderdanigheid het lijden dragen en aanvaarden, die Heer u zal zenden.”

Bovennatuurlijke onthullingen gaan gewoonlijk gepaard met de bijzondere genade, die hun betekenis opheldert. In feite stonden de drie kinderen destijds inderdaad heel ver van het begrijpen van de volle betekenis ervan, zoals wij dit met onze ogen van vandaag bekijken en naar onze zielen overbrengen, daar het Gods wil is, dat ik hier op aarde tot Zijn beschikking blijf.

In die tijd begrepen de kinderen niet, dat deze oproep tot gebed niet alleen tot hen was gericht, maar tot de hele mensheid. Vandaag kijk ik naar deze oproep als een aanwijzer, die de weg aanduidt, die geplaveid is door God voor Zijn schepselen, sinds het begin van de schepping.

In feite vinden wij zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, die de woorden van God bevatten, heel duidelijk het pad terug, dat de Heer voor de mensen in kaart heeft gebracht. Ongelukkigerwijze hebben de menselijke wezens, in haar geheel, het doel waarvoor zij geschapen zijn, geminacht. Zij ontkennen het bestaan van God, hun Schepper en kennen de Heilige Naam van God niet, die zij nooit Vader hebben genoemd en bovendien weten zij ook niet welke weg zij dienen te volgen om ooit, op een dag, gelukkig te zijn in het Huis van de Vader.

En zo is het grootste gedeelte van de mensen het slachtoffer van onkunde en zoeken zij hun geluk waar het niet te vinden is en zinken op die wijze nog dieper in hun ongeluk en tegenspoed. Laten wij even kijken naar de wereld waarin wij vandaag leven! Wat zien wij? Welke beelden verschijnen ons voor de ogen? Oorlogen, haat, ambitie, ontvoeringen, overvallen, wraak, fraude, moord, zedenloosheid, enz… En als straf voor al deze zonden: ongevallen, ziekten, rampen, hongersnood en elk soort van lijden en pijn, waaronder de mensen wenen en kermen.

De mensheid, die zichzelf als wijs en machtig beschouwd, gaat door met het plannen van nog meer oorlogen, dood, ellende en nood, waardoor zij nog meer bloed doet vloeien in de zee van bloed waarin hele volkeren nu reeds verdrinken, dezelfden, die van deze zogenaamde wijze mensen zouden moeten leren hoe te leven en zichzelf te behelpen.

En voor welk doel? Om de mensheid er onderuit te halen en deze te vernietigen in golven van haat, ambitie, wraak, zedeloosheid… en zichzelf te verliezen in de afgrond. Uiteindelijk zullen zij voor eeuwig tot as terugkeren in hun graf! Waar zijn thans hun voorouders, die leefden en vochten op dezelfde wijze? In vele gevallen is het zelfs niet bekend op welke wijze zij om het leven kwamen. En waar in de eeuwigheid zullen hun zielen zich bevinden?

Hun lichamen zijn uiteraard teruggekeerd naar de aarde, vanwaar zij genomen zijn, zoals geschreven staat: “Want stof ben je en tot stof zul je terugkeren” (Genesis 3: 19). En de zielen, die het leven gaven aan dezen? Ook zij zijn teruggekeerd naar de plaats vanwaar zij kwamen. Het Eeuwige Wezen is God. De ziel, die geestelijk is, is door God geschapen naar Zijn gelijkenis: toen maakte God, de Heer, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen” (Genesis 2: 7). Het was de levensadem uit Gods lippen, die leven gaf aan onze ziel, naar Zijn onsterfelijke gelijkenis.”

Vanaf het ogenblik, dat Adam zondigde, door ongehoorzaam te zijn aan Gods bevelen, zijn al zijn nakomelingen gedoemd tot de pijn van de lichamelijke dood. Onze ziel blijf echter leven en keert terug tot God, ofwel in een staat van genade, ofwel in een staat van zonde, de zonde, die de mensheid wegleidt van God en haar brengt naar de eeuwige straf.

Op de dag van de algehele opstanding, zullen wij verrijzen om verenigd te worden met onze zielen en dezelfde eeuwige bestemming delen, die het lichaam en de ziel samen hebben verdiend: ofwel eeuwig geluk met God, of het ongeluk van de eeuwige straf. Jezus zelf heeft ons dit verteld toen Hij sprak over het werk, dat de Vader had toevertrouwd aan Zijn Zoon: “Wees hierover niet verwonderd, er komt een moment waarop alle doden zijn stem zullen horen” (Joh 5: 28).

Aldus is het heel belangrijk, dat wij voor onszelf het eeuwige leven zouden winnen, omdat, ofschoon ons leven op aarde van voorbijgaande aard is, is het eeuwige leven onveranderlijk en oneindig. Wat moeten wij dan doen? Overweeg deze woorden van Sint Paulus: “De eerste mens kwam uit de aarde voort en was stoffelijk, de tweede mens is hemels. Ieder stoffelijk mens is als de eerste mens, ieder hemels mens is als de tweede. Zoals wij nu de gestalte van de stoffelijke mens hebben, zo zullen wij straks de gestalte van de hemelse mens hebben” (1 Kor. 15:47-49).

Dit hemelse beeld waarover de apostel spreekt en dat wij moeten pogen te bereiken voor onszelf, is Jezus Christus. Wij moeten Hem vermenigvuldigen in onszelf door het geloof en de liefdadigheid, zodat, op de dag van ons vertrek naar de eeuwigheid, de Vader in ons karakteristieken van Jezus Christus kan zien en ons in Zijn Koninkrijk kan verwelkomen als Zijn kinderen en ook zo dat, in de verrijzenis van de dood, ons lichaam dit mag delen in het geluk van de geest.

Een beetje verder, in dezelfde brief, zegt Sint Paulus over de laatste dag: “Ik zal u een geheim onthullen: wij zullen niet allemaal eerst sterven, toch zullen wij allemaal veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, wanneer de bazuin het einde inluidt. Wanneer de bazuin weerklinkt, zullen de doden worden opgewekt met een onvergankelijk lichaam en zullen ook wij veranderen” (Kor. 15: 51-52). En zo moeten wij zeker zijn, dat deze verandering in ons zal plaatsvinden, in overeenstemming met Gods genade die, in Zijn barmhartigheid, zal worden verleend aan ons als antwoord op onze eigen inspanningen van nederige trouw en niet volgens onze tegenspoed of welke zonde ook, die wij hebben begaan. Laat ons niet denken, dat dit alles een soort utopia is: het is een bewezen werkelijkheid. Als ons ongeloof ons in dergelijke zonde stort, zijn wij verloren. Vertrouwen houdt niet op te bestaan en dit, omdat de ongelovigen het ontkennen! Wat gisteren waar was, zal morgen nog steeds waar zijn, omdat Jezus Christus gisteren dezelfde was, vandaag dezelfde blijft en morgen ook nog steeds dezelfde zal zijn. Jezus Christus blijft dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid (Hebr. 13:8)!

Dit alles toont onze grote nood aan om, in gebed, dichter te komen tot God. Het is door het gebed, dat wij ons verzekeren van vergeving voor onze zonden, dat wij de sterkte en de genade verkrijgen om te weerstaan aan de dingen van de wereld, de duivel en het vlees. Wij zijn heel zwak en zonder deze sterkte zouden wij dit nooit kunnen overwinnen. Vandaar dat Jezus zijn apostelen aanspoorde: “Blijf wakker en bid, dat jullie niet in beproeving komen. De geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak” (Mt. 26:41).

Het is om deze reden, dat de Boodschap de woorden van de Heer hernieuwt: “Bid, bid, heel veel!” Deze oproep tot gebed is een kopie van de oproep tot gebed, die zo dikwijls voor ons werd herhaald en die Jezus Christus naliet aan Zijn apostelen, zowel als aan onszelf: “Kijk en bid.”

In diverse gedeelten in de Heilige Schrift vinden wij een Jezus Christus, die ons voorbeelden geeft waarin Hij ons tot bidden aanspoort en Hij spoort ons niet enkel aan tot bidden, Hij leerde ons ook hoe te bidden, zoals in dit gedeelte uit het Evangelie van de Heilige Mattheus: “Bid daarom als volgt: Onze Vader in de hemel, laat uw Naam geheiligd worden, laat uw Koninkrijk komen en uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel. Geef ons vandaag het brood, dat wij nodig hebben. Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hebben vergeven wie ons iets schuldig was. En breng ons niet in beproeving, maar red ons uit de greep van het kwade” (Mt. 6: 9-13). En zo komt het van zijn eigen lippen hoe wij tot “Onze Vader” moeten bidden, het mooiste van alle gebeden, die wij tot God richten en een gebed waarin Jezus Christus ons leert hoe wij ons moeten richten tot God door de mooie benaming van “Onze Vader.”
Dit opent voor ons het mysterie van het goddelijke Vaderschap en bevestigt in ons de waarheid, dat wij allemaal kinderen zijn van dezelfde God. Deze waarheid, door Jezus Christus bevestigd, vult ons met vertrouwen en sterkt ons in liefde. Wie heeft ons ooit liefgehad zoals God zelf? Vandaar dat ons gebed tot het punt van een ontmoeting moet komen tussen de liefde van een kind, dat uitreikt naar het Hart van de Vader, en de liefde van de Vader, die neerdaalt op het kind, luistert naar wat het heeft te zeggen en aandacht schenkt aan de verzoeken, de woorden van lofprijzen en de dankbetuigingen en daarop deze gebeden beantwoordt.

Er zijn vele manieren van bidden, om God in het gebed te ontmoeten. Welke gebed is het beste gebed? Het beste gebed voor elke persoon is de wijze waarop die bepaalde persoon God het beste kan ontmoeten en in intiem contact kan blijven met Hem, hart tot Hart, trillend met liefde voor de Vader en het Hart van Jezus Christus, dat dezelfde verlangens en gevoelens aanneemt als Jezus Christus zelf en waarin wij één worden met Christus, zoals Hij van ons verlangde en in deze zin bad tot de Vader: “Ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen, die door hun verkondiging in Mij geloven. Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals U in mij bent en Ik in U, laat hen zo ook in Ons zijn, opdat de wereld gelooft, dat U Mij hebt gezonden” (Joh 17: 20-21).

In dit verheven gebed van Christus bespeuren wij Gods plan voor ons: om met Hem te zijn in onze vereniging met Christus: “Zoals u, Vader, in Mij bent en Ik in U, laat hen zo ook in Ons zijn.” Maar deze vereniging met Christus kan enkel worden bereikt door het gebed. Het is in het gebed, dat wij God ontmoeten en het is in deze ontmoeting, dat Hij aan ons Zijn Genade, Zijn Geschenken, Zijn Liefde en Zijn vergiffenis schenkt.

Wij zien dat, in dit gebed, Hij ook ten behoeve van ons vroeg: “Ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen, die door hun verkondiging in mij geloven.” En wij hebben het geluk om onder dezen te mogen zijn die, door het woord der apostelen, dat met welslagen aan ons is doorgegeven door hun opvolgers, in God mogen geloven, en dat is wat Christus vroeg ten behoeve van ons. Ik voel me zo gelukkig, dat ik aan Hem bekend was, toen Hij dit gebed richtte tot zijn Vader, dat Hij aan mij dacht en mij voorstelde aan de Vader als een kind van Zijn Liefde!

Hij dacht aan mij, Hij dacht aan u en Hij dacht aan de ontelbare vermenigvuldiging van zijn broers en zussen. En opdat ons eigen gebed doordrongen zou worden met dezelfde verlangens en gevoelens als Jezus’ eigen gebed, moet het verenigd zijn met Zijn gebed voor al degenen die zullen komen om in Hem te geloven en zullen gered worden door hun verdiensten.

Laat ons terug gaan naar wat ik zei over de verschillende manieren van bidden. Ons gebed kan overwegend worden genoemd, dus tot God gericht in woorden, maar onze gebeden kunnen ook spontaan uit ons hart komen en formules bevatten als bijvoorbeeld: het Onze Vader, het Weesgegroet, het Eer aan de Vader, de Geloofsbelijdenis en vele andere dergelijke gebeden, die worden gebruikt in de Heilige Liturgie.

Dit is de meest gebruikelijke manier van bidden en ook het meest toegankelijke gebed voor de gewone gelovigen. Daarenboven is het door Jezus Christus aan onszelf aanbevolen: “Bid daarom als volgt: Onze Vader in de hemel, laat uw naam geheiligd worden, laat uw koninkrijk komen en uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel. Geef ons vandaag het brood, dat wij nodig hebben. Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hebben vergeven wie ons iets schuldig was. En breng ons niet in beproeving, maar red ons uit de greep van het kwade” (Mat. 6: 9-13). Dit is het meest verheven gebed van alle gesproken gebeden, omdat het aan ons onderricht werd door de Zoon van God zelf. Aldus moeten wij het steeds met een hernieuwde toewijding, vertrouwen, nederigheid en liefde bidden.

Dan is er nog een ander soort gebed, dat wij aan God moeten offeren, samen met onze gesproken gebeden: het is het gebed van ons werk, van de voorstelling van al onze plichten in ons leven met een geest van nederige onderwerping aan God, omdat Hij het was, die de wet van het werk aan ons doorgaf. Wij moeten dit doen met liefde en trouw aan God en onze naaste en op deze wijze: onze alledaagse bezigheden, hoe onbetekenend ze soms ook zijn, moeten aan God worden geofferd in een gebed van lofbetuiging, dankbetuiging, boete en smeking. Zoals bij Tobit, tot wie de Engel zei; “Nu dan: toen jullie aan het bidden waren, u en Sara, heb ik jullie gebed onder de aandacht van de Heilige gebracht. Ik was het ook die, toen u de doden begroef, dichtbij u was. Ook toen u zonder dralen opstond en uw maaltijd liet staan om een dode te begraven, is die goede daad mij niet ontgaan, maar was ik bij u” (Tobit 12: 12-13).

Dit gedeelte uit de Heilige Schrift vertelt ons hoe wij de tijd dienen te gebruiken, die God ons geeft tijdens ons leven. Een gedeelte ervan moet besteed worden aan het gebed, een ander gedeelte wordt besteed aan onze levensverplichtingen en de rest in het goed doen voor de anderen en dit uit liefde voor God. Er zijn vierentwintig uren in een dag. Een aantal minuten per dag besteden aan een ontmoeting met God is zeker niet te veel gevraagd.

In het uitvoeren van onze dagelijkse taken moeten wij proberen ons bewust te maken van Gods aanwezigheid: roep in uw gedachten op, dat God en onze Engelbewaarder dicht bij ons zijn, zien wat wij doen en met welke geesteskader wij dit doen. Zo heiligen wij ons werk, onze rust, onze maaltijden, ons geheel van ontspanningen alsof ze een voortdurend gebed zijn. Te weten, dat God aanwezig is, is voldoende om Hem van tijd tot tijd in onze gedachten op te roepen om Hem een paar woorden toe te spreken. Of dit nu uit liefde gebeurt (Ik hou van u, Heer), of uit dank (Ik dank U, Heer, voor al wat U goed doet voor mij), of voor een intentie (Help mij, Heer, om uw trouw te blijven, vergeef mijn zonden, mijn ondankbaarheid, mijn koelheid, mijn falen in het begrijpen, mijn hervallen) of uit eerbetoon (Ik zegen U, Heer, voor uw grootsheid en uw goedheid, voor uw wijsheid, voor uw kracht, uw genade, uw rechtvaardigheid, uw liefde). Dit intiem en vertrouwvol gesprek met God, hervormt onze werken en onze dagelijkse bezigheden in een waar en duurzaam leven van gebed, waardoor wij God meer behagen en kunnen genieten van bijkomende en bijzondere genaden en zegeningen.

En wij kunnen niet zeggen, dat wij geen tijd hebben voor dit soort gebeden, omdat het bidden gebeurt tijdens de tijd, dat wij ermee bezig zijn tijdens ons dagelijkse taken. Zoals een vrouw, die met haar man samen aan het werk is: stilletjes en intiem pratend met elkaar, waarbij zij hem vertelt, hoezeer zij alles wat hij voor de familie doet, waardeert, waarbij zij zijn kennis en ervaring looft, hem aanmoedigt in zijn werk en hem vraagt om hulp en advies en hem vertelt over haar zorgen en wensen. Of zoals kinderen, die alles aan hun vader tonen, vertellen en van hem verwachten. Zoals een moeder, die haar kinderen grootbrengt, die altijd wel iets opmerkzaam moet zeggen, zowel aan haar kinderen, die nog heel klein zijn, als aan haar grotere kinderen, omdat zij geen acht slaan op bepaalde dingen of het niet begrijpen. God daarentegen begrijpt altijd wat wij zeggen en luistert altijd naar ons, ziet ons altijd en besteedt altijd aandacht aan ons.

Dan is er ook nog het geestelijke gebed, de zogenaamde meditatie. Hierbij plaatsen wij onszelf in de aanwezigheid van God om zo te kunnen nadenken over het een of het ander, over de mysteries van de Rozenkrans, of zelfs over een of andere waarde, die wij terugvinden in Jezus’ leven, in Onze Lieve Vrouw of in de Heiligen, dat als voorbeeld voor ons kan dienen.

Dit gebed brengt veel baat als wij het goed doen. En om dit gebed goed te doen, moeten wij tot God praten over het onderwerp waar wij over mediteren, naar onszelf zien om onze gebreken te herkennen om aldus in waarde te groeien overeenkomstig het onderwerp waarover wij mediteren, zoals bijvoorbeeld een toename van het geloof, nederigheid, liefdadigheid, een opoffering, om aldus onze tegenzin, moeilijkheden, onze typische karaktertrekken en gebreken, onze verleidingen te overwinnen. En al dit kan worden bereikt met een intiem gesprek tot God, waarin wij alles met Hem bespreken, in het vertrouwen, dat Hij ons het licht, genade en de kracht geeft waardoor wij trouw kunnen blijven tot op het einde en het ideaal kunnen bereiken van het latere bovennatuurlijke leven, dat wij voor onszelf uittekenen en dat God van ons verlangt en wenst.

Dan is er ook nog het gebed, dat wij gewoonlijk ‘contemplatie’ noemen. Dit bestaat uit een nog nadere intimiteit tot God, waarbij zij die het beoefenen, nog dieper in Gods aanwezigheid binnentreden en zich meer achter de schermen verlaten op het werk van genade, licht en liefde van God in hen.

Omgeven door een bovennatuurlijke atmosfeer, laat de ziel zichzelf toe om doordrenkt te worden, verheven te worden en hervormd te worden door Gods handelingen en zal zij in Hem gezuiverd willen worden om opgenomen te worden door een goddelijke tussenkomst, die zij voelen, maar niet weten op welke wijze. God kan zeer zeker en zonder enige moeite deze genade aan een persoon verlenen, maar gewoonlijk wacht de Heer tot de ziel het punt bereikt van gelovig het pad van het sprekende en geestelijke gebed te volgen, want het is op deze wijze, dat de ziel wordt gezuiverd en de dingen der aarde achter zich laat, door zichzelf enkel aan God toe te vertrouwen.

De zielen, die dit punt bereiken, zijn echter weinig in aantal, omdat er slechts weinigen zijn, die volledig vaarwel kunnen zeggen aan het materialisme van het leven en de ambitie van eigenliefde, hebzucht, trots en opmerkingen van eerbied. En zelfs als zij het punt van zondeloosheid bereiken, bezoedelen zij zich met het stof van de aarde en voorkomen zij, dat zij verheven worden naar de hogere sferen van het bovennatuurlijke.

Vandaar dat zij nooit de vertrouwelijke vreugde van de goddelijke liefde zullen smaken, omdat God dit enkel kan verlenen aan zielen, die vurig verlangen om Zijn genaden te ontvangen, bereid zijn om te luisteren naar Zijn stem en Hem te volgen op Zijn wegen. Er bestaat niets op aarde, dat kan worden vergeleken met het geluk, dat wordt ervaren door de ziel in haar intieme vereniging met God. Ongelukkigerwijze zijn wij niet in staat om deze gaven te appreciëren of de waarde te erkennen van zo’n rijkdom, noch weten wij hoe wij met deze gave moeten leven, want ook hiervoor behoeven wij een heel bijzondere gave van God, die wij niet verdienen, maar die Hij verleent door Zijn Barmhartigheid en voor Zijn grote Liefde, die Hij voor ons heeft.

Tot besluit is het gebed nodig voor iedereen en allen moeten wij bidden, of dit gebed nu sprekend is of contemplatief.

Bovenop het aanzetten tot het gebed, heeft Jezus Christus ons prachtige voorbeelden nagelaten van het leven van het gebed. Om aan te tonen, dat wij altijd moeten bidden zonder het hart te verliezen, vertelt Hij ons, in het Evangelie van de Heilige Lucas, de parabel van de onrechtvaardige rechter. Onmiddellijk daarop volgt de parabel van de Farizeeër en de tollenaar in de tempel. Terwijl de Farizeeër zichzelf prees om zijn goede daden, bleef de tollenaar nederig en vroeg hij om Gods vergeving: “God, wees mij zondaar genadig.” Ik zeg jullie, hij ging naar huis als iemand, die rechtvaardig is in de ogen van God, maar die ander niet. Want wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden (Luc. 18: 13-14). Omdat wij allen zondaars zijn, moeten wij bidden in nederigheid en volharding.

Ook hierin gaf onze goddelijke Redder ons een voorbeeld, omdat Hij al onze zonden op zich nam en bad ten gunste van ons. Zo bracht Hij vóór de aanvang van Zijn openbare leven veertig dagen en nachten door in de woestijn, biddend en vastend om zo boete te doen voor ons. Op die wijze wilde Hij ons het voorbeeld geven, door het offeren van een gepast herstel tot Zijn Vader voor onze zonden en wilde Hij zijn apostolaat productief maken, door Zichzelf voor te bereiden door de kracht van het gebed en de boete.

De Heilige Schrift vertelt ons, dat Jezus regelmatig naar de tempel en de synagoges ging om deel te nemen aan het collectieve gebed van het Volk van God. Toen hij de koopmannen in de tempel van Jeruzalem handel zag drijven, maakte deze ontwijding Hem kwaad en Hij dreef ze allen naar buiten en zei: “Er staat geschreven: Mijn huis moet een huis van gebed zijn, maar jullie maken er een rovershol van!”

Ongetwijfeld is wat hier gezegd wordt over de tempel in Jeruzalem, eveneens van toepassing op onze kerken, die aan God toegewijd zijn als een huis van gebed. Heilige plaatsen, kerken en kapellen in de parochies, seminaries en religieuze huizen moeten huizen van gebed zijn waar het volk van God zich kan verzamelen rond Christus om zich zo met Hem te verenigen door zich tot de Vader te richten en Hem te loven, te bedanken en verzoeken te doen, zodat zij in vereniging met Christus hun werk en lijden en hun dagelijkse kruisen, kunnen opdragen aan de Vader voor de redding van hun broeders.

Onze tempels moeten worden geëerbiedigd, omdat ze huizen zijn van God. Christus, de ware God en de Mensgeworden God, is daar aanwezig in het tabernakel en staat daar ter beschikking van zijn volk, zodat Hij ze kan verwelkomen in Zijn aanwezigheid, tot hen praten en hen voeden: “Ik ben het brood, dat leven geeft. Dit is het brood, dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet het brood, dat uw voorouders aten: zij zijn gestorven, maar wie dit brood eet zal eeuwig leven” (Joh. 6: 48 en 58).

Kerken zijn de huizen van onze Vader in de Hemel. Op dezelfde wijze als kinderen zich verzamelen rond hun vader om zijn woorden te horen, om te luisteren naar wat hij te leren heeft en om te handelen naar zijn advies, zo komen de mensen van God tezamen met Christus om naar Zijn Woord te luisteren, Hem hun noden te vertellen, genaden te ontvangen en Hem te eren.

Ik ben nu tegen u aan het praten over het collectieve gebed, waar wij allen moeten aan deelnemen. Wij gaan naar de Kerk om te bidden, om ons gebed te verenigen met dat van onze broers en zussen. Dit is wat er gebeurt als wij samenkomen voor de viering van de Eucharistie, om het Heilig Sacrament te aanbidden, om de Rozenkrans te bidden, samen met andere gemeenschappelijke gebeden.

Laat ons dus niet vergeten, dat er ook het persoonlijke gebed bestaat. Alle kinderen kijken uit naar de tijd waarin zij alleen kunnen zijn met hun Vader, om zo hun problemen aan Hem voor te leggen en om Zijn hulp, advies, genade en troost te ontvangen.

Het is in het gebed, dat beleefd wordt in een intiem gesprek met Christus, dat wij onszelf moeten voorbereiden om onze opdracht, die God ons wenst toe te vertrouwen, uit te dragen, omdat het in deze ontmoeting is, dat God ons Zijn licht, Zijn kracht en Zijn genade geeft, samen met de geschenken van de Heilige Geest. Enkel zo zullen wij ware apostelen zijn voor onze broers en zusters, door hen het Woord van Christus over te brengen.

Maar, als bijvoegsel van deze tempels, gebouwd door mensenhanden, hebben wij andere tempels, die niet minder echt zijn, waar wij moeten bidden en aan God onze offers brengen: Ik bedoel onze ziel, ons hart, ons geweten. God is daar! De meest Heilige Drievuldigheid verblijft daar! Als wij ons in staat van genade bevinden, zijn wij tempels van God: “Wanneer iemand Mij liefheeft, zal hij zich houden aan wat Ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en Ik zullen bij hem komen en bij hem wonen.”

Aldus zijn wij gekomen tot het mysterie van God, dat in ons verblijft. En dat niet enkel tot ons komt door de ware aanwezigheid van Jezus Christus, als wij Hem in de Heilige Communie ontvangen, onder het geconsacreerde brood en wijn, waarin Hij aanwezig is en Zichzelf met Zijn Lichaam, Bloed, Ziel en Goddelijkheid, levend en waarachtig aan ons geeft, en zo vanuit de Hemel neerdaalt naar onze ziel, en zichzelf met ons verenigd door de vereniging van volledig zelfovergave. Daarnaast verblijft God in ons door de werkelijke aanwezigheid van de Drie Goddelijke Personen, die onze ziel omvormen in een levende en duurzame tempel, tenzij wij onszelf, door zonde, onwaardig maken voor deze goddelijke aanwezigheid.

Dit is wat de Heilige apostel Paulus zegt: “Weet u niet, dat u een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont? Indien iemand Gods tempel vernietigt, zal God hem vernietigen, want Gods tempel is heilig, en die tempel bent u zelf” (1 Kor. 3:16-17). De apostel herinnert ons hier aan diegenen, die door de zonde, de tempel van God, die onze ziel is, schade toebrengen en zichzelf onwaardig maken om de goddelijke aanwezigheid in zich te dragen. Wij zijn geroepen om heilig te zijn, wat betekent, dat wij God niet mogen beledigen door de zonde, door doelbewust te zijn, op een ernstige wijze, of zelfs een minder ernstige wijze, te overtreden.

Een beetje verder lezen wij in dezelfde brief van Sint Paulus: “Maar bedenk, dat het lichaam er niet is om ontucht mee te plegen: het is er voor de Heer en de Heer is er voor het lichaam. God heeft de Heer opgewekt, en door zijn macht zal Hij ook ons opwekken. Weet u niet, dat uw lichaam een deel is van het lichaam van Christus? (…) Maar wie zich met de Heer verenigt, wordt met Hem één geest. Ga ontucht uit de weg! (…) Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de heilige Geest, die in u woont en die u ontvangen hebt van God, en weet u niet, dat u niet van uzelf bent? U bent gekocht en betaald, dus bewijs God eer met uw lichaam” (1 Kor. 6: 13-20). Misschien schatten wij deze onmeetbare schat, die wij in ons dragen, niet genoeg in en is het om deze reden wat wij op bepaalde tijdstippen zo onverschillig leven.

Ons geloof is vaag geworden en aldus stopt haar vlam met onze voetstappen te verlichten: zo wordt ons leven los en ons gebed zonder vuur, waarbij onze intieme eenheid met God vergeten wordt en wegebt. Om aan Zijn oproep tot gebed, die God tot ons richt, te beantwoorden door middel van de Boodschap, moeten wij ons geloofsleven krachtiger maken, zodat het ons zou leiden tot de graad van zelfverloochening, die vereist is om te vermijden, dat wij God beledigen en aldus in Zijn genade kunnen blijven.

Wij zijn er ons terdege van bewust, dat onze wil zwak is en hoe zeer wij de sterkte van de genade nodig hebben om onszelf in staat te stellen de verleidingen, die ons aanvallen, de gevaren, die ons omringen en de neigingen, die ons tot het kwaad kunnen brengen, te overwinnen. Dit is waarom Jezus ons het Onzevader leerde, door te zeggen: “En leidt ons niet in bekoring” (Mat. 6:13).

En laat ons, omdat Jezus ons heeft gezegd, dat wij zonder Hem tot niets in staat zijn, (Johannes 15,5) onze toevlucht nemen tot het gebed nemen waardoor God ons de genade zal verlenen, die wij nodig hebben om Zijn geboden te begrijpen en uit te dragen en aldus voor onszelf Zijn Vaderlijke liefde te winnen: “Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan (…) Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer dan zal jullie Vader in de hemel het goede geven aan wie Hem daarom vragen (Mat. 7: 7.11).

Dit is de belofte, die ons vertrouwen in het gebed kan sterken en ons verzekert van haar doeltreffendheid. Ave Maria.

De oproep om zich op te offeren

De zevende oproep van de Boodschap: “offer onophoudelijk gebeden en geef steeds dingen prijs voor de Meest Verhevene.”

De oproep om zich op te offeren, die God nu tot ons richt, is iets, dat wij vinden op vele bladzijden van de Heilige Schrift. Het kan overbodig lijken om het hier te herhalen, maar het zal niet vergeefs zijn, omdat wij allemaal zo vlug vergeten en lauw zijn in het vervullen van deze grote plicht.

In het Oude Testament gebruikten de priesters dieren, die zij als offer opdroegen om God gunstig te stemmen voor zichzelf en voor de mensen. Maar deze slachtoffers waren slechts voorafbeeldingen van het Offer van Christus, die het enige echte Slachtoffer is, die aan God werd opgeofferd voor de zonden van alle mensen. Deze opoffering van Christus, die een einde maakte aan deze voorafbeeldingen, was voorzien in plaats van de opofferingen van het Oude Verbond en het Offer wordt elke dag hernieuwd op het altaar bij de viering van de Eucharistie, die de onbloedige herhaling is van de opoffering aan het Kruis.

Maar dat is niet voldoende, want de heilige apostel Paulus vertelt ons in (Kol. 1: 24) “dat wij in ons lichaam moeten aanvullen met wat er nog aan Christus’ lijden ontbreekt,” omdat wij allen deel uitmaken van het enige en hetzelfde mystieke Lichaam van de Heer. En als er één deel van dat lichaam lijdt, dan lijden alle leden mee, en als een, die er deel van uitmaakt, dient te worden verwijderd, zijn alle andere leden van het lichaam hierbij betrokken. Als er één lid is, dat ernstig ziek is, zelfs al blijft de ziekte beperkt tot één lichamelijk onderdeel, dan lijdt het hele lichaam en sterft het af. Hetzelfde gebeurt in het geestelijke leven. Wij zijn allen ziek en allen hebben vele tekortkomingen en zonden. Vandaar dat het onze plicht is om ons op te offeren, in eenheid met Christus, het onschuldige Slachtoffer, en dit tot herstel van onze eigen zonden van deze van onze broeders en zusters, omdat wij allen leden zijn van het ene en hetzelfde Mystieke Lichaam van de Heer.

De Boodschap roept ons op om “van alles een offer te maken en het aan God op te dragen als een daad van herstel voor de zonden waardoor Hij is beledigd en als verzoek voor de bekering van de zondaars” (de woorden van de engel). Dit kunnen opofferingen van spirituele, intellectuele, morele, lichamelijk of materiële aard zijn en afhangend van welk moment zullen wij de kans krijgen om alle soorten daden van herstel te doen. Het belangrijkste is, dat wij klaar zijn om voordeel te halen uit elke mogelijkheid, die zich voordoet, en in het bijzonder, dat wij bereid zijn offers te brengen, wanneer ze van ons worden verwacht om zo aan onze plichten tegenover God, onze naaste en onszelf te voldoen. Bovendien is zo’n daad van eerherstel eveneens nodig om geen overtredingen te begaan tegen de geboden van God. Onder deze omstandigheden hebben wij de verplichting om alles op te offeren wat nodig is, omdat wij een verbintenis hebben om alles wat nodig is op te offeren om het begaan van zonden te vermijden. Onze eeuwige verlossing hangt er van af, zoals Jezus Christus ons vertelt in het Evangelie: “Wie achter Mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen en dagelijks zijn kruis op zich nemen en Mij volgen. Want ieder, die zijn leven wil behouden, zal het verliezen; maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het behouden. Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest of schaadt?” (Lucas 9, 23-25). Van wat de Heer hier tegen ons zegt, leren wij, dat wij bereid moeten zijn om eerder te sterven dan een ernstige zonde te begaan, die er de oorzaak van kan zijn, dat wij het eeuwige leven zouden verliezen. Hetzelfde is eveneens waar, als het gehoorzamen van Gods wet van ons vraagt, dat wij iets opofferen, dat van mindere waarde is dan onze levens.

Afstand doen van alles wat ons aanleiding tot zonde kan geven is de weg naar de redding. Het is om deze reden, dat de Heer ons waarschuwt, dat wie ook zijn leven wil redden, het zal verliezen of met andere woorden: Iedereen, die ernaar verlangt om verstoring brengende geneugten te voldoen, leeft een leven van zonde en volgt de brede weg van de zonde en zal op deze wijze, zonder enig teken van berouw of verbetering, het eeuwige leven verliezen. Waarom kunnen wij tegen Jezus niet zeggen: “Wat strekt het ons tot voordeel om de hele wereld te winnen als wij onszelf verliezen of verbeurd verklaren?”

Op dezelfde wijze waarschuwt Jezus ons: “Hij die niet zijn kruis opneemt en Mij volgt, is Mij niet waardig.” (Mt. 10: 38) Ja! Hoe kan iemand een vriend van God en het eeuwige leven waardig zijn, als zij zichzelf niet verloochenen in alles wat nodig is om de weg van zijn geboden te volgen, in het afzien van ongeoorloofde pleziertjes, de grillen van de trots, pronkzucht, hebzucht en inhaligheid, buitensporig zelfgenoegen, het negeren in het uitoefenen van liefdadigheidswerken en gerechtigheid tegenover anderen, in het van zich afschudden van het juk van het dagelijkse kruis of het aarzelend dragen zonder het in eenheid en overeenstemming te brengen met het Kruis van Christus?

Soms is dat het kruis van ons dagelijkse werk: “U zult uw brood eten bij het zweet van uw voorhoofd,” was de last door God opgelegd aan Adam als straf voor zijn zonden. Bij andere gelegenheden zullen het de moeilijkheden van het leven zijn, die zich voordoen bij elke stap, die wij nemen, en die wij met waardigheid, geduld en overgave moeten aanvaarden. Andere keren zullen het de vernederingen zijn, die plots kunnen geschieden en die wij moeten aanvaarden, onder de toegeving, dat wat onvolmaakt is in ons en de vastberadenheid om onszelf over te geven aan God, die altijd de zielen helpt, die zich willen omhoogwerken tot een beter en volmaakter leven: “Maak van alles van wat u kunt een opoffering,” vertelt de Boodschap ons, “en schenk het aan God als een daad van herstel voor de zonden waardoor Hij wordt beledigd en met het verzoek tot de bekering der zondaars.”

God geeft ons nog een andere reden om dingen op te dragen aan Hem: “Tot herstel van de zonden waardoor niet alleen Hij is beledigd, maar ook onze broeders en zusters, door ons eigen toedoen.” Elke keer als wij een persoon beledigen moeten wij een daad van herstel doen in de mate van het mogelijke, voor elke ontsteltenis of schade, die wij hem hebben aangedaan. Daarom moeten wij de gewoonte aannemen om ons te verontschuldigen, enz. Nu is het des te meer noodzakelijk voor ons om dit te doen in een verhouding tot God. Het is hierom, dat Christus ons het ‘Onzevader’ aanleerde, om vergiffenis te vragen: “Onze Vader, die in de hemelen zijt (…) vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren” (Mat. 6: 9-12) met onmiddellijk daarop “en leidt ons niet in bekoring, maar verlos ons van het kwade” (Mat. 6: 13). En het is uiteraard zo, dat het beste herstel, dat wij kunnen aanbieden, de combinatie van ons verzoek tot vergeving is met een hard besluit om Hem niet meer te beledigen. Dat is waarom wij vergiffenis, hulp en bescherming vragen.

Noteer, dat Jezus ons aanleerde om dit zowel voor ons, als voor onze broeders en zusters te vragen: “Vergeef ons, verlos ons en leidt ons niet in bekoring!” Dit is de oproep van de Boodschap: “Om dingen aan te bieden als een daad van herstel en met het verzoek tot de bekering van onze broeder en zusters, die ronddolen op valse en verkeerde paden.” Ja, om te bidden en opofferingen te doen, zodat ons hele leven een opeenvolging van opofferingen aan God zou zijn en dit gedragen door ons dagelijkse kruis in eenheid met het Kruis van Christus, voor de redding der zielen, in samenwerking met Hem in Zijn verlossend werk als leden van Zijn Mystieke Lichaam, de Kerk, die werkt, bidt en lijdt in vertrouwelijke eenheid met haar Hoofd, voor de redding van de mensheid.

Tijdens onze dagelijkse bezigheden komen wij allerlei soorten hersteldaden tegen, die wij kunnen schenken aan God. Zo is er het offer van de vraatzucht, die in vele gevallen verplicht is, en ook deze van het overmatige alcoholgebruik, want deze vertroebelt ons oordeel, beïnvloedt ons denken en degradeert onze waardigheid. Om het even wie te veel inschikkelijkheid nalaat: een eerlijk mens knielt dan voor God. Hoeveel families zijn er niet gekweld omwille van deze zonde. Waarom aan God niet het geschenk geven van niet te drinken en in plaats daarvan met de armen delen wat anders verloren is in zondige buitensporigheden, die zo veel lijden achterlaten, wanneer er zo vele van onze broeders en zusters niet toekomen om kledij te kopen voor zichzelf.

Zo’n opoffering, die gevraagd wordt door de gematigdheid waarmee wij onszelf moeten bedienen aan de tafel der Schepping, was al iets wat God vereiste vanaf het hele begin, bij de twee eerste mensen. De Heilige Schrift vertelt ons: “In Eden, in het oosten, legde God, de Heer, een tuin aan en plaatste daar de mens, die Hij gevormd had. Hij liet er allerlei mooie bomen met heerlijke vruchten groeien. In het midden van de tuin stonden twee bomen: de vruchten van de ene boom konden de mens het eeuwige leven geven, die van de andere boom inzicht in goed en kwaad. Hij zei tegen de mens: “Je mag eten van alle bomen in de tuin, alleen niet van de boom, die inzicht geeft in goed en kwaad. Wanneer je daarvan eet, zul je sterven” (Gen. 2: 8-9 en 16-17). Adam en Eva hadden de vrijheid om het fruit te eten van zo veel bomen, dat zij de vruchten niet nodig hadden van de “boom die het inzicht gaf van het goede en het kwade.” Bovendien zou het hen ernstige schade berokkenen en daarom liep God op de zaken vooruit en verbood hen om ervan te eten. Het beste wat zij konden doen was gehoorzamen aan Gods bevel en Hem het offer schenken om niet van die vruchten te eten.

Op deze wijze, en in zoveel omstandigheden tijdens het leven, moeten wij de waarde van de gematigheid praktiseren, die van ons wordt vereist om verstervingen te doen om offers te maken voor de begeerte van de vraatzucht. God heeft in al zijn goedheid als Vader zo’n breed gamma aan goede en verrukkelijke dingen in de wereld gebracht, waarvan zijn kinderen het voedsel mogen tot zich nemen en er zelfs genoegen in mogen hebben, maar steeds volgens de Wil van God en met de nodige dankbetuiging voor zo veel gunsten, ook voor onze broeders en zusters in nood.

Ik wil niet beweren, dat God van ons allemaal verlangt, wat Hij verlangt van sommige van Zijn uitverkoren, namelijk om ons van alles te onthouden, het aan de armen te geven en Hem daarop te volgen in een volledige verlatenheid van de dingen der aarde. Wat Hij vraagt is, dat wij ons allemaal zouden ontzien van elke overdadige liefde voor de goederen. Laat ons terugdenken aan het gesprek tussen Jezus Christus en de jongeman, die Hem naliep om Hem te kunnen vragen: “Meester, welke goede daden moet ik doen om het eeuwige leven te kunnen verdienen?” En Jezus zei: “Waarom stelt u mij een vraag over het goede? Er is er maar één, die goed is! Als u het eeuwige leven wilt binnengaan, houdt u dan aan de geboden.”

“Welke?” vroeg hij. Jezus antwoordde: “U mag niet doden, geen echtbreuk plegen, niet stelen, geen valse verklaringen afleggen, heb eerbied voor uw vader en uw moeder en heb uw naaste lief als uzelf.” “Aan al die geboden heb ik mij gehouden,” zei de jongeman, “wat kan ik nog meer doen?” Jezus antwoordde: “Als u volmaakt wilt zijn, ga dan al uw bezittingen verkopen, geef het geld aan de armen en u zult een schat hebben in de hemel. Kom dan terug en volg Mij.” Toen de jongeman dat hoorde, ging hij terneergeslagen weg, want hij had veel bezittingen. “Ik verzeker jullie,” zei Jezus tegen zijn leerlingen, “het zal een rijke veel moeite kosten het hemelse Koninkrijk binnen te komen. Ja, Ik zeg jullie: het is voor een kameel gemakkelijker om door het oog van een naald te kruipen dan voor een rijke om het Koninkrijk van God binnen te komen” (Mat. 19: 16-24).

Volgens wat ik gehoord heb van een aantal uitleggers, verwees Jezus Christus met deze verklaring naar de rijke mensen, die inhalig zijn en wiens enige bezorgdheid het is om nog meer rijkdom te verzamelen en die, om dit te bereiken, zullen vermijden van geld uit te geven en weigeren om hun overtollige te delen met hen, die in nood zijn. Wat de Heer hier onderricht, is dezelfde les, die in verband staat met het Laatste Oordeel, waar Hij de reden beschrijft voor de verschrikkelijke veroordeling, die aan diegenen toekomt, die zich aan Zijn linkerhand bevinden: “Ga weg van mij, vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen! Want Ik had honger en u gaf Mij niet te eten, Ik had dorst en u gaf Mij niet te drinken, Ik was een vreemdeling en u verleende Mij geen onderdak, Ik was naakt en u gaf Mij geen kleding, Ik was ziek en Ik zat in de gevangenis en u verzorgde Mij niet (…). Ik verzeker u: toen u niets deed voor een van deze mensen, ook al was hij onbelangrijk, toen deed u niets voor Mij! Zij zullen eeuwig gestraft worden, maar de rechtvaardigen zullen eeuwig leven” (Mat. 25: 41-43.45-46).

Wij worden hier allemaal aan herinnerd met wat God van ons vraagt in de Boodschap van Fatima: “Maak opofferingen en maak goed gebruik van alles, dat u niet nodig hebt en niet kunt gebruiken om uw broeders en zusters te helpen, die niet genoeg hebben en sterven van honger en koude.” Dit is de verzaking en de opoffering, die God van ons vraagt: als wij onszelf niet opofferen in het leven, zullen wij onszelf opgeofferd vinden in het eeuwige leven en niet alleen, omdat wij het slechte bedreven, maar eveneens, omdat wij faalden in het beoefenen van goede werken. “Want Ik had honger en u gaf Mij niet te eten, Ik had dorst en u gaf Mij niet te drinken, Ik was een vreemdeling en u verleende Mij geen onderdak, Ik was naakt en u gaf Mij geen kleding (…) toen u niets deed voor een van deze mensen, ook al was hij onbelangrijk, toen deed u niets voor Mij! Zij zullen eeuwig gestraft worden, maar de rechtvaardigen zullen eeuwig leven.”

Om de redding te verkrijgen is het niet alleen genoeg om niet verkeerd te doen, wij hebben namelijk ook de plicht om goed te doen. En dan zijn er altijd de kleine opofferingen, die wij dagelijks, als uitbreiding voor onze redding, zeker aan God moeten opdragen. Het is niet, omdat deze opofferingen klein zijn, dat ze God minder zouden behagen en ze zijn eveneens zeer verdienstelijk en voordeling voor onszelf, omdat wij, door dergelijke dingen, bewijs geven van de tact van onze trouw, onze liefde tot God en voor onze naaste. Zulke kleine opofferingen verrijken ons met genaden, versterken ons in ons geloof en liefdadigheid, veredelen ons voor God en onze naaste en bevrijden ons van de verleidingen van de zelfzucht, inhalerigheid, afgunst en zelfgenot.

Het is de vrijgevigheid in de gewone, kleine dingen, die zich dagelijks voordelen verleent en ons op dat ogenblik volmaakt maken. Die ons meer aandachtig maken in ons gebed en aandacht, die de verstrooidheid zo veel mogelijk vermijdt, die het bidden eerbiedwaardig maakt, want vergeet niet, dat wij op dat ogenblik praten met God; bidden met vertrouwen en liefde, omdat wij ons allen in de aanwezigheid bevinden van iemand van wie wij weten, dat Hij van ons houdt en ons wenst te helpen, zoals een vader, die zijn kleine jongen bij de hand neemt om hem de eerste stappen aan te leren: In Gods ogen zijn wij allen kleine, kwetsbare kinderen, die zwak zijn in de deugdzaamheid, die steeds fouten begaan en vallen en dat is waarin wij Onze Vader nodig hebben om ons de hand te verlenen om ons op onze voeten te houden en te wandelen in de wegen van de heiligheid.

Of wij nu onze gebeden bidden in de Kerk, thuis, op reis, buiten op de velden of tijdens onze wandeling op de straat: God is overal en luistert naar onze verzoeken en onze lof- en dankbetuigingen. Dit is wat Jezus Christus ons heeft onderricht, als antwoord op de Samaritaanse vrouw, die de volgende vraag tot Hem richtte: “Onze voorouders hebben God op deze berg aanbeden, maar bij u zegt men, dat in Jeruzalem de plek is waar men God moet aanbidden.” Jezus zei: “Geloof mij, er komt een tijd, dat u de Vader noch op deze berg noch in Jeruzalem zult aanbidden. Jullie aanbidden zonder te weten wat je aanbidt, maar wij aanbidden wat wij kennen. Maar er komt een tijd, en die is er al, dat wie echt aanbidden, de Vader aanbidden in geest en waarheid. Want de Vader wil mensen, die Hem zo aanbidden. God is Geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.”

God wenst, dat wij bidden in oprechtheid, in de volle erkenning van wat wij zijn, onze ‘nietigheid’ voor God: Hij wil, dat wij ons bewust zijn van onze vragen en oprechte beloften, klaar om onze beloften te houden. Laat onze God loven en danken in de waarheid, die zich in ons hart bevindt, in een geest van geloof, liefde en dankbaarheid. God is niet tevreden met fijne woorden en beloften, die absurd zijn en geen enkele inhoud hebben, om met woorden om applaus te winnen van anderen. Neen, onze woorden moeten nederig zijn en gepaard gaan met een geest van opoffering.

Vaak zal het nodig zijn om een beetje van onze tijd te besteden aan bezinning, ook om een beetje vroeger op te staan om naar de kerk te gaan en de Mis bij te wonen, of ’s avonds wat vroeger de radio of de televisie uit te zetten als opoffering en zo wat tijd opzij te zetten om de Rozenkrans te bidden. Het is het verzaken aan onze eigen voorkeuren en zinnen, dat God van ons verlangt, en, zoals reeds gezegd, als wij onszelf niet verloochenen in dit leven, zullen wij onszelf opgeofferd vinden in het leven dat komt, want als wij niet kunnen hopen op onze redding door onze onschuld, dan kunnen wij enkel door gebed en boete worden gered.

Wij kunnen aan God een kleine daad van opoffering of zelfverloochening opdragen op ons voedsel, maar niet door tot het uiterste te gaan, want dat zou onze gezondheid verzwakken om te kunnen gaan werken. Neem bijvoorbeeld een stuk fruit, een dessert of een drankje waar wij niet zo veel van houden, doorsta de dorst voor een tijdje alvorens deze te lessen, maar dan met een drank waar wij persoonlijk niet zoveel van houden, met de onthouding van alcohol, of minstens met het overmatig drinken ervan.

Als wij onszelf aan tafel bedienen, laat ons dan niet het beste stuk nemen, maar als wij dit kunnen vermijden zonder de aandacht naar ons toe te trekken en door dit eenvoudig en onopvallend te doen, en God hiervoor bedanken, omdat wij moeten denken dat God een Goede Vader is en dat Hij enkel behaagd is door ons als Hij ziet, dat wij aan verzaking doen. God schiep goede dingen voor Zijn kinderen, en houdt er van, dat wij er gebruik van maken, maar zonder er misbruik van te maken en zo onze te plicht doen om dit allemaal te volbrengen en er gebruik van maken in dankbaarheid en liefde voor Hem, die ons overlaadt met stapels giften.

De opoffering, die wij kunnen en moeten nemen aangaande onze kledij en dit zonder morren, ook als is het wat warm of koud, is dan te vragen aan de andere mensen in de kamer om de deuren of vensters wat te openen of dicht te doen. Kleed u welvoeglijk en eenvoudig, zonder slaaf te worden van de laatste modes. Vermijdt herhaling hiervan wanneer het niet in overeenstemming is met deze waarden, zodat wij voor anderen geen aanleiding zouden geven tot zonde, door steeds in gedachten te houden, dat wij verantwoordelijk zijn voor de zonden, die begaan zijn, omwille van ons.

Vandaar dat wij ons moeten kleden volgens de Christelijke moraal, de persoonlijke waardigheid en ook uit solidariteit met anderen, om het offer te schenken van het ontzeggen van overdreven pronkzucht en deze overdreven pronkzucht kunnen wij vermijden door ons niet over te leveren aan overdreven, uiterlijk vertoon van juwelen, waar wij gerust mee kunnen leven zonder en met de verkoop ervan onze broeders en zusters in nood kunnen helpen. In plaats van het dragen van kledij, gemaakt uit duur en zeldzaam materiaal, zouden wij genoegen moeten kunnen nemen met iets eenvoudiger en minder dure kledij, waarbij wij zo besparen om zo onze broeders en zusters te helpen, die niets hebben om zich mee te bedekken.

Om deze kleine ergernissen, die wij op ons pad kunnen ontmoeten te verdragen – soms kan dit een misnoegend, irriterend of onvriendelijk woord zijn, voor anderen kan dit een ironische glimlach, een minachtende blik, een weerlegging zijn, of wij worden gepasseerd of aan de kant gezet alsof wij niet bestaan – kunnen wij deze, als ze uiteraard misverstanden zijn aan onze Heer schenken.

En zo is het nodig om te weten hoe wij alle dingen kunnen doorstaan: door opofferingen te doen aan God en door soms niet te reageren, alsof wij blind, doof en stom waren, opdat wij in feite beter zouden zien en met een grotere zekerheid zouden spreken en de stem van God zouden horen. Laat anderen ‘blijken’, dat zij hun levenswijze moeten verante hebben, ik zeg ‘blijken’, omdat in werkelijkheid diegene die overwint, diegene is die weet, die zwijgt uit liefde tot God. Opgewekt anderen de eerste plaats toekennen, hen het beste toewensen, hen laten deelnemen in de vreugde en laten genieten van de vruchten van onze arbeid, onze opofferingen, onze bezigheden, onze mogelijkheden, van dingen, die ons zijn ontnomen, ik zou zelfs zeggen van onze goede eigenschappen, alsof ze ook hen toebehoren, en ons tevreden stellen met nederig te zijn en aan zelfverzaking doen uit liefde voor God en onze naaste, dat is wat God van ons verwacht.

Om met een goede manier om te gaan met mensen van wie wij niet houden of met onaangename mensen, of met hen, die tegen ons zijn, ons ergeren en tergen, ons indiscrete of zelfs onvriendelijke vragen stellen, moeten wij hen antwoorden met een glimlach, een kleine goede daad, de gunst van vergeving en liefde, met onze ogen gericht op God.

Deze zelfverloochening is met het oog op onze zwakke menselijke aard heel moeilijk, maar daarom ook behaagt dit de Heer het meest en is het voor ons het meest verdienstelijk.

Dan zijn er de van buitenaf opgelegde boetes en opofferingen, waarvan sommige verplicht zijn en andere vrijwillig. Verplichte boetes zijn, bijvoorbeeld, het vasten en de onthoudingen, die opgelegd zijn door de Kerk. Maar als wij bedenken hoe groot de nood is, dan zouden wij graag méér offers moeten willen brengen.

Er zijn sommige hulpmiddelen voor de boete, die door vele heiligen zijn gebruikt, zoals discipline, een haren boetekleed, etc. Zulke boete wordt ondernomen in eenheid met Christus, die gegeseld werd aan de paal, vastgebonden werd met koorden en gekroond met doornen. Als Christus voor ons leed, dan is het terecht, dat wij iets voor Hem en Zijn verlossend Werk terugdoen.

Een andere praktijk is het bidden met de geest van boete, met uitgestrekte armen in de vorm van een kruis, in eenheid met de gekruisigde Jezus of door het bidden met het hoofd voorover tot het de grond raakt. Zo kunnen wij ons vernederen voor God, die wij durfden te beledigen, wij, die niets zijn in vergelijking met zijn heiligheid.

Alhoewel dergelijke boetvaardigheden niet verplicht zijn, zijn ze in vele gevallen nodig om de krachtige verleidingen van de wereld, de duivel, de trots en het vlees, te overwinnen. Jezus, die Goddelijk was, kon niet zondigen en Hij gaf ons een schitterend voorbeeld van een leven van boete. Alvorens zijn openbare leven te beginnen, bracht Hij veertig dagen in de woestijn door met bidden en vasten. De Evangeliën vertellen ons, dat Jezus zich, gedurende zijn openbare leven, regelmatig afzonderde van het volk om zo, in stilte en in het verborgene, te kunnen bidden tot onze Vader. En, alvorens zichzelf over te leveren aan de dood, bracht Hij een lange tijd van gebed door in de Tuin van Gethsemane. En hebben wij, arme en zwakke schepselen, geen nood aan gebed? Uiteraard! Het is in het gebed, dat wij God ontmoeten en het is in deze ontmoeting met God, dat Hij ons de genaden en de kracht verleent, die wij nodig hebben om, wat er ook vereist is van ons, te kunnen ontzeggen: “Ga naar binnen door de nauwe poort. Want de poort en de weg, die naar de ondergang leiden, zijn ruim en breed, en velen gaan die weg. Maar de poort en de weg die naar het leven leiden, zijn nauw en smal, en maar weinigen vinden die weg” (Mat. 7: 13-14). Hier benadrukt Jezus Christus de grote behoefte aan zelfverloochening, omdat we, zonder de geest van verzaking, de Hemel en aldus het eeuwige leven, niet zullen binnentreden. Onze offers en gebeden zijn voortdurend nodig voor de Allerhoogste. Ave Maria!

Vertaling: Chris De Bodt

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x