Hoofdstuk 58 De hogere waarheid en de geheime oordelen van God moet men niet willen peilen

Derde boek

De innerlijke vertroosting

Hoofdstuk 58

De hogere waarheid en de geheime oordelen van God
moet men niet willen peilen

  1. De Heer: Mijn zoon, zie wel toe dat gij niet twist over hogere vraagstukken en de geheime oordelen van God: waarom iemand in deze toestand blijft en een ander tot zo grote genade wordt verheven; waarom deze zo zwaar wordt getroffen en een ander tot zulk een uitzonderlijke hoogte opgevoerd.
  2. Dat alles gaat het menselijk vermogen te boven en geen studie of discussie kan het goddelijk oordeel achterhalen.
  3. Als de vijand u dus zo iets ingeeft of ook sommige nieuwsgierige mensen daarnaar vragen, geef dan dit antwoord van de profeet: ‘Gij zijt rechtvaardig, Heer, en eerlijk in uw oordeel’ (Ps. 119 : 137).
  4. En ook dit: ‘De oordelen des Heren zijn rechtvaardig, geheel en al verantwoord’ (Ps. 19 : 10).
  5. Mijn oordelen moet men vrezen, niet ontleden, want ze zijn ongrijpbaar voor het menselijk verstand.
  6. Ga ook niet in op probleemstellingen over de verdiensten van de heiligen, wie heiliger is dan een ander of wie de grootste is in het rijk der hemelen.
  7. Dit brengt dikwijls twisten en onvruchtbare disputen mee, het voedt trots en ijdele glorie en daaruit komen jaloersheid en onderlinge verwijdering, terwijl de een deze heilige en de ander een andere heilige eigenzinnig de voorrang probeert te bezorgen.
  8. Zulke dingen willen weten en onderzoeken brengt geen enkele vrucht voort, maar mishaagt veeleer de heiligen; want Ik ben geen God van twist maar van vrede; en deze vrede bestaat meer in ware nederigheid dan in zelfverheffing.
  9. Sommigen voelen zich in de naijver van hun liefde tot deze of die met bijzondere genegenheid aangetrokken, maar het is eerder een menselijke dan een goddelijke genegenheid.
  10. Ik ben het die alle heiligen heb gemaakt wat zij zijn: Ik heb de genade gegeven, Ik gaf hun ook de glorie.
  11. Ik ken ieders verdiensten, Ik heb hen voorkomen met de zegen van mijn aantrekkingskracht.
  12. Ik heb mijn beminden eeuwen tevoren gekend, Ik heb hen uit de wereld uitgekozen, niet zij hebben Mij gekozen.
  13. Ik heb hen geroepen door de genade, aangetrokken door barmhartigheid, Ik heb hen geleid door allerlei moeilijkheden.
  14. Ik stortte die verheven vertroostingen in, Ik gaf hun de volharding, Ik heb hun geduld bekroond.
  15. Ik ken de eerste en de laatste, Ik omvat hen allen in een onzegbare omhelzing.
  16. Ik moet geprezen worden in al mijn heiligen; boven alles moet ik gezegend en geëerd worden in ieder van hen, want Ik heb hen aldus op glorievolle wijze groot gemaakt en voorbestemd zonder enige voorafgaande eigen verdiensten.
  17. Wie dus een van de geringsten onder de mijnen minacht, eert ook de groten niet, Ik heb immers de kleinen zowel als de groten in het leven geroepen.
  18. En wie iemand van mijn heiligen te kort doet, doet Mij te kort en al de overigen in het rijk der hemelen.
  19. Allen zijn één door de band van de liefde, zij denken eensgezind, zij willen hetzelfde en allen beminnen elkaar in de Ene.
  20. Maar bovendien, wat veel verhevener is: zij beminnen Mij meer dan zichzelf en hun verdiensten.
  21. Want aan zichzelf ontrukt en meegevoerd buiten de eigenliefde, gaan zij over in een leven van totale liefde, waarin zij ook een weldadige rust vinden.
  22. Er is niets wat hen daarvan kan afkeren of hen kan neerdrukken, want vol van de eeuwige waarheid, branden zij in een onuitblusbaar vuur van liefde.
  23. Laat dus alle stoffelijk- en wereld-gerichte mensen zwijgen en niet redeneren over de staat van de heiligen, zolang zij niets anders dan hun persoonlijke voldoening zoeken. Zij nemen en geven volgens hun eigen neiging, niet zoals het de eeuwige waarheid behaagt.
  24. Bij velen is het onwetendheid, bij hen vooral die, weinig verlicht, maar zelden iemand met een volmaakt geestelijke liefde weten te beminnen.
  25. Zij worden nog te zeer door louter natuurlijke neiging en menselijke sympathie tot dezen of genen aangetrokken en zoals zij zich in de aardse sfeer gedragen, zo verbeelden zij zich ook de hemelse.
  26. Maar er is een onmetelijke afstand tussen de gedachten van nog onvolmaakte mensen en dat wat mensen, verlicht door hogere openbaring, zich voorstellen.
  27. Wacht u dus wel, mijn zoon, u nieuwsgierig te verdiepen in dingen die uw begrip te boven gaan, maar leg u er ijverig op toe om al is het maar als de minste in Gods rijk te worden aangetroffen.
  28. En als iemand zou weten wie heiliger zou zijn dan een ander of de grootste in het hemelrijk, wat zou hem die kennis baten, als hij zich niet wegens die wetenschap voor Mij zou vernederen en opgewekt werd om mijn naam nog meer te prijzen?
  29. Hij die nadenkt over de grootte van zijn zonden en de geringheid van zijn deugden en hoever hij van de volmaaktheid der heiligen verwijderd is, doet een God veel welgevalliger werk dan hij die over hun hogere of lagere rang twist.
  30. Het is beter de heiligen met vurige gebeden en onder tranen aan te roepen en hun roemvolle voorspraak met nederige gevoelens af te smeken dan hun geheimen door middel van een zinledig onderzoek uit te pluizen.
  31. Zij zijn erg tevreden en dat ten volle; als de mensen nu ook eens tevreden wilden zijn en hun dwaas gepraat tot zwijgen brengen.
  32. Die heiligen gaan niet groot op eigen verdiensten, zij schrijven zichzelf niets goeds maar alles aan Mij toe, want alles heb Ik hun uit oneindige liefde gegeven.
  33. Zij zijn van zulk een grote liefde tot God en van overvloeiende vreugde vervuld, dat aan hun heerlijkheid niets ontbreekt en aan hun geluk niets ontbreken kan.
  34. Hoe hoger alle heiligen in glorie verheven zijn, des te nederiger zijn zij in eigen oordeel en staan zij in liefde Mij meer nabij.
  35. Daarom staat er geschreven: dat zij hun kronen vóór Gods aangezicht neerwierpen en voor het Lam neervielen op hun aangezicht en Hem aanbaden die leeft in de eeuwen der eeuwen (Apok. 5 : 14).
  36. Velen vragen zich af wie de grootste is in Gods rijk, maar zij weten niet of zij wel waardig zullen zijn onder de kleinsten gerekend te worden.
  37. Het is groot óók wanneer iemand de minste is in de hemel waar allen groot zijn, want allen zullen zij ‘kinderen Gods genoemd worden’ en het ook zijn (Mt. 5 : 9).
  38. De geringste telt voor duizend (Jes. 60 : 22) en de zondaar zal sterven, al wordt hij honderd jaar.
  39. Toen immers de leerlingen vroegen wie de grootste was in het rijk der hemelen, hoorden zij dit antwoord: ‘Als gij u niet bekeert en wordt als kinderen, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan’ (Mt. 18 : 3).
  40. ‘Wie zich dus zal vernederen als dit kind, hij zal de grootste zijn in het rijk der hemelen’ (Mt. 18 : 4).
  41. Wee degenen die zich te goed achten om zich vrijwillig met de kinderen te vernederen, want het zal hun niet mogelijk zijn de lage deur van het hemelrijk binnen te gaan.
  42. Wee ook de rijken die hier hun vertroostingen genieten, want terwijl de armen binnengaan in Gods rijk, zullen zij buiten staan te jammeren.
  43. Verheugt u, nederigen, en armen, weest blij, want u behoort het rijk Gods toe, als gij tenminste leeft volgens de waarheid.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x