Hoofdstuk 55 De verdorvenheid van de menselijke natuur en de werkdadigheid van de goddelijke genade

Derde boek

De innerlijke vertroosting

Hoofdstuk 55

De verdorvenheid van de menselijke natuur
en de werkdadigheid van de goddelijke genade

  1. Heer mijn God, die mij geschapen hebt naar uw beeld en gelijkenis, sta mij deze genade toe die Gij mij als zo groot hebt doen zien en als noodzakelijk voor het heil: dat ik meester word van mijn zeer slechte geaardheid die mij tot zonde en tot de ondergang voert.
  2. Ik voel in mijn lichaam de wet van de zonde die de wet van mijn geest tegenspreekt en die mij gevangen uitlevert (Rom. 7 : 23) om in veel opzichten aan mijn zinnelijkheid toe te geven.
  3. Ik ben niet in staat mijn hartstochten te weerstaan, behalve als uw allerheiligste genade als een vuur in mij gestort, mijn hart komt bijstaan.
  4. Uw genade, uw grote genade, is nodig om mijn menselijke natuur te overwinnen die vanaf mijn jeugd altijd tot het kwaad is geneigd.
  5. Want omdat de menselijke natuur door de eerste mens Adam gevallen en gekwetst is, daalt nu de straf van deze zonde over alle mensen neer; zodat de menselijke natuur zelf die door U goed en in gerechtigheid was geschapen, nu synoniem is voor zondigheid en de zwakheid van die bedorven natuur, omdat zij in haar beweging, aan zichzelf overgelaten, naar het kwaad en naar het lagere trekt.
  6. Want de geringe kracht in haar achtergebleven, is als een vonk verborgen in de as.
  7. Dit is de natuurlijke rede zelf die omgeven is door grote duisternis: zij kent nog wel het onderscheid tussen goed en kwaad en het verschil tussen waar en vals. Zij is echter onmachtig om alles te doen wat zij goedkeurt en niet in het bezit van het volle licht van de waarheid en ook niet zuiver in haar genegenheden.
  8. Vandaar, mijn God, dat ik behagen schep in uw wet volgens de inwendige mens (Rom. 7 : 22), want ik weet dat uw wet goed is, rechtvaardig en heilig; zij beveelt mij de zonde en alle kwaad te vermijden; maar naar de aardse mens onderwerp ik mij aan de wet van de zonde, omdat ik meer aan de zinnelijkheid gehoorzaam dan aan de rede.
  9. Vandaar dat het willen van het goede mij wel ligt, maar het goede te doen: zóver kom ik niet.
  10. En zo neem ik mij herhaaldelijk goede daden voor, maar omdat de genade ontbreekt die mijn zwakheid steunen moet, deins ik bij een lichte weerstand terug en bezwijk.
  11. Zo bestaat het dan dat ik de weg van de volmaaktheid wel ken en duidelijk inzie hoe ik zou moeten handelen; maar gedrukt door het gewicht van mijn eigen verdorvenheid, stijg ik niet op tot het betere.
  12. Hoe onmisbaar nodig, Heer, is voor mij uw genade om het goede te beginnen, voort te zetten en tot voltooiing te brengen.
  13. Want zonder die genade kan ik niets doen, maar door U ben ik tot alles in staat, als uw genade mij kracht geeft.
  14. O waarlijk hemelse genade! Zonder haar zijn de eigen verdiensten niets, dan zijn ook natuurlijke talenten van geen gewicht.
  15. Kunst betekent niets; schoonheid en kracht zijn niets; ook intelligentie en welsprekendheid hebben voor de Heer geen waarde, als de genade er niet bij komt.
  16. Want gaven van de menselijke natuur hebben goeden en slechten, maar de eigen gave van de bevoorrechten is de genade dat wil zeggen de liefde, want daarmee getekend, gaan zij het eeuwig leven in.
  17. Deze genade is zó voortreffelijk, dat geen gave van profetie, ook niet het doen van wonderen of welke hoge beschouwing ook, iets waard worden geacht zonder haar.
  18. Want geloof en hoop en de andere deugden zijn voor u niet aanvaardbaar zonder liefde en genade.
  19. O allerzaligste genade die de arme van geest rijk maakt aan deugden en hem die rijk is door vele goederen, weer tot nederigheid van hart brengt,
  20. Kom, daal tot mij neer, vervul mij ’s morgens met uw troost, dat door dorheid en afmatting het innerlijkste van mijn wezen niet bezwijkt.
  21. Ik smeek U, Heer, dat ik genade mag vinden in uw ogen: uw genade immers is mij genoeg (2 Kor. 12 : 9), al heb ik het overige niet waar de menselijke natuur om vraagt.
  22. Al word ik ook beproefd en afgebeuld door mijn tegenslagen, ik zal geen rampen vrezen zolang uw genade maar bij mij is.
  23. Zij is mijn kracht: zij geeft mij raad en staat mij bij.
  24. Zij is sterker dan alle vijanden en wijzer dan alle wijzen samen.
  25. Zij is lerares van de waarheid, meesteres van levensorde, licht voor het hart, troost bij verdrukking, zij jaagt de droefheid weg, verwijdert de vrees, voedt de godsvrucht, verwekt de tranen.
  26. Wat ben ik zonder haar, tenzij een dor stuk hout en een blok dat het wegwerpen niet waard is?
  27. Laat daarom, Heer, uw genade mij altijd voorkomen en volgen en mij altijd gericht houden op goede werken door Jezus Christus uw Zoon. Amen (Gebed van de 16e zondag na Pinksteren).

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x