Hoofdstuk 9 – Gebeden in het Kruis en de Vreugde

Hoofdstuk 9

Gebeden in het Kruis en de Vreugde

Voor Marthe is de periode tussen 1928, het jaar waarin haar benen verlamd raakten, en 1937 rijk aan schitterende gebeden. Het mooiste en in theologisch opzicht rijkste is zonder enige twijfel het lange gebed dat zij in 1937 richt tot de Heilige Drieëenheid. „Een parel,” verzekerde een dominicaan aan Vader Finet.

Gebed tot de Heilige Drieëenheid

„0 Heilige en Eeuwige Drieëenheid,” zegt Marthe, „ik aanbid U en ik loof U in Uzelf en in uw Werken, in de eenheid van uw Wezen, in de gelijkheid van uw Personen, in de diepte van uw Kennis, in de onmetelijke omvang van uw Wijsheid, in de uitgestrektheid van uw Voorzienigheid, in de schoonheid van uw Mysteries, in het Werk van uw Werken dat God tot mens maakt en een Maagd tot Moeder van God”.

Na langdurig in bewondering te hebben verwijld voor de menswording van Jezus, waardoor Hij midden onder de mensen wilde komen en in gemeenschap met hen wilde treden, eindigt Marthe haar gebed met een drievoudige aanbidding:

„Ik aanbid, o God, Almachtige Vader, de oneindige Liefde die U ertoe bracht uw Zoon, de Welbeminde van uw eeuwig welbehagen, uw Enige, aan de wereld te geven, een wereld verloren door de erfzonde en zeer vele huidige zonden. Ik aanbid deze zelfde goddelijke Liefde die zich openbaart in de keuze van de middelen gebruikt voor de Menswording.

„U wilt uw toevlucht niet nemen tot uw Almacht, maar U schakelt daarentegen uw goddelijke Wijsheid, uw Goedheid, uw Barmhartigheid, uw Liefde in. Had U ons nog meer kunnen leven en ter bekroning van uw Werk verleent U Haar reeds in de Hemelen de Heerlijkheid die met haar heilige Waardigheid overeenkomt.

„Ik aanbid U, Geest van Kracht, Licht en Liefde! U, die in Maria het verheven Werk van de Menswording voltrekt.

„Het paste dat dit Werk van Liefde werd toegekend aan de Liefde, de levende band van de Vader en de Zoon. Met welk een Volmaaktheid, o goddelijke Heiligmaker, hebt U de onbevlekte Ziel van de verheven Moeder van God verrijkt, door Haar te sieren met alle deugden, alle genaden, alle gaven.
„Ik aanbid U, Geest van Liefde, die op wonderbare wijze in Maria het Lichaam vormde van onze goddelijke Verlosser! Ik huig mij neer voor dit grote Mysterie; voor dit Wonder blijft mijn hart stil van bewondering ,Et concepit de Spiritu Sancto’ en heel mijn wezen trilt van dankbaarheid.”

Op deze zeer aangepaste wijze en in een aan Maria gewijde sfeer die haar eigen is, aanbidt Marthe de drie goddelijke Personen, van wie men haar op katechismusles had gesproken met de tamelijk weinig zeggende woorden: „Het Mysterie van de Heilige Drieëenheid is het mysterie van één God in drie Personen.”

Maar waar haalt Marthe die kennis toch vandaan die het haar mogelijk maakt lang, en in grote aanbidding, te spreken over de relaties tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest en over hun communicatie met de Schepping? . . . Door welke gave, anders dan die komend van de Heilige Geest, is deze boerendochter plotseling in staat zich met zulk een inspiratie, woordenrijkdom, godsvrucht en enthousiasme uit te drukken, zonder ook maar één theologische onjuistheid? Beschaamd moeten wij hier direct denken aan het gebed van Jezus: „Ik prijs ti, Vader, Heer van Hemel en Aarde, omdat Gij deze dingen verborgen hebt gehouden voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kleinen.” (Lukas X, 21)

Marthe is iemand die bidt. Het gebed is het wezen van haar leven. Wij hebben reeds kennis mogen maken met het door haar gedicteerde gedicht: „Ik moet Liefde zaaien.” Dit was de gift die zij de Heer aanbood in de nacht van 31 december 1929 op 1 januari 1930. Wij vinden het noodzakelijk nog gedurende enkele bladzijden stil te blijven staan bij andere gebeden van Marthe ten einde ons meer rekenschap te geven van de intensiteit van haar geestelijk leven en om te ontdekken waar haar hart naar uitgaat.

„In het Kruis en de Vreugde”

De gebeden van Marthe zijn geen litteraire probeersels. Zij dicteerde ze, of werden ook wel door haar vriendinnen opgeschreven, wanneer Marthe hardop bad. Deze gebeden bezingen de genadegaven of zijn een lied over de volledige overgave aan God van een vrouw die elke vrijdag gekruisigd werd, die niet kon eten, drinken, noch slapen, en die tranen van bloed vergoot. Want Marthe bloedde niet alleen uit de wonden in haar voeten, handen en zijde, maar ook uit haar ogen: haar tranen waren van bloed. En Marthe huilde elke nacht, zegt Vader Finet. Maar toch is haar ziel nooit zonder vreugde. Zelfs de kreten die de smartelijke pijn aan haar lippen ontlokken, zijn vervuld van een intense vreugde.

Opmerkelijk is ook dat Marthe op 14 februari 1930 — zij is dan geheel verlamd — niets anders wil dan de Heer te danken:

„Ik heb uit de bittere kelk gedronken, in uiterste vervoering, En zocht mijn toevlucht in uw liefdevol hart. Want in U alleen ligt mijn kracht; verlaat mij niet, In nederige zwakheid hoor ik geheel aan U, o Heer!

Ik ben uw prooi, o Jezus, in het Kruis en in de Vreugde, In de wrede beproeving en de hevige smart;

Hoe zoet is het lijden als men zich offert aan U, als men tot zon heeft het louterend vuur van uw hart.

Ik weet nu waar de Liefde woont, ik heb haar gloed gezien, Voor uw hemel, o Jezus, wil ik bloemen plukken, Ook al bloedt mijn ziel door folterende smarten. Ik houd niet op te zeggen: ,Dank U, mijn Verlosser’.”

In bijna elke versregel is sprake van lijden, pijn, smart. Toch blijft de bloedende Marthe er vreedzaam onder en vreugdevol. Zij is tegelijkertijd „in het Kruis en in de Vreugde.” Dit lijkt oppervlakkig gezien misschien tegenstrijdig, maar dit is het niet in het diepst van haar ziel.

Overdenkingen jegens het mysterie van de stigmata . . .

Het is 8 oktober 1930, korte tijd nadat Marthe de wondetekenen van de Gekruisigde in haar lichaam heeft ontvangen. Ze heeft het volste recht om zich een en ander af te vragen, en, evenals de Heilige Maagd in het Evangelie, niet te begrijpen.

„Alles wordt steeds meer een mysterie voor mij . . Maar waartoe dient het als ik het wist. Niet aan mij, noch aan iemand anders is het gegeven de geheimen van God te doorgronden. Ik moet slechts aanbidden, aanvaarden, zegenen en mij volledig verlaten op de Voorzienigheid.

„Als de Heer mij hier op aarde nog nodig heeft, dan komt dat omdat ik mijzelf nog veel meer moet heiligen om gered te worden. Ik ben bereid het brood van de smart te blijven eten. De motieven van God zijn mysteries die ik niet mag doorgronden. Aanbidden zal ik in deemoed.

„0 Maagd Maria, maak dat ik elke dag steeds volgzamer, steeds geduldiger, steeds eenvoudiger word. Geef dat men mij negeert, mij vergeet. Ik vraag niet dat God zichtbare tekenen in mij aanbrengt, maar alleen dat ik een nederig kind mag zijn, met een teder en nederig hart.”

Het is duidelijk, afgaand op het bovenstaande, dat de ijdelh Marthe niet naar het hoofd stijgt: zij is er niet op uit te poch met haar stigmata.

Marthe vervolgt:

„Mijn Heer en mijn God, op U verlaat ik mij. Als U mij h’ wilt zal ik hier ook blijven en zal ik niets doen om weg te ga verlangt U mij ergens anders, dan verlang ik dat evenzeer. weet, o Jezus, dat u altijd en overal waakt over mij en mij bij houdt.

„Liefde ,beitelt’ de harten, liefde loutert, pijn leidt tot vrede.

„0, mijn Jezus, aan welk lijden is uw klein slachtoffer onderhevig, moge zij U evenzeer beminnen als U haar Liefde schenkt . . . 0 Jezus, houd mij voor altijd bij U. Ik behoor U toe, schenk mij in alles geduld en vrede.”

Is het nodig dit gebed van commentaar te voorzien? Dit gebed dat zó aangrijpend is, zó evenwichtig, zó sereen? Wat moet men het meest bewonderen? De overgave van Marthe aan de wil van God, haar nederigheid of haar geloof?

Nog een lofzang op de schepping

Maar de afschuwelijke pijnen die haar lichaam en ziel in bloed doen baden, kunnen desondanks niet verhinderen dat zij met een gretigheid die iedereen wel moet verbijsteren, niet ophoudt de Heer te loven. Een voorbeeld daarvan geeft het volgende gedicht dat dateert van 22 juni 1931, en dat Marthe dus niet heeft geschreven in een met bloemenpracht getooide, groene weide onder een blauwe hemel . . . Nee, het is ontstaan tijdens haar zoveelste zware beproeving:

„Mijn God, ik zegen U in uw onmetelijke weldaden,

Om uw gaven, uw wonderdaden en alle blijken van goedheid; Om de schatten van liefde, vrede en hoop

Die vertrouwen uitstorten over mijn dagen van smart;

Heer, ik zegen U bij elke nieuwe dageraad

Om de goede en dierbare ouders die U me hebt gegeven, Om mijn broers, mijn zusjes, om mijn uitgebreide familie, Mijn dierbaar huis waar wij elkaar hebben liefgehad.

Heer, ik zegen U om de blijken van diepe en zuivere genegenheid Die uw onbegrensde liefde op mijn weg heeft gestrooid;

Mijn God, ik zegen U in al uw schepselen

wier ziel de glorie vormt van de Hemelse Hoven.

Heer, ik zegen U in de ganse schepping

Die uw naam verkondigt, uw glorie en uw grootheid; Om de onmetelijke blauwe hemel, de zachte bries,

En om de stralende zon die de bloemen doet ontluiken.

Heer, ik zegen U om de beproeving en om het leven,

Als ik vermoeid mijn schamele handen naar U uitstrek, En zachtjes prevel „Ik bemin u en ik bid U”

Neem mij met U, Heer, schenk mij die genade!”

Hier moeten wij het presenteren van de gebeden staken. Er zouden namelijk verscheidene boekdelen

nodig zijn wanneer men alles wat men uit Marthes biddende mond heeft kunnen optekenen, zou publiceren. Maar deze fragmenten verschaffen zeker voldoende materiaal om te begrijpen dat Marthe niet meer aan zichzelf toebehoort; ze laat zich nu leiden, ze wil slechts overgave aan God, in een vreugde die ons verlegen maakt en ons te boven gaat.

Marthe als zieneres

Marthes hoedanigheid als zieneres heeft niets te maken met de bedenksels van de beroeps helderzienden. Hetgeen Marthe ziet in visioenen blijkt geheel met de werkelijkheid overeen te komen. Dat verzekeren zij die de volgende teksten hebben gelezen en ze hebben vergeleken met het bijbelse landschap dat Marthe beschrijft zonder ooit in het Heilige Land te zijn geweest.

Vooral van belang is dat de tekst ons laat zien wat er in het hart van Marthe omgaat. Zij beschrijft slechts de plaatsen waar Jezus is geweest, omdat zij Hem graag letterlijk in zijn voetsporen wil volgen.

„Eerst het meer van Tiberias waar ik Hem zo dikwijls over de golven ben gevolgd. Daar blijft alles de stempel dragen van zijn wonderen en van zijn tedere goddelijke majesteit.

„Hier ligt Magdala, waar Maria Magdalena een hart door wereldse genoegens liet bed welmen. Een hart dat slechts verzadigd kon worden en tot rust komen aan de voeten van Jezus. Verder liggen Bethsaïda en Corozaïm, het eerste vaderland van Petrus en Andreas. In het oosten ligt de Jordaan die dwars door het meer van Tiberias heen loopt en dan aan alle wateren in de wereld de deugdzame werking doorgeeft die Jezus, het Lam Gods dat alle zonden van de wereld wegneemt, haar heeft geschonken. Deze oevers die Jezus honderden malen met zijn goddelijke voeten heeft betreden, die golven die Hij met één enkel woord tot bedaren wist te brengen, die eenzame bloemen die tussen ruïnes opschoten; die stenen en rotsen, lelietjes-van-dalen, die velden met het golvend graan waarop zijn ogen rustten, terwijl Hij de rondom Hem verzamelde menigten die ontroerende parabels voorlegde . . .”

Hoeveel bedevaartgangers die de oevers van het meer van Genezareth hebben bezocht zouden, na het aanhoren van de uitleg door bekwame gidsen, eenmaal in eigen land teruggekeerd, een beschrijving zoals Marthe die geeft, kunnen produceren? En dan nog op de manier van Marthe: bruisend van blijdschap?

De bladzijden van de schoolschriften waarin het verhaal over het Lijden van Christus staat vermeld, een verhaal dat Marthe zelf gezien en ook doorleefd heeft, zijn nog ontroerender, verzekert Vader Finet ons. Marthes hele wezen is zó doordrenkt van het Evangelie en ze is zozeer één geworden met de gekruisigde Christus, dat zij ook in zijn geheimen deelt. Zij levert details die in het Evangelie ontbreken, maar die onder meer door archeologen zijn bevestigd.

Marthe zegt ons ook dat Jezus zijn moeder heeft voorbereid

op het lijden dat Hij heeft moeten ondergaan. Wat de Eucharistie

betreft, merkt ze op dat het Lichaam van Christus naar het eerste

gebod verwijst en de totale toewijding van Jezus aan de wil van

zijn Vader uitdrukt. Terzelfder tijd drukt het Lichaam van

Christus op concrete wijze het tweede gebod uit: het liefhebben

van en het delen met degenen die ons omringen.

Als Marthe het heeft over Jezus die de berg van Calvarie

bestijgt, schildert zij Hem af als „een doek die als het ware gedrenkt is in een kuip vol bloed”. En wel zó dat het die heiden van een Pilatus de rillingen van afschuw bezorgde. Zij schildert de kerker van Caïphas (tegenwoordig Sint-Petrus van Gallicante) waar, volgens Marthe, Jezus veel heeft geleden. Ook
beschrijft zij de kruisiging, niet als een literator, maar, laten we het woord onderstrepen, als een profeet: zij zegt wat ze ziet.

Maagdenwijding

Zij zou nooit zo precies gesproken hebben over deze opoffering van Jezus, indien zij zich niet mét Hem had geofferd. Alsof haar toewijding van 1925 nog niet genoeg was, alsof merktekenen in
haar lichaam van de Gekruisigde nog niet in voldoende mate op haar overgave wezen, aan de wil van God, ontving Marthe in 1930 de „Maagdenwijding” onder leiding van pater Marie Bernard ‘5.
Dit feit hield tot op zekere hoogte de officiële erkenning door de Kerk in van de toewijding van Marthe in 1925. Welnu, ter gelegenheid van dit afsterven aan zichzelf, van deze opoffering,
wilde Marthe een met borduurwerk versierde nachtjapon dragen en een sluier op haar hoofd. Ze was zo mooi als een communicantje en ze ging er zelfs mee akkoord gefotografeerd te worden. Die periode van de „Maagdenwijding” drukt, lijkt ons, bijzonder expressief de hele houding uit van Marthe, verankerd als ze is in het Kruis en de Vreugde.
Nu Marthe zich zo volledig en vreugdevol ter beschikking stelt, kan het Koninkrijk eindelijk functioneren.

Wie het hele boek wil lezen, kan het hier bestellen.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x