Hoofdstuk 8 – De tekenen van de Gekruisigde

Hoofdstuk 8

De tekenen van de Gekruisigde

„De doornen die zij tot een band hadden gevlochten werd een bloedige kroon om zijn hoofd.
Zij hebben Hem gehoond, uitgejouwd . . . Wie zou dan kunnen slapen?”
Liturgie)

Het is krankzinnig, we realiseren het ons al een beetje, te bedenken hoezeer Marthe heeft moeten lijden sinds haar toewijding (15 oktober 1925) en vooral vanaf het jaar daarop. Zelfs als men gelooft, zelfs als men van mening is dat het lijden „een grote leermeester” is, zoals Marthe ons toch voorhoudt, blijft het lijden toch altijd iets dat je zowel lichamelijk als geestelijk vermorzelt. Gedurende deze jaren van 1926 tot 1930, mag Marthe wel vreugdevolle beschóuwingen koesteren, maar ze wordt niettemin zo vermorzeld als een graankorrel door een molensteen. Door het lijden, van Christus met Hem te delen, haalt ze ook de doodsangst op zich van Hem die als het ware bloedklonters zweette in de Hof van Olijven.

„Mijn ziel is leeg en stuurloos: het is nacht in mij”

Dit is echter des te moeilijker te begrijpen, omdat Marthe zich weinig uitlaat over haar zielenleven. Toch kan men zich een redelijk beeld vormen over haar diep beleefd lijden aan de hand van het schaarse aantal brieven dat zij aan haar vriendinnen heeft gedicteerd. In een brief aan zuster Marie-Térèse, bijvoorbeeld, die in de vastentijd van 1930 geschreven moet zijn, zegt ze met veel fijngevoeligheid: „Ik hoop, dierbare zuster, dat ik niet te indiscreet ben nu ik mij in deze heilige tijd van boetvaardigheid tot u richt . . .” Zij zendt haar een mis-novene, die zij aan de rector moet geven, en besluit haar brief: „Bid voor mij opdat ik, meer dan ooit, in staat ben te lijden tot redding van de zielen, te lijden opdat Jezus wordt bemind.” Zij ondertekent met: „ Uw arme kleine vriendin.

Paaszaterdag, 19 april 1930, slaakt Marthe een gil die klinkt als de echo van de jammerklacht van Christus aan het Kruis. „Alles wankelt (verzucht ze in een vurig gebed, dat haar secretaresse heeft opgetekend). Mijn ziel is gans leeg en troosteloos . . . Laat U uw kleine slachtoffer in kwelling ondergaan? Zend mij toch een zwakke straal van uw Licht, laat een zwakke vonk in mijn kleine ziel ontspringen om mijn moed nieuwe kracht te geven. Verlaat mij niet, o Jezus, want binnen in mij is het nacht.”

Vervolgens vermant Marthe zich en verklaart:

„Ik wil niet sterven om bevrijd te zijn van de strijd, van het lijden. Nee! Nee! Het is de eeuwigheid die mij in haar ban heeft, het is Jezus die mij zijn armen reikt, het is het hemels vaderland dat ik heb geproefd, dat ik verlang.”

Marthe wordt dus niet aangetrokken door een vlucht terug, omdat zij niet meer kon. Nee, integendeel juist. Marthe zucht in de nacht zoals een zieke ongeduldig wacht op het eerste daglicht.

Deze mystieke nacht is ook die van Sint-Jan van het Kruis. Hoe meer de mysticus de nabijheid van God gewaar wordt, hoe bewuster hij wordt van zijn eigen nietigheid. Met als gevolg dat het hem onmogelijk lijkt God aan te raken. „Had de ziel ook maar een flauw vermoeden van Gods verhevenheid en schoonheid, zegt Sint-Jan van het Kruis, dan zou zij niet slechts éénmaal willen sterven om ze voor altijd te zien, zoals ze hier doet; nee, zij zou vol vreugde duizendmaal de wreedste dood willen ondergaan om ze slechts één moment te zien.”‘

„Alles in mij baadt in bloed”, vervolgt Marthe, „maar ik aanvaard hartstochtelijk mijn bedevaart te vervolgen . . . 0! Ik zou mijn martelaarschap nog niet voor alle vreugden en rijkdom van de wereld willen ruilen. Ik heb slechts één verlangen: de zielen redden door God steeds meer lief te hebben.”

Bid, „opdat de mensen niet merken hoezeer ik lijd”

„Alles in mij baadt in bloed.” Deze woorden treft men ook aan in een andere brief die zij op 14 mei 1930 schrijft aan de claris in Vals-les-Bains. Esther, de vrijwillige secretaresse van Marthe, is een zusje van deze claris. Bovendien is Marthe erg vertrouwelijk met haar. Zonder twijfel dacht ze aan vroeger tijden, waarin ze eens had overwogen zelf karmelietes te worden, toen ze zei: „Ik ben zeer nauw met u verbonden, dag en nacht. Wat ben ik gelukkig dat u zo goed bent mij te accepteren als metgezellin gedurende de metten. Ik hoop dat de eerwaarde moeder de aanwezigheid van deze nieuwe, kleine duif in haar vrolijke duiventil wil verdragen. Ik voel mij erg klein, maar ik zal me nog kleiner maken om niet verjaagd te worden.”

Zij voegt er aan toe: „Ik smeek u, zuster Marie-Térèse, te bidden dat ze niet merken hoezeer ik lijd, noch mijn familie, noch de mensen uit mijn omgeving; ik vraag deze genade dagelijks aan de Heilige Maagd en, opdat zij mij blijft verhoren, bid ik u haar deze genade samen met mij af te smeken.”

Op een dag, vóór het vertrek van haar vriendin uit Châteauneuf naar het klooster in Vals-les-Bains, vertrouwde Marthe haar toe: „Het vuur verteert mij; het is alsof ik word ondergedompeld in een grote kuip met kokend water.”

„Gekwetst” geen karmelietes te kunnen worden

Dan vertelt ze aan zuster Marie-Térèse dat een andere jonge vrouw uit Châteauneuf, Denise Chancrin, het kleed van de clarissen zal aannemen in het klooster van Crest, onder de naam zuster Marie-Saint-Jean. Marthe deelt in haar vreugde, maar zegt: „ Weet u dat wij, Esther en ik, nu flink „gekwetst” zijn?

Toen onze kleine Denise eind november afscheid van mij nam, en ik haar zei haar een bezoek te brengen vanuit de hemel, beloofde ik dit niet voor de dag van haar inkleding, maar dat dit voor iets later zou zijn. En toen ik haar dat zei, had ik toch een beetje hoop dat onze Welbeminde mij vóór die tijd zou komen halen . . .”, maar „ik ben nog altijd op deze koude aarde waar alles mij zozeer verstikt, en naar welke kant ik mij ook wend, ik baad steeds in bloed. Maar dit alles is toch voor de liefde en tot de grootste verheerlijking van God, voor de zielen, voor de parochie, voor ons nobel Frankrijk, voor de zielen van onze priesters.

„Wat prachtig, nietwaar zuster, ons priesterschap, dat wij in het duister en in stilte vervullen, verborgen zoals Jezus-Hostie.”

Deze keer ondertekent Marthe met: „ Uw kleine zuster in Sint-Franciscus.” Ze maakt immers deel uit van de derde orde van de kapucijnen.

„Wil je zijn zoals Ik?”

Eind september 1930 verschijnt Jezus aan Marthe en zegt haar: „Wil je zijn zoals Ik?”
Hoe kan ze weigeren, zij die de acte van overgave en offerande had gedaan aan de liefde van God?

„Ziehier uw dienstmaagd!” Het ligt voor de hand te denken dat dit antwoord van Maria automatisch over Marthes lippen kwam. Maar, evenals de Heilige Maagd, kon Marthe niet voorzien wat er met haar zou gebeuren.

In het begin van oktober (misschien 4 oktober, op het feest van Sint Franciscus, de gestigmatiseerde heilige), verschijnt de gekruisigde Jezus opnieuw aan Marthe. Hij nam haar twee verlamde armen die sinds 2 februari 1929 stijf en bewegingloos waren, en spreidde ze uit. Op dat moment flitste een vuurstraal uit de hartstreek van Jezus, splitste zich in twee vuurpijlen die beide handen van Marthe doorboorden en haar beide voeten; een derde vuurpijl trof Marthe recht in het hart. Toen begonnen haar handen, voeten en hart te bloeden.

Later – het is niet bekend of dat dezelfde dag plaatsvond plaatste Jezus zijn doornenkroon op het hoofd van Marthe. Diep gewond tot aan de oogballen bloedde zij hevig . . . Deze kroon liet paars-rode vlekken achter op haar voorhoofd, die overigens enkele maanden later (op verzoek van Marthe zelf, uit nederigheid) geheel waren verdwenen.

En tijdens een laatste ingreep door Jezus, wordt Marthe beladen met het kruis. Toen voelde Marthe zich volledig ontwricht. Dit belasten van Marthe met het loodzware kruis verwijst naar de profetische klacht van de psalmdichter: „Zij hebben al mijn beenderen ontwricht.”

Toen haar ouders hun dochter zo vol bloedende wonden aantroffen, waren zij onthutst en geheel in de war. Volgens Marthe begreep haar moeder dat „deze toestand een ingreep van God was en dat haar kind de goddelijke wil had aanvaard”. Toch waarschuwden de Robins dokter Aristide Sallier in St-Uze. Maar zijn medicijnenstudie had hem maar al te duidelijk nooit geleerd hoe een dergelijk ziekteverschijnsel aan te pakken. Onmiddellijk bij zijn aankomst wilde hij zijn patiënte laten drinken. Onmogelijk. De vloeistof kwam er door haar neus weer uit. De dokter was verslagen. Op een dag geeft hij in een vertrouwelijk gesprek met Marthe toe dat zijn beroep „in deze gevallen tekort schiet”, en hij vraagt haar: „Juffrouw, bid voor mij!”

De vrijdag die op haar stigmatisatie volgde, begon Marthe de Passie van Jezus te beleven.

De mensen uit de omstreken komen om te bidden op La Plaine

Het nieuws rond deze gebeurtenis verspreidt zich al spoedig in
de wijde omtrek en weldra gaan steeds meer vrouwen de weg op
naar La Plaine — zoals men ook de weg naar Jeruzalem opgaat –
om Marthe te ontmoeten en samen met haar te bidden, zich door
haar, de tussenpersoon, te verenigen met de Passie van Christus.

Abbé Faure zelf en abbé Perrier nemen als eersten de leiding
in handen van de bezoeken aan La Plaine. Ook de kinderen van
de parochie komen bij Marthe op bezoek. Een bejaarde vrouw
uit Châteauneuf vertelt dat zij in die periode deel uitmaakte van
het patronaat dat werd geleid door de zusters van Sint-Jozef van
Rochetaillée en dat abbé Faure met al zijn kleine parochiaantjes
meeging naar Marthe. „Wij gingen er verscheidene keren per
jaar heen, meisjes en jongens. De jongens waren nog heel klein.
Ik weet nog goed dat moeder Robin ons heel hartelijk ontving.
Zij was een mollige vrouw die gemakkelijk lachte. Wij gingen de
kamer binnen die rechts van de keuken ligt. Eens vertelde
Marthe ons van Sint Theresia van het Kind Jezus. Zij had een
schilderij waar ze op stond en die ik terugzag in de kamer waar
Marthe was gestorven.”

Een andere vrouw uit Châteauneuf vertelt dat moeder Robin
Marthe vroeg: „Ben je niet moe, liefje, door al die bezoeken?”
Het verbaasde mevrouw Robin dat er zoveel mensen bij Marthe
kwamen. De vader van Marthe en haar broer Henri werd het
echter te veel en zeiden af en toe tegen de bezoekers: „Laat haar toch met rust!”
In ieder geval liep een en ander uit de hand met het gevolg dat
zij die Marthe wilden zien, vanaf 1931 of 1932 de toestemming
aan pastoor Faure moesten vragen. Waarom aan hem? Omdat
het eenvoudig te pijnlijk zou zijn voor de familie Robin bezoekers
de toegang tot het huis te weigeren.

Voortaan moest de bezoeker van Marthe een ritueel ondergaan: hij moest zijn beurt afwachten in de keuken in gezelschap van de moeder van Marthe, wier geduld iedereen opviel. Als men eindelijk naar binnen mocht, sprak men wat met Marthe, gaf haar wat men had meegebracht, maar geen sinaasappelen, die men gewoonlijk voor een zieke meebrengt — Marthe at en dronk immers niet — maar allerlei andere dingen die Marthe daarna met veel plezier naar de armen en de missionarissen liet sturen. Daar moet men ook de oorsprong zoeken van wat de retraitanten in Châteauneuf „het mandje van Marthe” noemen. Een mevrouw uit St-Uzel°, die enige tijd in het huis van Marthe had verbleven, herinnert zich de eerste pakjes die zij op verzoek van Marthe had gemaakt. Deze vrouw schreef ook de brieven die Marthe haar dicteerde. Soms vroeg Marthe haar haar lippen wat te bevochtigen.

Een andere vrouw geeft haar getuigenis weer van haar bezoek dat tussen 1930 en 1931 plaatsvond:

„Haar moeder kondigde haar mijn bezoek aan.”

— Waarom hebt u me teruggeroepen? Het was zo mooi daarboven! antwoordde Marthe.

„Toen sprak ze met mij, zonder enige zinspeling te maken op wat er even tevoren was gebeurd. Ik durfde haar echter geen vragen te stellen. Hoewel het vertrek in halve duisternis was gedompeld, kon ik toch duidelijk de geronnen bloeddruppels op haar voorhoofd onderscheiden. Deze aanblik toonde ze ook op haar doodsbed. Tegen het einde van mijn bezoek heb ik met haar een tientje van de rozenkrans gebeden.””

Een nieuwe mijlpaal in haar leven

Onmiddellijk na haar verblijf in Saint-Péray, in de jaren 1923-1925, hadden wij een rijpingsproces bij Marthe waargenomen. In het jaar 1930 bereikt Marthe een nieuwe mijlpaal in haar leven.

„Dit is nu het einde van het jaar 1930”, zegt ze op de avond van 31 december. „Heel mijn wezen heeft een verandering ondergaan die even mysterieus als ingrijpend is. Het was een jaar van beproevingen, van smarten. Een jaar van genadegaven, van liefde. Het geluk dat ik nu op mijn ziekbed ervaar is diep en duurzaam, want het is goddelijk . . . Ik denk aan de weg die ik heb afgelegd sinds het begin van mijn ziekte: uit deze gedachte vloeit alleen maar Liefde voort, dankbaarheid jegens God die zo barmhartig is en zo goed. Wat een onderneming! Welk een opgang heeft God in mij teweeggebracht! Maar hoe talrijk zijn de stuiptrekkingen van het hart, hoe intens de doodsstrijd van de wil, die moeten leiden tot een sterven aan zichzelf.”

Een passie die elke week terugkomt . . .

Het steeds groeiende aantal bezoekers, de heerlijkheid Gods die Marthe bij momenten ondervond („Het was zó mooi, daarboven”) moeten niet doen vergeten dat Marthe zonder ophouden elke dag leed. En de pijn werd steeds intenser. Tot in 1981. Het kost ons erg veel moeite ons voor te stellen dat dit calvarie vijftig jaar heeft geduurd.

Marthes lichaam is een en al pijn. En als ze verschoond wordt, moet men met de uiterste voorzichtigheid te werk gaan. Moeder Robin en de buurvrouw, mevrouw Ferdinand Robin (die haar komt helpen) zijn zich er wel degelijk van bewust dat ze Marthe daarbij, zonder het te willen, vreselijk veel pijn doen. Marthes lijden staat ook in verband met het feit dat zij niet kan eten, noch kan drinken. Niet omdat zij daaromtrent een gelofte zou hebben afgelegd, zoals hier en daar wordt beweerd, maar omdat zij niet in staat is om te slikken. Het enige dat zij tot zich kan nemen is de Eucharistie. Vijftig jaar lang heeft Marthe geleefd op de Eucharistie.

Ook in haar hart lijdt Marthe als zij ziet dat haar ouders niets voor haar kunnen doen en daarover veel verdriet hebben.

Vooral haar ziel lijdt veel pijn door de afschuwelijke zonden in de wereld en omdat de Liefde hier op aarde niet is geliefd. En dit geestelijk leed bereikt elke vrijdag zijn hoogtepunt, als Marthe opnieuw de kruisiging beleeft, en dat gedurende vele jaren; bovendien herbeleeft ze iedere donderdagavond de doodsstrijd van Jezus Christus. „Hij wil graag zijn doodsstrijd in mij herbeleven, tot aan de laatste zucht. Maar ook de afdaling naar de hel en zelfs zijn verrijzenis uit de dood wil Hij opnieuw in mij doorstaan, ofschoon ik aan het kruishout blijf om dit leven van gekruisigde voort te zetten, dat Hij voor mij wil; dat Hij ook van mij wil voor zijn heerlijkheid en de verlossing van de zielen over de hele wereld.”

Vader Finet vertelde meermalen de volgende ontroerende dialoog tussen Marthe en hem, die voor het begin van de doodsstrijd plaatsvond:

? Vader, u weet toch zeker dat het vandaag donderdag is?
? Ja, kind.
? Weet u, Vader, dat vanavond . . .
? Ja, kind.
? Vader, ik zal het niet kunnen.
? Natuurlijk wel, kind.

En Marthe voelde, naarmate de donderdag verstreek, dat de weerzinwekkende pijnen van de Passie haar steeds meer in bezit namen. Dan bond zij de strijd aan met de losgebroken hel, met de duivel die haar hoofd tegen een naast haar bed staand meubelstuk sloeg. En Marthe schreide tranen van bloed.

Samen met Christus van Gethsemane, droeg zij de zondelast van de wereld. Zij werd erdoor verpletterd, het joeg haar schrik aan; zij werd zélf zonde. Soms vertelde zij vader Finet: „Komt u niet dichterbij, anders bevuil ik u.” Zij kreunde en steunde en er leek geen einde aan te komen.

Marthe was aan het bidden. Zij bad niet meer tot Jezus, zij was immers op dat ogenblik één met Jezus, innig met Hem verenigd. Nee, ze bad tot God de Vader. Zij maakte de indruk Jezus zelf te zijn die in doodsangst bad in de Hof van Olijven. Men hoorde haar verzuchten: „Laat deze beker mij voorbijgaan.” Maar ook: „Uw wil geschiede, Vader!”

De gruwelijke kwellingen gingen de hele nacht van donderdag op vrijdag onafgebroken door en ook nog het grootste deel van die vrijdag. Marthe maakte weer alles van de Passie door, tot in de kleinste details. En deze Passie, dit verschrikkelijk Lijden, eindigde iedere vrijdagavond, op verschillende tijden weliswaar, met de woorden die zowel het vertrouwen als de vrede in God uitdrukt: „ Vader, in uw handen beveel ik mijn geest.” Dan slaakte ze een diepe zucht en haar hoofd viel naar links, achterwaarts. Het was afgelopen. Men dacht dat ze dood was, maar zij was in extase.

De zaterdag kwam ze dan weer uit de extase, of ook wel de volgende dag, zondag. In de laatste jaren van haar leven pas op maandag, en dán zelfs in de late namiddag.

Medisch rapport

Er zijn ooggetuigen genoeg die Marthe voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog hebben gezien toen zij in doodsstrijd verkeerde of in extase ging. Abbé Perrier heeft eens het met bloed bedekte voorhoofd van Marthe met een zakdoek afgewist. Deze zakdoek heeft de familie Sassoulas in St-Uze in haar bezit en bewaart die als een kostbaar relikwie. „Ik zag haar bloed uit haar ogen stromen”, vertelde mij een vroegere onderwijzeres uit St-Uzeu, een van de vele getuigen, om maar niet te spreken van al die ooggetuigen van de Foyer de Charité zelf.

Maar de belangrijkheid van het grote aantal getuige-verklaringen wordt in de schaduw gesteld door een zeer opzienbarend medisch rapport van 25 bladzijden, dat naar het bisdom van

Valence en naar Rome is gestuurd. Het bewuste rapport waar monseigneur Pic om had verzocht is door drie bijzonder bekwame artsen uit Lyon opgesteld: dr. Bansillon, professor aan de faculteit der geneeskunde in Lyon; professor dr. Ricard, chirurg, en dr. Dechaume, geneesheer-directeur van de kliniek voor neuro-psychiatrie, eveneens in Lyon. Het is te wensen dat men spoedig inzage krijgt in dit rapport.

Monseigneur Marchand, de huidige bisschop van Valence, had inmiddels om een tweede medisch onderzoek van Marthe verzocht, dat in de lente van 1981 had moeten plaatsvinden. Maar onze Marthe overleed in februari van datzelfde jaar.

Dit alles toont toch dat de Kerk, bij monde van haar verantwoordelijken, de stigmatisatie-affaire van Dróme ernstig heeft opgevat.

Laten wij er nog iets aan toevoegen. Een neuroloog in Parijs, dr. Allain Assailly, vertelt 13 dat hij met veel moeite had getracht Marthe Robin over te halen zich voor een of twee maanden in een kliniek te laten opnemen. Dan kon hij op zijn beurt „zijn collega’s overtuigen van de werkelijkheid van de buitengewone verschijnselen” bij Marthe. „Deze soort getuigenis kan heel goed deel uitmaken van uw zending”, zei de arts. Na een stilte, antwoordde Marthe: „Dokter, ik heb slechts één regel, die van de gehoorzaamheid. Laat dus mijn biechtvader, mijn bisschop of de Heilige Vader in Rome besluiten over mijn opname. Ik zal mij onmiddellijk bij hun besluit neerleggen. Maar gelooft u werkelijk dat het probleem inderdaad dáár ligt?”

Marthe stelde de juiste vraag. Hoe nuttig namelijk medische rapporten ook mogen zijn om elke mogelijke illusie uit de weg te ruimen, zij dreigen het belangrijkste, het essentiële te doen vergeten: de diepe betekenis van het smartelijk lijden van Marthe. Noch riintgenfoto’s, noch een uitgebreid medisch onderzoek in welke kliniek of ziekenhuis dan ook, zijn in staat een Liefdesmysterie aan het licht te brengen.

De betekenis van het lijden van Marthe: zich vereenzelvigen met Hem die zij liefheeft in Zijn zending van verlossing

Laten wij dus trachten te begrijpen wat de arts, in zijn hoedanigheid, niet kan zien.

Jezus, Zoon van God, is mens geworden. Hij is te midden van de mensen gekomen, Hij heeft hen liefgehad. Maar terwijl Hij het leven deelde met hen die Hij als vrije mensen had geschapen, nam Hij het risico dat zij Zijn liefde zouden weigeren, het risico van hun boosaardigheid, hun razernij. Liefhebben is zich kwetsbaar opstellen, zich blootstellen aan lijden. Daarom wordt Christus, die arm in een koude grot werd geboren, aan het eind van zijn korte leven gearresteerd, bespot, verwond en op een kruis de dood in geslagen; geheel verstoten door de mensen. Jezus Christus heeft het kruis niet gezocht uit liefde voor het kruis. Hij heeft willen liefhebben, en de liefde, voor een zondige mensheid, gaat via het kruis.

Alle leerlingen van Jezus die werkelijk in Hem geloven, volgen Hem langs dezelfde weg. Zij volgen Christus na in hun binnenste: zij willen alles delen, zoals Hij, goed zijn, dienen. En dit brengt hen eveneens aan het kruis. Als men tracht te beminnen, is het alsof de hel op je wordt losgelaten, zich woedend op je werpt om je op welke manier dan ook leed en laster te bezorgen. Men hoeft het boek „Job” er maar op na te slaan: „God zegt tegen Satan: Heb je ook gelet op Job, mijn dienaar? Op aarde is er geen tweede zoals hij! . . . Satan gaf ten antwoord: ,Dat is hem zijn huid wel waard! Want alles wat een mens bezit geeft hij graag in ruil voor zijn leven. Maar pak hem eens aan, tref hem in zijn gezondheid: wedden dat hij U vloekt in uw gezicht.’ Toen zei Jahwe tegen Satan: ,Goed ”

Wanneer men namelijk liefheeft, wordt het hart onvermijdelijk getroffen door lijden — en soms ook het lichaam. Dat is wat de Satan bedoelt met zijn weddenschap. Wij vechten niet alleen tegen het vlees en het bloed, maar ook tegen de Machten der duisternis, zoals het Evangelie dat zegt en Sint Paulus. Onze martelaren kunnen daar heel wat over vertellen. Hoe intenser men liefheeft, des te meer men verlangt Gods wil te doen, des te groter ook de kans te moeten lijden.

God heeft enkelen van zijn volgelingen uitverkoren hetzelfde lijden in hun lichaam te ervaren als Christus zelf heeft moeten ondergaan. Dit is bijvoorbeeld bij Sint Franciscus van Assisi het geval, bij Catharina van Siëna en, in onze eeuw, bij Therese Neumann en Marthe Robin. „Ik kan de liefde niet bevatten zonder de dringende behoefte tot navolging,” zei Charles de Foucauld. „Wil je zijn zoals Ik?” zei Jezus tot Marthe Robin. Marthe stelde zich niet tevreden met alleen maar naar de gekruisigde Christus te kijken. Integendeel. Zij heeft mét Hem geleden,zij heeft Zijn Lijden met Hem gedeeld. Zij heeft letterlijk in haar lichaam aangevuld hetgeen aan het Lijden van Christus ontbrak voor zijn Lichaam dat de Kerk is.

Marthe, die haar martelaarschap onderging en dit als offer aan God bracht, wijst ons erop door haar voorbeeld dat het het gehele Lichaam is dat gekruisigd moet worden: het Hoofd (Christus) en de ledematen (de Kerk). Natuurlijk, niet iedereen ontvangt de wonden van de Gekruisigde, de stigmata, maar niettemin hebben wij allen ons kruis te dragen. „Elk bestaan is een Calvarie,” zei Marthe Robin, „en elke ziel is een Gethsemane waar elkeen in stilte de kelk van zijn eigen leven moet leegdrinken.”

Dit is de boodschap van Marthe Robin.

„In een tijd waarin de onverschilligheid steeds meer terrein won in de wereld, was het uw wil, Heer, om, met het doel het vuur van uw liefde in onze harten aan te wakkeren, de stigmata van uw Passie in het lichaam van Sint Franciscus van Assisië te merken. Verleen genadig dat wij het kruis gestadig mogen dragen en waardige vruchten van bekering voortbrengen”.
Gebed uit het Romeins missaal voor het vroegere feest van de H. Kruiswonden van de H. Franciscus van Assisië.

Wie het hele boek wil lezen, kan het hier bestellen.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x