Hoofdstuk 7 – “Kijk, dit is mijn arme kleintje”

Hoofdstuk 7

“Kijk, dit is mijn arme kleintje”

„Ik bezweer u: maak van uw lichaam een levende hostie, heilig en aangenaam aan God” (Sint-Paulus).

Opnieuw een ernstige ziekte

Nauwelijks een jaar nadat zij haar acte van overgave aan de wil van God had opgesteld, wordt Marthe opnieuw ernstig ziek. Het is nu 3 oktober 1926, de dag van de eerste viering van het feest van de heilige Theresia van Lisieux, die een jaar eerder heilig is verklaard.

Dokter Aristide Sallier uit Saint-Uze — God weet hoeveel artsen zij in haar leven heeft gekend! — arriveert op La Plaine en treft Marthe in een coma-toestand aan. „Hier helpt niets meer” zegt hij, zeker van zichzelf. Pastoor Faure blijft niets anders over dan zich bij de mening van de dokter aan te sluiten, om haar, die hij „zijn parochiaantje” noemt, het sacrament der zieken toe te dienen. Dat is de tweede keer dat Marthe dit sacrament ontvangt. Men verwacht nu elke dag dat Marthe zal sterven. Ze blijft drie weken in coma.

Verschijningen van de heilige Theresia van Lisieux

Maar terwijl het dodenmasker reeds haar gelaat begon te tekenen, verscheen de heilige Theresia van het Kind Jezus driemaal aan Marthe. De karmelietes van Lisieux zei haar dat ze nog niet zou sterven, maar dat zij zou genezen en dat zij geroepen is haar, Theresia’s zendingswerk, in de hele wereld voort te zetten. Marthe vertelde dit aan Vader Finet. Soms zei ze lachend als ze het met Vader Finet had over deze onthulling door de heilige Theresia: „O, die deugniet, ze heeft me met alles opgezadeld!” Deze vrolijke, guitige opmerkingen te midden van haar lijden en haar mystiek beleven, zijn het beste bewijs voor Marthes gezonde geestestoestand.

„Ik denk dat ik niet méér ben dan een heel nietig wezentje in de armen van God en dat ik in die hoedanigheid blijf tot mijn dood”

Na haar dood heeft men bladzijden uit een schoolschrift gevonden waarop Marthe de pijnen beschrijft die zij in de loop van de eerste maanden van 1927 moet doorstaan.

„Ik voel me al een paar dagen iets beter en ik kan zelfs een groot deel van de dag buiten mijn bed doorbrengen. Maar ik ben niet in staat te denken, mij op iets toe te leggen, of enige handenarbeid te verrichten. Tevens is het mij onmogelijk ook maar de minste beweging te maken zonder de hulp van mijn zeer toegewijde moeder, hoewel ik nog steeds, al is het maar gedeeltelijk, mijn armen en handen kan gebruiken, ofschoon deze laatste erg „links” zijn geworden. Maar hoezeer toch dank ik de Goede God voor alles wat Hij mij schenkt en in het bijzonder dat Hij mij het gebruik van mijn handen laat, tot troost van mijn lieve ouders, omdat ik daarmee nog van enig nut voor hen kan zijn met licht werk.

„O! Moge ik nooit meer mijn handen gebruiken dan met Hem en voor Hem Alleen! Niettemin voel ik mij zowel lichamelijk als geestelijk verbrijzeld. Alles beangstigt en verplettert mij . . . Ik kan niet meer reageren: Fiat! . . . Maar ik concentreer me erg lang, veel te lang op mijn arme ik. Het zou toch beter zijn, lijkt mij, meer aandacht te schenken aan alles wat God elk ogenblik tot stand brengt in mijn ziel en ten gunste van mijn ziel.

„. . . Mijn ziel is geheel verloren in en als het ware meegevoerd naar dat Jeruzalem van Liefde, door de onweerstaanbare kracht

en inspiraties van God zelf, die, bij momenten, mij geheel in Zich schijnt te willen opnemen. Dit alles jaagt mij vrees aan! . . . Geestelijk en moreel ben ik zô alleen, maar toch voel ik dat ik mij, zonder terughoudendheid, geheel en al aan Hem moet geven. Fiat! Ik voel zo vaak de behoefte dit woord Fiat uit te spreken. Het verenigt mij met Jezus en met Maria, Mijn Welbeminde Mamma en het verteert mijn offergave geheel.
„Ik geloof dat ik niet méér ben dan een heel nietig wezentje in de armen van God en dat ik in deze hoedanigheid blijf tot mijn dood . . . Ik weet niet wat Hij met mij aanwil, maar ik wil álles. Alles wat van God komt is goed en alles wat Hij maar van ons verlangt. Ja, mij is alles goed . . . Alles is dierbaar en lieflijk voor mijn ziel, in de hoogste mate, omdat Hij dat zo wil, Hij die alles leidt. Ik zoek mijn toevlucht in zijn Hart, verenigd met Maria, mijn Moeder die ik zozeer bemin; ik verlaat het nooit meer . . . Ik weet dat Hij mij er niet zal verjagen”. (2 maart 1927)

Twee weken later schrijft ze verder:

„Ik ervaar hoe zoet het is te beminnen, zelfs tijdens het lijden en ik zou willen zeggen: voorál tijdens het lijden. Want het lijden is onvergelijkelijk als leerschool van de ware liefde . . . Het lijden is de levende taal van de Liefde en de grote leermeester van het menselijk geslacht. De mens kan leren lief te hebben, maar hij kan niet werkelijk liefhebben dan in het lijden en door het lijden. De zuivere liefde kan immers nooit gevonden worden in de genietingen die het aardse bestaan de sterveling biedt, maar in de onthechting en de zelfverloochening en op het Kruis.

„Een hart dat niet door de pijn met bloedige wonden is gekerfd, kan niet vrijelijk de levendmakende en heiligende lucht inademen die van de allerhoogste sferen, en van de Hemel komt. Elke doorleefde smart betekent weer een schrede opwaarts. Je moet alles overwinnen om opwaarts te gaan, ook jezelf, zonder ophouden . . . Het is álles geven, álles opofferen voor God en uit liefde.” (17 maart 1927)

„Ik baad in dankzeggingen!”

Het lijden van Marthe gaat langzamerhand over in paalvreugde:

„Alleluia! Alleluia! Eindelijk kan ik Hem beminnen met heel mijn hart, Hem liefhebben zonder ophouden, Hem, mijn Heer en mijn God, werkelijk tegenwoordig en levend in mij! Ik vrees nu al zijn liefdevolle genadegaven niet meer, al de bewijzen van zijn Liefde waarmee Hij mij de laatste tijd overstelpt.

„Ik baad in dankzeggingen en in de Liefde van de echte kinderen van God. Mijn smarten, mijn vrees, zelfs mijn zwakheden, de onmacht niets meer te kunnen uitrichten, dit alles is verdwenen of is nu gemakkelijk te dragen, sinds ik het onuitsprekelijk geluk heb ondervonden de communie te ontvangen in de nabijheid van mijn beminde Mamma die bij mijn communie tegenwoordig was”. (2 mei 1927)

Het gaat wat beter met Marthe en ze kan weer in haar fauteuil gaan zitten. Gewoontegetrouw borduurt en bidt ze. Spoedig echter zal ze opnieuw, weliswaar in zittende houding, in bed moeten blijven. „In juli 1927″, vertelt een van haar vriendinnen, mevrouw Boulord, die Marthe al vanaf haar kinderjaren kent, „ben ik haar gaan opzoeken, omdat ik van een ziekte was genezen. Marthe en ik waren beiden ziek en we hadden met elkaar afgesproken dat de eerste die van ons beter zou zijn de andere moest bezoeken. Marthe was verlamd, maar ze ging toch door met haar borduurwerk.”

Op 1 oktober 1927 verschijnt de heilige Theresia weer aan Marthe. ‘Lou Marthe troost en steun nodig hebben? In ieder geval eet zij niets dan wat zuurtjes die haar bezoek haar aanbiedt.

Opnieuw wordt Marthe door verlamming getroffen. Ze eet en slaapt niet meer.

25 maart 1928: Marthes benen zijn nu volledig verlamd. Zij zal haar verdere leven het bed niet meer verlaten. Ze ligt in een kamer naast de keuken, waarvan het raam op het erf uitziet. Haar lichaam is geheel kromgetrokken.

Deze houding is bijzonder onaangenaam en zij schrijft op 2 juli 1928 aan haar nicht, mevrouw Caillet (dit is waarschijnlijk een van de laatste brieven die zij zelf heeft geschreven) met het verzoek een divan van 600 frank voor haar te kopen. „Ik zou graag willen dat de rug van de divan 45 tot 50 cm hoog is in verband met de slechte toestand van mijn nieren; breedte 90 cm of anders 80 als er geen van 90 cm te krijgen is. Maar in geen geval smaller, vooral wegens mijn opgevouwen benen. Dit heb ik nodig . . . Ik wil ook dat er vier wieltjes onder de divan komen . . .” De divan moet een paar dagen of een paar weken daarna op La Plaine zijn afgeleverd en zou daar in Marthes kamertje blijven tot haar dood.

Alsof deze verlamming nog niet voldoende is voor haar lijdensweg, neemt Marthe nu ook geen voedsel meer tot zich. Dit buitengewoon merkwaardige verschijnsel, dat voor velen ongelooflijk is, maar dat men ook bij andere mystici aantreft: christenen, hindoes of moslims, heet inedie. Van 1928 tot 1981, het jaar van haar overlijden, heeft Marthe niets anders tot zich genomen dan de Hostie die ze een of tweemaal per week ontving.

De Hostie verdween overigens als „weggehapt” in haar lichaam zonder één slikbeweging. Marthe was niet in staat iets anders tot zich te nemen. In het begin van dat jaar 1928, kon Marthe al niet meer de koffie die haar moeder voor haar gebracht had, in haar maag houden. Ze gaf alles weer onmiddellijk over. Moeder Robin verzuchtte toen: „Kijk toch eens hoe mijn kleintje er aan toe is!” Marthes vader zei huilend: „Zij heeft nooit iemand kwaad gedaan!” „We hadden medelijden met hem”, vertelde mij een jeugdvriendin van Marthe.

Marthes lichaamcellen nemen dus geen voedsel meer op en kunnen dus ook geen stoffen meer afscheiden. Daarbij verliest ze het vermogen om te slapen. Ze is nu verstoken van alles. Voor artsen is een totaal gebrek aan het vermogen om in slaap te vallen nog ongewoner dan inedie.

Men kan niet in een dergelijke toestand geraken zonder dat dit gepaard gaat met folterende kwellingen. Het schijnt dat in die periode pastoor Betton bij Marthe kwam en de vredige rust in haar wist te herstellen. Vanaf dat moment begint de Heilige Maagd haar verschijningen aan Marthe te vermenigvuldigen. Wat vertelde haar haar hemelse Mamma? Daarover is Marthe zeer discreet gebleven, maar de verschijningen worden door haar zuster, in Saint-Sorlin, mevrouw Serve, bevestigd.

— Heeft Marthe het u verteld?
— Nee, onze moeder. Onze moeder zei: „De Heilige Maagd verschijnt aan Marthe in haar kamer. Maar als ik er binnenga, zie ik Haar niet.”
— Geloofde u dat of dreef u er de spot mee?
— In mijn familie werd het door iedereen aanvaard . . . 0! Mijn moeder heeft Marthe altijd zo goed mogelijk verzorgd.
— Wat vertelde de Heilige Maagd aan Marthe?
— Ik weet het niet. Maar ik weet wel dat mijn moeder mij altijd heeft gezegd dat de Heilige Maagd aan haar verscheen. Vader Finet weet er waarschijnlijk meer over te vertellen.

Pastoor Faure bezoekt Marthe niet meer

De bezoeken die pastoor Faure aan Marthe bracht betekenden veel voor haar. Hij kwam haar dikwijls de communie brengen. Dan liet hij zich begeleiden door twee misdienaars, zoals dat in die tijd zeer gebruikelijk was. Maar spoedig zou abbé Faure zijn bezoeken achterwege laten. Wat was er gebeurd?

Marthe merkte dat de bezoeken van de priester de irritatie van haar broer Henri opwekten. Vaak zei hij grommend: „Wat komt hij hier eigenlijk doen, die pastoor?” En om vervelende incidenten te voorkomen, vroeg Marthe aan pastoor Faure, zonder daar een reden voor te geven, haar niet meer te komen bezoeken. Hij begreep uiteraard niet waarom „zijn parochiaantje” hem dit leverde! Het heeft hem groot verdriet gedaan. Maar zijn leed was mild vergeleken bij dat van Marthe, die nu voorlopig de steun van de sacramenten moest ontberen.

Marthe heeft zeker ook verdriet geleden door het feit dat haar ouders, in weerwil van al de zorgen waarmee ze hun dochter omringden, zich onmachtig voelden haar lijden, al was het maar in geringe mate, te verzachten. Dit liet zij zich ontsnappen in een brief die zij op 21 september 1928 schrijft aan haar nicht: „Mamma was vorige week erg moe. De temperatuurschommelingen hebben haar galblaas weer van streek gemaakt. Het gaat nu beter, gelukkig! Arme mamaatje! Wat valt het toch hard als je niet eens een glas water kan geven aan hen die je liefhebt, als het juist zo troostrijk is hen te verkwikken.”

Maar omdat Marthe verre van huilerig is, alles afweet van wat er gaande is en vôôr alles de mensen vrolijk wil stemmen, begon zij haar brief niet met bovenstaande droevige mededeling. Daarvôôr schreef ze namelijk: „Als het steeds zulk mooi weer blijft, geloof ik dat we een goede druivenoogst krijgen . . . Ik ben bezig met het borduren van je laken en het wordt prachtig. Ik verzeker je dat er een heleboel mensen jaloers op zullen zijn! Ik zal ook een leuk tasje voor je borduren. Dat zal je zeker mooi vinden.”

Intrede in de derde orde der kapucijnen op 2 november 1928

In datzelfde jaar 1928 kwamen twee kapucijnen uit Lyon voor een parochie-retraite naar Châteauneuf-de-Galaure. En vanzelfsprekend vroegen zij, pater Marie-Bernard en pater Jean, aan pastoor Faure of er nog zieken te bezoeken waren in de parochie. Pastoor Faure vertelde hun over Marthe die hij, jammer genoeg, niet meer mocht ontmoeten. De beide missionarissen gingen naar La Plaine. Toen ze terug waren zeiden ze tot de pastoor: „Dat is een heilige, daar boven!” Zij verzochten hem dé Robins weer regelmatig te bezoeken. Marthe stelden zij voor in de derde orde van Sint Franciscus te treden. Haar intrede vond plaats op 2 november 1928, hetgeen wordt bevestigd door zuster MarieThérèse die vlak daarna in het klooster zou gaan.

De duivel slaat Marthe twee tanden uit de mond!

Maar de „kwelduivel”, zoals de pastoor van Ars hem noemde, dat wil zeggen de Vijand waarvan in het Evangelie sprake is, begon getergd te worden. „Heb je mijn dienaar Job opgemerkt? Hij heeft zijns gelijke niet op aarde!” zei de Heer indertijd tot Satan. In het geval van Marthe had hij dezelfde opmerking kunnen maken. Satan was zo vervuld van afgrijzen na haar intrede in de derde orde van Sint Franciscus, dat zij nog dezelfde nacht, volgend op deze plechtige gebeurtenis, haar eerste treffen met de duivel kreeg . . . Moeder Robin sliep zoals gewoonlijk in het bed dat naast dat van haar dochter stond, en ze vertelt: „Ik weet niet wat er aan de hand was, maar plotseling slaakte ze een afschuwelijke kreet!” „De duivel,” aldus een vertrouwelinge van Marthe, „had haar een vuistslag in het gezicht gegeven, waarbij twee tanden werden uitgeslagen. Dat heeft Marthe mij verteld.”

— Hebt u haar afgebroken tanden gezien?
— Jazeker.
Deze zelfde anekdote werd verteld door pastoor Perrier.

Marthe verliest het gebruik van haar handen

De verlamming van haar benen kwam op Maria Boodschap in 1928. Op Maria Lichtmis, 2 februari 1929, verliest Marthe het gebruik van haar handen, eveneens door verlamming. Zij had ze de Heer aangeboden en Hij heeft dit letterlijk opgevat. Vaarwel, brieven, vaarwel, borduurwerk! „Ik heb nog ruim acht dagen mijn vingerhoed aan mijn vinger gehouden. Maar toen heb ik tegen mama gezegd: weet u, mama, u kunt mijn vingerhoed nu wel wegnemen!”

Marthe voelt zich geenszins in diepe wanhoop door deze nieuwe verlamming. Ze leert nu helemaal opnieuw te schrijven . . . met een potlood in haar mond! Ik zou in het geheel niet verbaasd staan als zij de mensen uit haar omgeving even aangenaam zou hebben verrast met meesterwerkjes die door haar nieuwe schrijftechniek ontstonden. Maar laten we niet afdwalen. Deze jonge vrouw van 27 jaar zou er bijna in geslaagd zijn dat wij haar lijden zouden vergeten.

Het is daarom goed ons rekenschap te geven van de ernst van Marthes toestand: haar verlamde armen en benen houden haar permanent aan haar divan gekluisterd; haar benen zijn gedeeltelijk opgevouwen; haar lichaam is vrijwel kromgetrokken en ze zit met een kussen in haar rug en een ander hard kussen om haar knieën tot steun te dienen; haar rechterarm rust over haar borst en haar linker ligt langs haar lichaam. Zij is niet in staat zich te bewegen. Wanneer mevrouw Bernard (de dochter van mevrouw Ferdinand Robin) de moeder van Marthe komt helpen het bed van de zieke te verschonen, gaan er folterende pijnen door Marthes lichaam, zodra ze, noodzakelijkerwijs, even wordt opgetild.

In deze zeer ongemakkelijke en onbeweeglijke houding heeft Marthe meer dan 50 jaar doorgebracht en al die 50 jaar zonder eten, zonder drinken, zonder slapen! „O, Jezus, U hebt van mij

uw klein slachtoffer gemaakt”, zegt ze op 12 juli 1929, „zoals U mijn slachtoffer en dat van alle mensen hebt willen zijn. Mijn hele leven, o mijn God, is van U . . . 0 Kruis, Kruis van mijn Verlosser . . . 0 goddelijke ladder die de aarde met de hemelen verbindt, jij bent het altaar waarop ik mijn offer langzaam moet laten opbranden, alsook mijn leven in offergave en in liefde.”

„Ik moet Liefde zaaien”

Marthe, die geenszins in opstand komt zoals Job eens deed, en verre van verbitterd is, denkt dat ze op deze wijze, gekruisigd met Christus, kan komen tot wat wij tegenwoordig de Evangelisatie-zending noemen. In de nacht van 31 december 1929 op 1 januari 1930, schrijft zij (wij kunnen zelfs zeggen dat ze het zong) haar voornemen in rijm, want, zoals blijkt, kan zij zich vanaf dat moment even gemakkelijk in dichtvorm als in proza uitdrukken:

„Ik moet Liefde zaaien, en ook barmhartigheid,

Liefhebben, slechts vervuld zijn van goedheid,

zachtheid, rechtvaardigheid,

Tevreden zijn, beminnend in een grote offergave,

Ja, dat moet ik voor allen zijn, met heel mijn hart,

Met de wil vredige rust te brengen, dwaling op te heffen,

Zonder ooit het vuur van de vlam te scheiden,

Ik wil — mijzelf wegcijferend — de zielen aanzetten

God lief te hebben,

Door mij voor allen te geven, zonder ophouden

en zonder eigenbelang,

Ik wil mij geven, altijd geven, zonder te willen oogsten.”

Wie het hele boek wil lezen, kan het hier bestellen.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x