Hoofdstuk 5 – Het geestelijk keerpunt?

Hoofdstuk 5

Het geestelijk keerpunt?

Op 30 oktober 1922 begint de pijn in haar knieën opnieuw. De verlammingsverschijnselen komen weer terug. Zal Marthe ooit genezen? Haar familie begint er echt aan te twijfelen. Het zou iedereen verbaasd hebben indien de ouders van Marthe nooit in die vier jaar dat haar ziekte nu duurt zouden hebben uitgeroepen: „Maar wat hebben wij de goede God toch aangedaan, dat onze dochter niet zo is als anderen?”

En Marthe zelf? Tijdens haar kinderjaren heeft ze wel veelvuldig blijk gegeven van een buitengewone leergierigheid op godsdienstig gebied en van een opvallend vrome instelling. Maar zou zij, wier lichaam nu, in de bloei van haar leven, voor de helft verlamd, zich niet iets kunnen gaan afvragen; zou zij ten prooi kunnen vallen aan een harde innerlijke strijd in deze periode van haar jeugd?

De komst van abbé Faure

Het jaar 1923 staat in het teken van de komst in Châteauneuf van abbé Léon Faure. Deze priester die 6 augustus van dat jaar tot pastoor van deze parochie wordt benoemd, komt eind augustus of begin september al in Châteauneuf aan en haast zich een bezoek aan de Robins af te leggen. Dit is eigenlijk mede te danken aan mevrouw Bonnet, een naaister uit de streek, die Marthe geregeld van borduurwerk voorzag. Zij klampte de nieuwe pastoor aan en vertrouwde hem onmiddellijk toe: „U hebt een wat bijzonder parochiaantje. U moet haar echt gauw eens een bezoek brengen!”

Toen de pastoor haar bezocht — het was in september of oktober, dat is moeilijk na te gaan — is hem niets bijzonders opgevallen. Abbé Faure was ongetwijfeld een goed priester en zelfs innerlijk in hoge mate gemotiveerd. Hij stond altijd vroeg op om het Angelus te luiden; hij vastte consequent tijdens de veertigdagen-tijd en zô zelfs dat monseigneur Pic hem gelastte (in naam van de gehoorzaamheid) wat minder karige maaltijden tot zich te nemen4. Een soort pastoor van Ars eigenlijk, maar toch een beetje knorrig, die geen kaas gegeten had van alles wat maar naar mystiek zweemt.

Het verhaal gaat dat hij in zijn studietijd op het seminarie de Heer heeft gesmeekt hem nooit in contact te brengen met mystici tijdens zijn priesterambt. „Ik zou namelijk niet weten wat ik dán moet doen,” had hij eens in intieme vriendenkring laten vallen. Hij voelde zich ongetwijfeld veel beter in staat de gelovigen de les te lezen. En met overtuiging! Het kwam overigens vrij dikwijls voor dat deze pastoor een impulsieve uitspraak kort daarna weer berouwde.

Op een dag stapte een meisje, dat vaak in de plaatselijke dancing te vinden was, in de biechtstoel. Bij het zien van het kind liep pastoor Faure er onmiddellijk uit. „Mijnheer pastoor hoort geen biecht van danslustige meisjes!” zei hij. Zo was hij nu eenmaal en men kon hem niet tot andere gedachten bewegen. Hij moet het zich erg aangetrokken hebben dat die dancing, die na de oorlog ’14—’18 werd geopend op het ,kasteel”, boven in het dorp, in zijn parochie was gesitueerd.

Maar wat kon hij er aan veranderen, deze onbeduidende pastoor die uit een even onbeduidend als stoffig parochietje kwam. Want Nyon omvatte twee gemeentes, les Pilles en Châteauneuf-de-Bordette. Was het wel een goede keus geweest van de bisschop van Valence om pastoor Faure van het ene Châteauneuf (-de-Bordette) in het andere te plaatsen? Is Châteauneuf-de-Galaure niet te groot voor hem? Spoediger dan hij ooit had kunnen denken, zal pastoor Faure ervaren dat, gezien het feit dat hij een mystica als Marthe Robin in zijn parochie herbergt, zijn verzoek dat hij als jong seminarist aan God gedaan heeft, niet is verhoord!

Al in 1924 bekent hij aan de meisjes van het patronaat dat alles hem totaal boven het hoofd is gegroeid. Pastoor Faure was zich bewust van zijn beperkingen en dat was natuurlijk aanleiding voor hem advies te vragen aan en een beroep te doen op zijn confraters, zoals bijvoorbeeld abbé Perrier, pastoor in Saint-Uze, en pastoor Betton, die toentertijd professor in de filosofie was op het diocesane seminarie in Saint-Paul-Trois-Châteaux. Pastoor Betton was een opzienbarende humanist, aan wie wij later nog wel een woordje zullen wijden.

In de baden van Saint-Péray

Tijdens de eerste ontmoeting tussen abbé Faure en Marthe Robin is er misschien niet zoveel bijzonders voorgevallen, maar elke keer dat hij bij haar was, boezemde deze strenge man haar op een of andere manier vrees in. Zij was ternauwernood in staat hem te vertellen dat ze binnenkort zou vertrekken naar de hars-baden van Saint-Péray. Het schijnt ons toe dat dit korte verblijf in Ardèche een belangrijk keerpunt betekende in haar geestelijk leven, maar abbé Faure kon dat op generlei wijze bevroeden.

De gemeente Saint-Péray ligt tegenover Valence, op de rechteroever van de Rhilne. Het hotel Roche waar Marthe die twee of drie weken haar intrek had genomen, bestaat nog steeds. Maar de exploitatie van de hars-baden hield in 1946 op. Tientallen jaren daarvoor stuurden de artsen hun reumapatiënten naar Saint-Péray voor een behandeling die gebaseerd was op hars. Uit alle streken van Frankrijk en België kwamen de mensen daarheen. Een folder uit die tijd, die de heer Roche, eigenaar van het hotel, ons ter hand stelde, legt ons de therapie in de baden uit.

Als de zieken geheel ontkleed waren werden ze, ook het hoofd, geheel in een wollen deken gewikkeld (zie ansichtkaart op blz. 49). Daarna werden ze in de „oven”, geïnstalleerd, waar zij 8 tot 40 minuten verbleven, geheel volgens de aanwijzingen van de behandelende arts. Deze „oven”, die zijn naam eer aandeed, was een zweetkamer, opgetrokken uit vuurvaste stenen, die door een met hout gestookte oven werd verwarmd.

De oven was van de zweetkamer gescheiden door een traliewerk waar streepjes pijnboomhout in staken. Door de warmte kwamen dan de zeer heilzaam werkende geuren vrij die de ruimte waar de patiënten zich ophielden met warme harsachtige dampen vulden, die tot gevolg hadden dat zij zeer sterk gingen zweten. Als ze uit de „zweetkamer” kwamen dan konden zij nog 15 tot 30 minuten uitrusten in een van de vertrekken die speciaal daarvoor, dicht bij de oven, waren ingericht.

Mevrouw Danthony heeft nog enkele ansichtkaarten in haar bezit die Marthe haar uit Saint-Péray toestuurde. In die tijd schreef men méér dan men telefoneerde. En dat is maar goed ook, want anders zouden wij nu verstoken zijn geweest van die heerlijke herinneringen uit die tijd!

Ondoelmatig „bakken” . . .

Op 9 oktober 1923 schrijft Marthe aan haar nichtje, die toen 14 jaar was:

„Ik schrijf je even een woordje om je te waarschuwen dat je moet oppassen je ooit reumatische aandoeningen op de hals te halen. Je zult zeker schrikken als je deze kaart ziet waar men naakt in een deken is gepakt! Ze stoppen ons hier gewoon in een oven! Gisteren vroeg een mevrouw aan de man die de oven stookt om een takkebos minder op het vuur te gooien.

Maar hij gooide er daarentegen zelfs een méér op! Het was verschrikkelijk heet. Het water gutste in stromen van mijn lichaam! Zie je, lieve, dit is ook niet alles, maar het is nu eenmaal bedoeld om beter van te worden. De pijn is veel erger. Eigenlijk krijg je door de oven geen pijn, hoewel ik er wel een beetje misselijk van word.”

Dit is een van de zeldzame brieven waarin Marthe zich een beetje laat gaan om anderen iets over haar pijn toe te vertrouwen. Maar ze doet dat wel in bedekte termen en niet vrij van humor 13 oktober Oktober schrijft ze opnieuw aan haar nichtje:

„Ik moet je even laten weten dat ik vandaag voor de achtste keer ,gebakken’ ben. Ik denk dat ik er spoedig ,gaar’ uitkom!”

Dan — ze schrijft kennelijk dikwijls aan haar nicht Marcelle zegt ze, vol hoop, op 16 oktober in een brief:

„Ik denk dat ik eind van de week Saint-Péray kan verlaten.

Het gaat beter met mij en daar ben ik erg tevreden over.”

Donderdag 17 oktober bevestigt Marthe in een brief aan een oom en een tante, dat zij naar huis terugkeert. In de brief vraagt ze hun „hier geen brief meer naar toe te sturen, want ik ben hier weg.” En zij voegt er nog aan toe, in verband met het aanstaande huwelijk van haar zuster Alice, dat in 1924 zal plaatsvinden:

„Ik merk dat u het heel druk hebt met het zaaien van het graan. Daar heeft men altijd veel werk aan. Maar ik denk dat u vlug met alles klaar wilt zijn om de bruiloft niet te missen. En die dag zullen we dansen! Oompje, ik houd u vrij! Vergeet u het niet. Onthoud u het goed!”

Zaterdag 19 oktober 1923 verliet Marthe Saint-Péray. Was ze genezen? Haar nichtje twijfelt er sterk aan en haalt de terugkeer van haar tante in Châteauneuf-de-Galaure weer voor de geest: „Ze vertrok naar Saint-Péray steunend op een stok, maar toen ze terugkwam, kon ze bijna helemaal niet meer lopen!”

Waardevolle ontmoetingen

Hoewel de medische resultaten verre van succesvol waren, was het verblijf in Saint-Péray misschien toch bepalend voor de geestelijke groei van Marthe Robin. Zij heeft daar namelijk verscheidene mensen ontmoet die grote indruk op haar gemaakt hebben. Ze trekt er veel op met een zekere mevrouw Delatour uit Saint-Claude, in het Jura-gebergte. Vooral heeft ze een vriendin gevonden in een gravin (?) uit Ardèche. Deze mevrouw zal haar voortaan vaak komen opzoeken, ’s zondags, in Châteauneuf-deGalaure. Zeker tot in het jaar 1936. Zij kwam altijd op La Plaine in een zwarte auto, een privé-chauffeur aan het stuur. En dit alles bleef natuurlijk niet onopgemerkt door de buren.

Het mysterie rond haar precieze naam — ze heette mevrouw Dalboussière of d’Alboussière — hebben we tot nu toe niet kunnen ophelderen. In ieder geval schijnt deze vrouw met Marthe over het lijden van Jezus gesproken te hebben. Want in die periode werd Marthe op een of andere wijze uitgenodigd te delen in het lijden van de gekruisigde Christus. Een dergelijk signaal had ze, zoals wij reeds weten, vroeger ook al ervaren, toen ze bij haar zuster Célina op de zolder het gebedenboek in een koffer aantrof.

Volgens abbé Perrier (uit Saint-Uze) zou Marthe tijdens haar verblijf in Saint-Péray ook reeds een innerlijke uitnodiging hebben ontvangen. Ze wilde er echter kennelijk opzettelijk geen aandacht aan schenken. Ze zou daar onderhevig zijn geweest aan een felle innerlijke strijd om weerstand te bieden aan Gods eisen. In ieder geval heeft ze in de brief die ze in Saint-Péray aan haar oom en aan haar tante richtte, duidelijk gemaakt dat ze grote lust had om te dansen.

Maar in die tijd heeft ze, zonder enige twijfel, toch gebeden. Onder de kennissen die zij in Saint-Péray maakte, signaleren we nog een priester uit Angers, een rector van een ziekenhuis, die Marthe uitnodigde naar Angers te komen om zich daar te laten behandelen. Zij is er nooit geweest, maar ze heeft deze zin, die zij aan een vriendin vertelde, van hem onthouden5: „Ik houd het kruis van mijn Verlosser stevig in mijn armen.” Misschien is het deze zin wel die het geestelijke keerpunt van Marthe heeft bewerkstelligd.

Een beetje mystiek, maar nog steeds schalks!

Wanneer zij terugkeert in Châteauneuf-de-Galaure, gaat het niet best met haar benen. Aangezien zij echt niet meer naar Saint-Sorlin kan reizen om haar zuster Célina te bezoeken, komt Célina bij Marthe op bezoek. Elke zondagmiddag. Dan treft ze Marthe altijd in haar fauteuil aan, bij mooi weer buiten en anders in de keuken.

Een vriendin van Marthe herinnert zich zelfs nog goed dat ze haar in de zomer van 1924 in de wei bij een boom had gezien terwijl zij het vee hoedde. In die zomer gaat Marthe trouwens ook haar tanden laten verzorgen bij tandarts Rivot in SaintVallier. Zijn praktijkkamer bevond zich boven de apotheek in de rue Verdun. „Mijn man”, legt zijn weduwe uit, „heeft zich hier in 1924 als tandarts gevestigd. Ik kan mij niet herinneren of de vader van Marthe haar toen hier gebracht heeft met zijn paard en wagen, of dat ze is gekomen met het treintje dat toen Saint-Vallier met Grand-Serre verbond.

Ik herinner me in ieder geval wel heel goed dat zij in die tijd met een stok liep. Mijn man ging daarna iedere keer dat Marthe een mondbehandeling moest ondergaan, zelf naar haar huis. In 1945 ben ik bij haar op bezoek geweest in Châteauneuf-deGalaure. Ze vroeg mij toen of de wachtkamer er nog hetzelfde uitzag. En ze kende de namen van mijn kinderen heel goed!

Ze vertelde me dat, als zij op haar beurt wachtte ,met de tijdschriften in de wachtkamer,’ zij de tijd ledig hield met ,het vervaardigen van papieren balletjes’ die ze dan, tot haar groot plezier, door het venster op de kinderen buiten mikte! ,Maar,’ zei ze erbij, ik lette er goed op de omslag netjes over de resterende pagina’s te doen!’

Zij staat haar bedevaart naar Lourdes af aan een ander

Wij zijn nu in 1925. Op 29 januari schrijft ze haar nicht Marcelle om haar geluk te wensen met haar naamfeest. Ze zegt in de brief niets over haar gezondheidstoestand. Maar als men het handschrift van Marthe in deze brief vergelijkt met dat in haar brieven die ze in Saint-Péray heeft geschreven, staat men verbaasd over het verschil. Ten tijde van haar kuur in SaintPéray schreef ze nog enigszins in school-stijl. „In die tijd is haar leven onderhevig aan spanning en twijfel. Zij heeft nog niet haar richting, haar bestemming gekozen: de weg van het hart, de arbeid of het streven naar geestelijke waarden . . . Ze kan, ze durft zich nog moeilijk ontdoen van het traditionele leefpatroon, dat iedereen van huis uit meekrijgt . .

Haar handschrift is nu veel persoonlijker. Het „toont een belangrijke ontwikkeling: zij neemt afstand van het voorheen beleefde en maakt ’n keuze . . . De schrijfster is nu tot een rijpheid gekomen die liever nuchter de dingen wikt en weegt, dan zich door gevoelens of enthousiasme te laten meeslepen.”6

De vriendin die Marthe de zomer ervoor had gezien, zegt heel ontroerd: „Wat is ze veranderd! Zij zit in de fauteuil voor het keukenraam met half gesloten luiken. Ze hoort me over alles uit: over mijn leven, wat ik precies doe. Ze stelt letterlijk overal belang in en dat met een bijzonder groot begrip'”.

Wij weten van haar zuster, mevrouw Serve, dat Marthe sinds 1925 weinig voedsel tot zich neemt. Ze heeft genoeg aan wat fruit en een beetje drinken.

In augustus zou ze als zieke naar Lourdes vertrekken op bedevaart, die georganiseerd was door het diocees van Valence. Haar pastoor had haar dit goede nieuws al in juni verteld. Hij beschikte over slechts één plaats en die bood hij haar aan. Maar onze Marthe vernam weinig later dat een andere zieke in Châteauneuf dolgraag naar Lourdes wilde. Pastoor Faure werd daardoor erg in verlegenheid gebracht.

„L’Hospitalité Diocésaine”, die de reis had georganiseerd, had helaas geen plaats meer voor een tweede zieke. Zonder na te denken stelde Marthe onmiddellijk haar plaats beschikbaar. Toen moesten de ogen van abbé Faure toch wel langzamerhand zijn opengegaan. Wie is toch die persoon die zo’n uitzonderlijke bedevaart opoffert? Wie is zij dan, die de hoop op een wonderbare genezing opgeeft, uit liefde voor een andere zieke uit Châteauneuf? . . .

Dit afzien betekent een uitzonderlijk grote liefde en kenmerkt zonder ruchtbaarheid, maar niettemin zeer ingrijpend, het geestelijk keerpunt van Marthe Robin. Haar innerlijke strijd die in Saint-Péray was begonnen, toen Marthe werd geconfronteerd met de eisen van God, eindigt nu in haar volledige overgave aan God, zonder voorwaarden. Zie de dienstmaagd des Heren! Van nu af is alles gereed voor het uur van de totale toewijding.

Vooral tôen, na dit offer, heeft de Heilige Maagd haar met genadegaven overstelpt: Marthe heeft dit persoonlijk aan een vriendin uit Châteauneuf toevertrouwd’.

Wie het hele boek wil lezen, kan het hier bestellen.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x