Hoofdstuk 2 – “Laten we naar boven, naar La Plaine gaan”

Hoofdstuk 2

“Laten we naar boven, naar La Plaine gaan”

De ouders van Marthe Robin woonden boven in het dorp Châteauneuf-de-Galaure. Hun huis ligt op een hoogvlakte, in Châteauneuf „La Plaine” genoemd. Laten we, steunend op onze pelgrimsstaf, daar eens een kijkje gaan nemen. Het is ongeveer een half uur lopen van de Foyer.

De weg wijst zich vanzelf. Als je richting Saint-Sorlin gaat tref je al gauw aan de linkerkant een smallere weg die je zo’n paar honderd meter moet volgen. Dan kom je bij een hoogspanningsmast. Vroeger, toen Marthe nog een kind was, stond daar een populier die ongetwijfeld een veel aantrekkelijker voorkomen had dan deze mast . . .

Een balkon met een schitterend uitzicht

„Vanaf de populier zie je een vierde deel van Frankrijk!” riep Marthe verrukt uit. Deze juichkreet is begrijpelijk, want vanaf deze plek strekt zich tot de einder een panorama van uitzonderlijke schoonheid voor u uit. Vanaf dit door de natuur gevormde „balkon” kunt u bij helder weer de Mont Blanc zien liggen, de bergtoppen van Chartreuse, de doorgang naar Grenoble, de bergketensvan Belledone en ook nog Vercors.

Draai je je een halve slag om dan zie je in het westen Mézenc en Gerbier-des-Joncs en soms zelfs het dorpje La Louvesc, bekend bedevaartcentrum van Sint Jean-Francois Régis, maar ook van de heilige Thérèse Couderc, de stichteres van de Dames van het Cenakel. Iets verder ligt de berg Pilat. Een prachtige uitkijk, dit „balkon”, waar een oriëntatiebord van het panorama voor de toerist niet overbodig zou zijn.

Maar wij zijn geen toeristen en vervolgen dus onze weg. Als we de mast voorbij zijn, wijst een pijl in de richting van de Moïlles. Rechts van ons onderscheiden we drie huizen, waaronder, bescheiden weggedrukt, dat van de Robins. Het is de laatste woning aan het eind van de weg, rechts om precies te zijn. Je kunt het niet missen, want de weg loopt daar uit op een groot erf; dan nog een paar meter en je staat plotseling voor het huisje dat je slechts op het laatste moment opmerkt. In de lente is de voorgevel getooid met een prachtige paarse glycine (Chinese klimplant). In dit huis werd ze geboren, onze Marthe Robin. Hier leefde ze en hier stierf ze ook.

Het erf is nu geasfalteerd en de voorgevel opnieuw gepleisterd, maar voor de rest is alles vrijwel hetzelfde als in Marthes jeugd gebleven. Vanaf de Moïlles heeft men lang niet dat verrukkelijke vergezicht dat de plek bij de mast (vroeger dus de populier) biedt. Noch de pittoreske dorpjes, noch de bergen en rotspunten laten zich hier zien. Je krijgt hier het gevoel dat de aarde bijna rechtstreeks in de hemel overgaat: het is net of je in Avila bent, als je tenminste de verlatenheid en de ruïnes daar wegdenkt . . .

De ouders: zeer eenvoudige lieden

Laten we, alvorens aan het levensverhaal van Marthe zelf te beginnen, eerst eens kennis maken met haar ouders en haar buren.

Een gelukkige omstandigheid is dat een vroegere vriendin van Marthe, Marie-Rose Achard, een reeds lang gepensioneerde onderwijzeres, herinneringen uit haar kindertijd in een boek heeft vastgelegd. Het boek is vlot en fris geschreven. „ Toen begon de wereld”, heet het en al bladerend krijgen we een redelijk goede indruk van de kleine Marthe in het begin van deze eeuw. De Robins waren kleine grondbezitters. Eigenaars van nog geen tien hectare land. Zeer eenvoudige lieden die geen aandacht trokken. Ze vormden een erg gezellig, sympathiek gezin.

Joseph, de vader van Marthe, was „een lange, joviale, ietwat naïeve man”, enigszins autoritair. Hij had een „gezonde, blozende gelaatskleur en je zag altijd een plukje borsthaar uit zijn openstaand hemd te voorschijn komen”. Marie-Rose Achard die ons deze beschrijving geeft, voegt er nog aan toe dat hij „godvruchtig en reactionair” was.

Nee, hij was anticlericaal, zullen anderen tegenwerpen! Deze twee beweringen lijken ieder even overdreven. Het aan de heer Robin gewijde couplet dat voorkomt in een door de gemeenteraad gecomponeerd lied, zegt het misschien duidelijker:

„Clericaal in hart en nieren is hij

Die zegt te behoren tot de vrijdenkerij”.

Het is vrijwel zeker dat Joseph Robin alleen op belangrijke feestdagen naar de kerk ging, hetgeen op zichzelf al een sterke mate van vroomheid verraadt in een dorpje dat zeer weinig praktizerende katholieken telt! Robin hield natuurlijk ook zijn Pasen. Tegen het einde van zijn leven echter, gaat hij steeds meer tot bidden over en, volgens een brief van Marthe, gedateerd 19 juli 1936, is hij „als een heilige” gestorven.

Ook mevrouw Robin maakt een geestelijk groeiproces door. Toen zij met Joseph Robin in het huwelijk trad, had zij nog maar net Saint-Sorlin verlaten, dat niet bepaald de reputatie heeft ’s zondags een bomvolle kerk te hebben. Daar ontbreekt het een en ander nog wel aan. Maar dat neemt allemaal niet weg dat moeder Robin een moedige vrouw was. Zij had een bescheiden maar vrolijke natuur en ze herhaalde iedere dag met evenveel liefde dezelfde handelingen die elke boerin in die tijd verrichtte: de oven in de keuken met hout — in die tijd was er immers nog geen gas — aanmaken, elke morgen, jaar in jaar uit; aardappelen schillen, de kinderen verzorgen en de dieren, enzovoort.

Haar meisjesnaam was Chosson, Amélie-Célestine Chosson. Ze was een „klein vrouwtje met een rond hoofdje dat altijd met een mutsje was bedekt. Ze stond bekend als een vreedzaam mens en trad nooit op de voorgrond. Ze ging weinig uit.” Daarentegen lachte ze heel graag. Zonder enige twijfel heeft Marthe haar vrolijke aard en haar innemende vriendelijkheid van haar moeder geërfd. Marthe had erg veel genegenheid voor haar moeder.

. . . Zij kregen zes kinderen

Dit landbouwerspaar kreeg zes kinderen:
— Célina, de oudste, is de enige overlevende op het moment dat dit boek geschreven wordt. Sinds 1908, het jaar waarin zij in het huwelijk trad, woont zij in Saint-Sorlin;
— Gabriëlle; zij heeft nog nakomelingen in Châteauneuf;
— Alice, „de wijze en rustige” Alice, die Marthe het meest na stond. Haar familie woont nog steeds in het dorp Châteauneuf;
— Henri, de enige jongen in het gezin Robin. Een beetje onhandig en verlegen. In 1951 is hij gestorven.
— Clémence. Op vijfjarige leeftijd stierf ze aan tyfus. — En dan eindelijk Marthe, „die later”, schrijft Marie-Rose Achard in haar boek, „een onverwacht roemrijk lot ten deel viel. De heilige uit onze streek”. Tot zover het gezin Robin.

De buren: atheïstisch of onverschillig

En wat voor mensen waren de buren? Er staan maar drie huizen langs deze weg van de Moïlles. Links dat van de familie Achard en rechts, aan het einde van het pad, de twee andere huizen van de beide families Robin. Hun familieverwantschap schijnt te dateren van een eeuw geleden. Ferdinand Robin woont in het eerste huis en Joseph, de vader van Marthe, in het tweede en laatste.
Mijnheer Achard was een man van een zeer nauwgezette deugdzaamheid en had een open karakter. Hij was een boer die, volgens zijn dochter, opvallend veel wist over „sterren, vogels, microben en planten”. Het liefst zou hij „mensen uit een ander milieu dan het zijne” tot zijn vrienden gerekend hebben, om met hen van gedachten te wisselen. De gemeenteraad, de bijeenkomsten van de socialistische partij of de vrijmetselaarsloge hadden hem wellicht daartoe voldoende gelegenheid kunnen bieden.

Maar zijn verlegen natuur verhinderde hem altijd op de voorgrond te treden en het initiatief te nemen contacten te leggen. Als een goede republikein geloofde hij in de vooruitgang, in het openbaar onderwijs, in de 14de juli en in verkiezingsbijeenkomsten.

Hij geloofde niet in God en hij stuurde lang niet al zijn kinderen naar de katechismusles. Maar daarin stond hij, wat dit laatste betreft, niet alleen in Saint-Bonnet! Zijn dochter Marie-Rose zegt, zonder twijfel met enige overdrijving, dat haar vader vrijdenker was . . .

Ferdinand Robin, de directe buurman van de ouders van Marthe, kon het niet zo goed vinden met Joseph, Marthes vader. Een onschuldig hekje dat de afscheiding vormde tussen het erf van Ferdinand en dat van Joseph was daar een concreet bewijs van. Ook het probleem, dat vaak pijnlijke vormen aannam: elkaars „territorium” te betreden, maakte de relaties tussen beide buren er niet beter op. De waterput, ten slotte, die voor gemeenschappelijk gebruik was, vormde af en toe eveneens een „bron” van ergernis als de twee buren elkaar daar toevallig, met het emmertje in de hand, ontmoetten. Ze hadden evenwel nooit woorden met elkaar. Ferdinand klaagde wel eens over Joseph tegenover buurman Achard. „Dan liep Ferdinand heel rood aan en sloeg met zijn vuist op tafel. Zijn woedeuitbarstingen duurden echter nooit lang. Zij waren zo weer verdwenen.”

Op het godsdienstige vlak was Ferdinand „onverschillig” en zijn vrouw en kinderen zullen ook wel zo zijn geweest.

Een klimaat van solidariteit

Dit was dus het universum van Marthe gedurende haar kindertijd: atheïstische of „geloofsonverschillige” buren. Daarnaast familieleden die vrij regelmatig naar de kerk gingen, vooral met Pasen, Allerheiligen en Kerstmis.

De stukken grond van deze drie gezinnen liepen in elkaar over en men hielp elkaar als daar behoefte aan was. Weer is het Marie-Rose Achard die melding maakt van deze steunverlening die voortdurend tussen de Robins en de Achards plaatsvond. „In die tijd waren we wat de inkomsten en het laten functioneren van onze huishoudens betreft, vrijwel geheel op ons zelf aangewezen.

De buren waren dan ook zeer belangrijk voor ons. Zij waren altijd bereid ons te helpen: bij geboorten of bij ziekten, bij overlijden en bij werk op het land. Onder elkaar ruilden we groenten, zaden, broedeieren, een mannetjes-konijn. Men stopte elkaar overschotten aan honing, aan fruit toe. Als er een varken werd geslacht, voorzag, bijvoorbeeld, de ene buur de ander van vleesragifát. De ander was dan tot wederdienst bereid en gaf dan weer worst, ingewanden of een varkenshaas, wel of niet in een linnen doek gewikkeld.

Men leende onderling een wastobbe, een draagkorf voor de druivenpluk, het wafelijzer. Bij de een kon je de naaimachine even meekrijgen, bij de ander leerde je hoe je dekens moest stikken. Weer een ander stelde zijn vat met trechter beschikbaar voor het plat-treden van de druiven.” En weer was het bij de buren waar men de winteravonden op toerbeurt doorbracht. In het volgend hoofdstuk gaan we daar nader op in. ,Kortom, elk van deze huizen was dus een echte foyer”. Het leven won het daarbij van de ideologie. In dit klimaat van spontane solidariteit groeide Marthe op.

Het zou wel eens heel goed kunnen zijn dat onze Marthe in dit zelfde klimaat, met de genade van God, haar eerste ingevingen heeft meegekregen over haar toekomstige Foyers de Charité.

Wie het hele boek wil lezen, kan het hier bestellen.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x