Hoofdstuk 10 – Kleine geschiedenis van een grote school

Hoofdstuk 10

Kleine geschiedenis van een grote school

… Want het Koninkrijk van God gelijkt op een zaadje. In het begin is het heel klein.

Zo ook is het werk bezield door Marthe. Men zal constateren dat Marthes leven in hoge mate vruchtbaar wordt, ondanks haar „fysieke werkloosheid”, zoals zij dit noemt in een gebed van 10 november 1930 en ondanks een handicap die haar aan een bed in een donker kamertje gekluisterd houdt. „Alles dient als je bemint en ik erken dat mijn beminde Heer in zijn oneindige tederheid zodanig werkt dat ik uit alles mijn voordeel kan halen. Ik ben er niet verbaasd over, want het is het werk van God en niet het mijne.”

Een „krankzinnig” plan!

In 1930 nu, het jaar waarin zij haar Maagdenwijding ontving, legt Marthe haar pastoor, abbé Faure, een plan voor dat haar gedachten al geruime tijd bezighield: de oprichting van een christelijke school voor meisjes in zijn parochie. De genegenheid die Marthe vroeger aan de dag legde jegens de directrice en de leerkrachten van de openbare, dus niet-katholieke lagere school — dat herinneren we ons nog — was te groot om haar ervan te verdenken dat ze zich met dit plan heeft laten leiden door een of ander gevoel van wrok. Waar het haar om gaat, is de christelijke opvoeding die niemand een openbare school kan afdwingen. Maar is Marthe niet ietwat „vervreemd” van de mensen uit haar dorp? Pastoor Faure heeft al zijn overredingskracht moeten aanwenden om Marthe te overtuigen dat Cháteauneuf-deGalaure te zeer was beïnvloed door de vrijdenkerij; dat de gezinnen die hun kind op de katholieke scholen deden te gering in aantal waren; dat hijzelf, pastoor Faure, nog wel wat anders te doen had en dat hij zich geenszins geroepen voelde de leidi een school op zich te nemen, enzovoort . . . Tegen haar tandarts,
dokter Rivot, zei Marthe, toen ze dit plan haar tandarts,
‘Mijnheer pastoor zegt dat hij het geld er nieter voorop heeft.”

Marthe liet echter de moed niet zakken. Twee jaar la vroeg ze, als de gelegenheid zich maar even voordeed, haarng pastoor namens de Heilige Maagd gehoor te geven aan het verzoek. Pastoor Faure, verbijsterd door zoveel hardnekkigheid wilde toen, ten einde raad, al zijn confraters van het kanton (er waren er 17 in die tijd!) van Marthes voornemen op de hoogte stellen en hun tegelijkertijd naar hun mening vragen. Allen zeiden hem onomwonden dat dit plan „volslagen krankzinnig” was! Allen, behalve één: abbé Perrier. Hij was de pastoor van Saint-Uze die, zoals men weet, al sinds bijna 10 jaar abbé Faure ambtshalve met adviezen steunde inzake Marthe Robin. Hij zei dan ook: „Als het Marthe is die het je vraagt, moet je daar onmiddellijk gehoor aan geven.” Sinds de verschijning van de Verrezen Jezus aan Maria Magdalena, komt het soms wel voor dat apostelen en priesters ertoe gebracht worden in kerkelijke zaken rekening te houden met het advies van vrouwen! . . .

Aankoop en restauratie van het „kasteel”

Pastoor Faure gaat dus op zoek naar een geschikte ruim deze christelijke school. Toevallig verneemt hij dat ,,het te voor het kasteel” te koop is aangeboden. Dit oude bouwwerk uit de 16de eeuw dat hoog boven het dorp uitsteekt, herbergt een gelegenheid
sinds kort na de oorlog 1914-1918 door de eigenaar, Pistole, wordt geëxploiteerd. Maar de zaken gaan slecht, heeft voor dancings in het algemeen, wordt dan ineens geestdriftig voor Marthes plan . . . Deze school zou op z’n minst de staan!
verdienste hebben de komst van een andere dancing in de weg te staan.

Abbé Faure liet de aankoop van het kasteel over aan twee leken, de heren Genthon, uit Mureils, en Perrossier, één van zijn trouwe parochianen die een boerderij had aan de weg naar Hauterives. De pastoor vreesde namelijk dat de koopsom van het kasteel, dat bij opbod aan de man moest worden gebracht, als een pijl omhoog zou schieten, indien hijzelf op de veiling zijn neus zou laten zien! Het dak was al niet meer in een zo goede staat, terwijl ook al wat muren begonnen af te brokkelen. De steun van drie jonge mannen, de heren Gaillard, Cheval en Montagne, kwam dan ook zeer goed van pas.

Zij hielpen de heer Perrossier eerst met het allernoodzakelijkste werk. Ze maakten alles schoon, legden een houten vloer op de eerste etage, waar tot dan een stenen vloer had gelegen, voerden reparaties uit, gaven de kamers een frisser aanzien, zorgden voor het vervoer van de schoolmeubelen, richtten de klassen in, enzovoort . . . Een jonge seminarist en latere abbé Auric (die eens pastoor van Châteauneuf zou worden) bood op zijn beurt aan zijn handen uit de mouwen te steken en nam het aanleggen van de elektriciteit op zich.

Opening en groei van de parochieschool

Juffrouw Deleuze, afkomstig uit Cléon d’Andran (Drôme) en al bejaard, opent op 12 oktober 1934, samen met haar rechterhand, juffrouw Michel, de parochieschool in Châteauneuf. Het moet gezegd worden dat de leerlingen elkaar niet bepaald verdrongen om binnen te komen. Er waren er zeven in totaal: drie uit de streek (van wie twee nichtjes van Marthe: Suzanne en Marthe Brosse) en vier uit het dal-gebied.

Aan het begin van het schooljaar daarop waren er 18 scholieren. Daarna neemt het aantal scholieren verbazingwekkend snel toe, hetgeen men zelf kan constateren:

? oktober 1937: 35 leerlingen, begin van een aanvullende cursus

? oktober 1938: 46 leerlingen
? oktober 1939: 69 leerlingen
? oktober 1940: 74 leerlingen

Dan wordt er een internaat voor middelbaar onderwijs geopend, dat in 1942 al 41 scholieren telt!

In oktober 1943: 108 leerlingen. Maar laten we afzien van het noemen van een hele lijst met statistieken, die alleen maar saai kan zijn, om eenvoudig te melden dat Châteuneuf-de-Galaure in 1981 met trots kan vaststellen dat het beschikt over twee internaten voor middelbaar onderwijs . . . en een internaat voor landbouw-onderwijs. Bij elkaar zo’n duizend leerlingen.

Hoe kan deze gunstige ontwikkeling in het onderwijs, die ongekend is in deze streek, verklaard worden, anders dan door het aan God geofferde lijden van Marthe en haar tranen van bloed?

„Mijn zending is de wereld op te wekken Hem liefte hebben, door zelf overvloedig te beminnen

Het is voor ons ondoenlijk het leven van Marthe van dag tot dag te volgen. Maar één ding is zeker: Marthe wilde niet alleen maar bidden voor haar parochieschool. Hoewel deze natuurlijk veel voor haar betekende, liet ze haar hart niet door de muren van de school, die ze overigens nooit met eigen ogen heeft mogen aanschouwen, gevangen houden. Evenmin was dat het geval in het kleine kamertje op La Plaine, waar de bijna gesloten vensterluiken haar hart ook niet gekooid hielden. Naar het voorbeeld van de gekruisigde Christus, wiens volgelinge zij is, bad en leed zij voor het heil van alle mensen.

Bovendien had paus Pius XI in 1933 in Rome het Heilig Jaar geopend, waarbij de instelling van de Eucharistie en Jezus’ dood op het kruis werd herdacht, toen precies 19 eeuwen geleden. En in 1934 liet j de hele Kerk over de gehele wereld in deze herdenking delen. In die sfeer leefde Marthe. En zij ontdekt in haar lichaam dat het rijk van Jezus begint, of men dat nu wil of niet, bij het kruis. „Wanneer ik van de aarde zal zijn omhoog geheven, zal Ik alles tot mij trekken.” Marthe gelooft steeds meer dat zij, omdat zij mét Christus „slachtoffer” is, een „ere-plaats” inneemt, zoals zij dat weergeeft in een gebed van 22 oktober 1936. Haar missie bestaat dus uit bidden, zich opofferen en liefhebben, voor de hele wereld, zonder voorbehoud.

„Nee, ik kan niets anders meer, niets anders meer dan liefhebben, mijn behoefte aan Liefde is groter dan die aan zuurstof voor mijn lichaam;

Altijd voel ik het gejaagde kloppen van mijn hart,

Maar ik slaak een lange zucht naar de goddelijke verbintenis Die mij pleegt te leiden naar het hemels verblijf.”

Wat ons bij het lezen van bovenstaande ontboezeming van onze dichteres Marthe opvalt is haar theologisch preciseren: het is de goddelijke verbintenis die de gang naar de hemel bewerkstelligt en niet de verdiensten van Marthe zelf. Het heil is gratis, het is een gave Gods.

„Van mijn God,” zegt Marthe op 8 oktober 1930, „ben ik de kelk; mijn zending is de wereld op te wekken Hem lief te hebben, door zelf overvloedig te beminnen. Ik moet dus elke gelegenheid aangrijpen om licht en waarheid te verspreiden.”

Elke gelegenheid? . . . Jazeker. Daarom ontvangt Marthe sinds 1930 steeds meer bezoekers. En mevrouw Pousse uit St.-Uze is één van die talrijke personen die „de weg naar La Plaine opstijgen”.

Zij vertelt: „Ik zag Marthe voor het eerst in 1935. Ik ging

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x