Hoofdstuk 4 – “Voor jou is het lijden weggelegd”

Hoofdstuk 4

“Voor jou is het lijden weggelegd”

Kreeg Marthe haar eerste aanvallen van hoofdpijn bij haar terugkeer, in mei 1918, van haar zuster Célina in Saint-Sorlin? Volgens sommigen kwamen zij eerder. In ieder geval bevat haar brief die ze op 13 mei schrijft aan haar broer Henri, die even tevoren naar zijn legeronderdeel was vertrokken, niets dat daarop wijst, afgaand tenminste op het antwoord van Henri. In de brief van 7 juli staat er ook niets van in. Buren van de Robins zeggen dat Marthe pas in augustus ziek werd, toen het dorsen begon.

Haar vader vertelde aan iedereen dat zij ziek werd nadat zij onder een noteboom had gezeten. „In onze streek”, zo legde een dokter in Saint-Vallier mij uit, „staan heel wat notebomen en zodra iemand ziek is, zegt men dat de notebomen daar de oorzaak van zijn. Maar het slaat natuurlijk nergens op,” aldus de dokter.

Wat is er dan wél gebeurd? Leed Marthe aan duizelingen? Was er een adertje in haar hoofd gesprongen, of had ze daar een gezwel zitten? Volgens Max Achard viel het allemaal wel mee. Hij verklaart namelijk dat Marthe tijdens die omstreden periode te voet naar Saint-Sorlin ging op doktersbezoek. Het waren niettemin de laatste kilometers die zij op deze weg aflegde . . .

Een lethargische encefalitis?

Op 25 november, dat wil zeggen korte tijd na de wapenstilstand in de „Grote Oorlog”, valt Marthe in de keuken op de vloer. Haar moeder is bij haar. Marthe is niet in staat alleen overeind te komen. Voor haar ouders betekent dit incident dat de behandeling die Marthe van de dokter in Saint-Sorlin tot nu toe heeft ontvangen, geen enkel nut heeft gehad. Onmiddellijk laten haar ouders dokter Berne uit Saint-Vallier komen.

Door welke vreemde ziekte is Marthe aangetast? Ze eet niet, spreekt niet en het is of haar beide benen verlamd zijn. Daarbij dommelt ze de hele dag voortdurend in slaap. Is het een aanval van kinderverlamming, meningitis, gewrichtsreumatiek? „Wat had ze een pijn, die arme Marthe,” weet haar nichtje, mevrouw Danthony uit Anneyron, zich te herinneren. „Je hoorde haar schreeuwen!” Af en toe schreeuwde ze het uit van pijn. Maar meestal sliep ze. Het zou inderdaad lethargische encefalitis geweest kunnen zijn. Deze toestand duurde volgens sommigen zeventien maanden, volgens anderen zevenentwintig maanden. Deze laatste bewering houdt in dat de ziekte zich tot april 1921 zou hebben voortgesleept.

Dit komt ons enigszins tegenstrijdig voor, zoals men kan opmaken aan de hand van de ansichtkaarten die haar broer Henri haar van tijd tot tijd stuurde. Henri schreef deze kaarten tijdens zijn diensttijd. Zij zijn gelukkig door zijn neef, de heer Gaillard, teruggevonden. De kaarten houden ons redelijk op de hoogte van de gezondheidstoestand van Marthe in die periode, die zeer wisselvallig blijkt! Doen zijn ouders in hun brieven aan Henri de ziekte van hun dochter minder ernstig voorkomen om hun eigen ongerustheid te verbergen of om hun zoon, de soldaat, niet te ontmoedigen? Hier volgen enkele fragmenten uit de briefwisseling tussen Henri en zijn ouders:

„U schrijft mij dat Marthe nog altijd bij vlagen pijn heeft” (16 januari 1919).

„Zoals ik uit uw brief opmaak, heeft Marthe nog steeds pijn. Wat duurt dat lang! We kunnen wel zeggen dat ze een slecht jaar achter de rug heeft” (23 januari 1919).

„Wat ben ik blij nu ik hoor dat het beter met haar gaat” (9 februari 1919).

40 „U zegt dat Marthe wat vooruit gaat. Laten we hopen dat ze beter is als het wat warmer wordt” (13 maart 1919).

„Marthe komt dus nu wat op krachten. U schrijft me dat u haar injecties geeft opdat ze een beetje aansterkt. Dat is inderdaad een middel met het snelste resultaat” (6 mei 1919).

„Marthe heeft nog steeds pijn. Wat droevig voor haar zo te

moeten lijden en voor hen die bij haar zijn” (26 mei 1919).

„Wat erg deze ziekte die haar zoveel pijn bezorgt en zolang duurt. Hopelijk is ze spoedig op de been als het weer maar eenmaal beter wordt” (31 mei 1919).

„Arme Marthe, ze wil maar niet beter worden” (2 juni 1919).

Het is erg jammer dat de data van de teruggevonden kaarten niet verder gaan dan juni 1919!

Over het jaar 1920 bezitten wij geen documenten. Maar er bestaat een anekdote die men in 1920 of in begin 1921 kan plaatsen. Daarin wordt gezegd dat abbé Payre, die abbé Cluze in 1912 is opgevolgd als pastoor van Châteauneuf-de-Galaure, naar La Plaine is gekomen om Marthe te bezoeken. Tijdens het gesprek dat ze met elkaar voerden is Marthe in een diepe slaap, een soort coma-toestand, gevallen. Maanden later kwam Marthe uit haar slaaptoestand en vroeg: „Is mijnheer pastoor er niet?” Onmiddellijk werd de pastoor gehaald, waarna Marthe de draad van hetzelfde gesprek dat enkele maanden geleden zo abrupt was afgebroken, weer oppakte.

Een herinnering die niet veel anders schijnt te zijn dan een wat uit de hand gelopen slaaptoestand. Gedurende die encefalitis verloor Marthe niet altijd het bewustzijn. Tegen haar zuster Alice, die bij haar bed kwam staan, zei ze bij een van die momenten: „Ik voel ’t als jij het bent.”

In Châteauneuf werd van 6 tot 21 februari een missie gehouden. Maar Marthe kon daar niet van profiteren.

Genezen na het ontvangen van het sacrament der zieken

De eerste tekenen van genezing zijn waarneembaar op 25 maart 1921, feest van Maria-Boodschap. Daarom vinden wij het bezwaarlijk te spreken van een lethargische encefalitis die tot in april van datzelfde jaar zou hebben geduurd.

Alice die in de kamer van Marthe slaapt, schrikt wakker van een hevig lawaai en kijkt verwonderd naar een lichtschijnsel. „Ja, prachtig dat licht, hè?” antwoordt Marthe haar zuster desgevraagd, „maar ik heb ook de Heilige Maagd gezien.”

Maar de Heilige Maagd verricht in het geheel geen wonderen, want het duurt niet lang of de ouders denken dat ze hun kleine Marthe gaan verliezen! Ze laten mijnheer pastoor roepen die het sacrament der zieken komt toedienen. Enige tijd later constateert men dat Marthes toestand verbetert: ze wil opstaan en ze vraagt zelfs naar de keuken gedragen te worden! Zouden ouders in dergelijke gevallen immers niet alles doen om hun dochters wensen in te willigen?

Haar vader haast zich dan ook een fauteuil voor haar te krijgen in Anneyron. Deze fauteuil staat tegenwoordig aan het voeteinde van de divan, in de kamer van Marthe. Aangezien haar benen zeer zwak zijn door maandenlange bedlegerigheid, is Marthe vrijwel niet tot lopen in staat. Maar vader Robin tilt haar al uit het bed en zet haar in de fauteuil. Daar zit ze dan, in de keuken, vlak voor het raam. De luiken worden op een klein kiertje gezet, want haar ogen kunnen al slecht tegen het licht. Iedereen in huis krijgt weer nieuwe hoop.

Naarmate de weken verstrijken, gaat de gezondheidstoestand van Marthe steeds meer vooruit. Ze kan al uit haar fauteuil overeind komen en enkele stappen zetten. En het duurt niet lang meer of zij kan lopen, steunend op haar stokken. Een vriendin uit Marthes kinderjaren, mevrouw Montagne, herinnert zich haar de kerk te hebben zien binnengaan, steunend op twee stokken. Zonder twijfel had Joseph Robin haar daar toen met paard en wagen heengebracht. Maar deze uitstapjes hebben zich niet vaak voorgedaan.

Ze las en borduurde

Waar hield Marthe zich feitelijk gedurende dat hele jaar 1921 mee bezig?

Veroordeeld de hele dag onbeweeglijk in haar fauteuil te blijven zitten, of het bed te houden, las Marthe in die tijd veel. De beheerster van de toenmalige parochie-bibliotheek zegt dat Alice en Gabriëlle toen boeken voor Marthe kwamen lenen. Maar we weten niets over het soort lectuur dat Marthe koos.

Een andere bezigheid van haar was borduren. Met de begin-techniek die zij op school had geleerd, aangevuld door de adviezen van de organiste van Châteauneuf, mejuffrouw Caillet, en die van een inwoonster van Saint-Avit die niet lang daarna naar Lyon verhuisde, begon Marthe te borduren en ze kon al spoedig met een zeldzaam gemak met de borduurnaalden omgaan.

Het ene slabbetje na het andere, waar kennelijk veel vraag naar was, kwam uit haar handen te voorschijn. Maar ze had liever wat meer afwisseling in haar borduurwerk gehad dan die eindeloze slabbetjes waarom de klanten haar vroegen. De noodzaak echter geneesmiddelen en vooral aspirine, die zij tegen pijnaanvallen gebruikte, te kopen, noopte haar niet te kieskeurig te zijn. Haar broer Henri, die graag spotte, kon niet nalaten tegen Marthe te zeggen: „Je verdient het water niet dat je drinkt.”

Toch werkte Marthe om haar brood te verdienen. Zij schreef bijvoorbeeld op 1 augustus 1921 aan haar nichtje, Marcelle Serve: „Ik wil met genoegen kant voor je maken.” Zij bood dit overigens ook vele andere familieleden aan, die op dit moment deze borduurwerkjes als kostbare kunstwerkjes bewaren.

Weinig later schreef Marthe weer aan haar nicht: „Ik nodig je dringend uit voor het bijwonen van het patroonsfeest in Châteauneuf op 5 oktober.”

Bedevaartplaatsen en heiligdommen in de streek

In dat zelfde jaar zien we Marthe op bedevaart gaan in de omgeving van Châteauneuf-de-Galaure. Op 15 augustus 1921 bidt zij in Notre-Dame de Chatenay, vlak bij Lens-Lestang, en 8 september is zij in Bonnecombe, bij Hauterives. In die tijd spreekt men in Frankrijk veel over een non, een karmelietes in Lisieux die in 1923 zalig verklaard en, met een ongewone snelheid, reeds in 1925 heilig verklaard zou worden. Haar naam: zuster Theresia van het Kind Jezus.

Marthe, onder de indruk van dit kerkelijke nieuws, denkt erover eveneens tot de orde der karmelietessen toe te treden. Is zij naar die twee aan de Heilige Maagd gewijde heiligdommen gegaan om Maria haar plan toe te vertrouwen? Bidt zij daarvoor wanneer zij met haar borduurwerk bezig is in de keuken of op het erf van de boerderij?

De ontdekking in de koffer op de zolder

In de lente van het jaar 1922 schijnt haar zwakke gezondheidstoestand enigszins draaglijk te worden want Marthe komt een week logeren bij haar zuster Gabriëlle, die in Châteauneuf woont, niet ver van de weg naar Hauterives. Ze is niet erg vlug ter been en ze gebruikt bij het lopen voortdurend een stok. Desondanks weet Marthe zich die week, waarin Gabriëlle afwezig is, behoorlijk goed te redden met de verzorging van de grootvader en van Gabriëlles kind. Marthe doet het huishouden en verzorgt de kippen en konijnen.
Op zekere dag klimt ze naar de zolder. Uit een stoffige koffer die ze doorsnuffelt, haalt ze plotseling een oud gebedenboek te voorschijn. Als ze het openslaat valt haar oog onmiddellijk op een zin die ongeveer luidt: „Je zoekt vreugde, rust, tederheid, maar het is het lijden waarop je je moet voorbereiden”3. Het staat plotseling helder voor haar geest. „Voor jou”, zegt ze tot zichzelf, „is het lijden weggelegd.”

Een andere zin uit het boek trekt haar aandacht: „Je moet God alles geven.” Vanaf dat moment neemt Marthe zich voor zich geheel aan God te wijden. Dan is ze twintig jaar oud.

Wie het hele boek wil lezen, kan het hier bestellen.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x