Hoofdstuk 3 – Marthes eerste stappen en haar eerste dansfeest

Hoofdstuk 3

Marthes eerste stappen en haar eerste dansfeest

Marthe Louise Robin werd op 13 maart 1902 geboren tegen vijf uur in de namiddag. De geboorte vond plaats in het ouderlijk huis in Châteauneuf-de-Galaure. In die tijd baarde de moeder haar kind niet in een kliniek of ziekenhuis, maar thuis. Op het platteland gingen de vrouwen gewoonlijk enkele uren na hun bevalling weer door met hun huishoudelijke bezigheden. Dit gold naar alle waarschijnlijkheid ook voor moeder Robin.

Dit is overigens voor de hand liggend, want sommige, weliswaar niet geverifiëerde, verhalen beweren dat de komst op de wereld van de kleine Marthe verre van iets feestelijks had, maar daarentegen gepaard zou zijn gegaan met een felle woordenwisseling tussen mevrouw en mijnheer Robin. Men kan zich natuurlijk gemakkelijk voorstellen dat door het verschijnen van deze zesde telg in een gezin van arme landbouwers het bestaan van de Robins er nog minder rooskleurig kwam uit te zien.

De doop in Saint-Bonnet

Maar indien er inderdaad van onenigheid sprake was, duurde dat toch niet lang. Want nauwelijks drie weken na Marthes geboorte, op 5 april 1902, Paaszaterdag, barstte het feest los!

Op die dag daalde het gezin, allen „op zijn zondags” gekleed, van La Plaine af langs de kronkelige weg van het kasteel om zich naar de kerk in Saint-Bonnet-de-Galaure te begeven, waar Marthes doopplechtigheid zou plaatsvinden.

Waarom toch in Saint-Bonnet? Wel, deze vroegere gemeente die langzamerhand is afgegleden naar de status van gehucht, behorend bij Châteauneuf-de-Galaure, was toen een parochie met een vaste pastoor. En zo is dat gebleven tot aan zijn dood in 1922.

Op de weg die naar de kerk leidt lopen twee zeer gelukkige kinderen: Henri, een klein ventje van zes jaar, die uitverkoren is om de peter van Marthe te zijn, en Alice, zijn zusje van acht, de meter.

De doopvont van Saint-Bonnet heeft doorgaans niets van een indrukwekkende fontein, maar toen pastoor Caillet zei terwijl hij het water over het voorhoofdje van Marthe liet stromen: „Ik doop u in de naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest” kreeg de plechtigheid iets magistraals, omdat Marthes prille leven al direct in het teken kwam te staan van de H.Drieëenheid.

Op dat moment begon zij, weliswaar zonder stigmata maar niettemin zeer concreet, zich te indentificeren met haar Meester, de Christus, die gestorven is voor de zonden der wereld en die opgestaan is om altijd bij God te blijven. De kerkklokken van Saint-Bonnet hebben dus een goede reden vreugdevol te luiden op deze Paaszaterdag 5 april 1902, die de eerste grote datum betekent in het leven van Marthe Robin.

Het kerkbezoek van de familie Robin

Het is vanzelfsprekend dat de Robins zich goed thuisvoelden in Châteauneuf-de-Galaure, waar hun school stond, waar de markt was en waar zij de opbrengst van hun land verhandelden. Toch lijkt het er veel op dat zij op feestdagen liever de Mis bijwoonden in Saint-Bonnet. In deze kerk hadden zij ook een voor hen gereserveerde „familiebank”, die door een deurtje betreden kon worden.

De Mis werd in die tijd geheel in het Latijn gelezen. Alleen tijdens de gebeden vanaf de preekstoel, die in onze tijd overeenkomen met de voorbeden, las de priester de namen voor van de reeds overleden familieleden van Achard, Robin en andere oude families uit de streek, die hij dan in hun gebeden aanbeval. Na de preek kwam de collecte. Het gezichtje van de kleine Marthe straalde altijd als zij op de koperen schaal haar geldstukje deponeerde als teken van offergave van haar leven.

Zij, evenmin als haar leeftijdgenootjes, gaf zich daarbij zonder twijfel nog geen rekenschap van de betekenis van haar gebaar. Zodra de Mis was afgelopen, en zeker op de dag van Allerheiligen, ging Marthe met haar ouders, broer en zusjes bidden bij het familiegraf van de Robins, dat zich op het rond de kerk gelegen kerkhof bevond.

Toen Marthe nauwelijks twintig maanden oud was, ging het familiegraf weer open. Het water uit de put op La Plaine was besmet en veroorzaakte een tyfus-epidemie die onder meer de dood, op 12 november 1903, van Marthes zusje Clémence tot gevolg had. Ook Alice werd door de ziekte aangetast en ze vermagerde zozeer dat zij kreupel werd. Maandenlang werd zij behandeld in het ziekenhuis van de Charité in Lyon. Marthe zelf werd ook niet door de koorts gespaard. Ze kwam er goed door, maar is na die tijd toch altijd zeer broos gebleven.

De eerste herinnering van Marthe

De eerste gebeurtenis die grote indruk op Marthe heeft gemaakt en haar altijd is bijgebleven, beleeft ze in 1908, als haar zuster Célina mevrouw Serve wordt en zich met haar echtgenoot in Saint-Sorlin gaat vestigen. De kleine Marthe is pas zes jaar en krijgt haar eerste echte verdriet te verwerken. Zij hield zoveel van haar zuster dat zij een zekere mate van jalousie opvatte tegen haar zwager die haar zuster van haar had weggeroofd. Maar dit alles belette haar niet op het huwelijksfeest te komen en te dansen, uitgelaten rondjes te draaien op de dansvloer, zoals trouwens alle meisjes van die leeftijd plegen te doen.

De school in Châteauneuf

Maar dan neemt het leven van alledag weer een aanvang. Marthe is een gehoorzaam kind. „Mijn leven lang ben ik gehoorzaam geweest”, zegt Marthe later. Zij is erg hartelijk. Tegen het middaguur gaat ze graag haar vader halen die op het land werkt. Hij noemt haar „Ma Mimi” („Mijn kleine schat”).

Als ze zes jaar is wordt ze leerlinge op de lagere school van Châteauneuf-de-Galaure, een openbare school voor meisjes. De katholieke school heeft sinds het van kracht worden van de scheiding tussen Kerk en Staat haar deuren gesloten. Elke ochtend loopt Marthe, klossend op haar klompen, in gezelschap van haar broertje en zusjes, de ongeveer drie kilometer naar school, waarbij ze de kortste weg neemt. In de namiddag lopen ze dezelfde afstand weer huiswaarts.

De school stond beneden in het dorp, langs de provinciale weg, hij de Grand-Place. Nu is er een eetgelegenheid gevestigd: „Restaurant de la Petite Marmite”. Voor het restaurant prijkt een prachtige Virginia-tulpenboom, die vooral in de lente een lust voor het oog is. Marthe raakte altijd in vervoering over de kleurenpracht van deze boom. Als ze eenmaal bedlegerig is hunkert ze elk jaar weer naar een bloeiende tak, die haar nichtje, eveneens Marthe genaamd, haar komt brengen.

Bij het uitgaan van de school — in die tijd bestaan er nog geen schoolkantines — om elf uur ’s morgens, gaat Marthe vrij dikwijls naar een vriendin, die Marthe haar verdere leven trouw zal blijven. Ze woont naast de parochiekerk en wel in de vroegere katholieke school die vôôr de Scheiding door nonnen werd geleid.

Als het mooi weer is spelen de beide vriendinnen op de binnenplaats. Soms beklimt Marthe het trapje voor het Mariabeeld dat zich in een nis boven de hoofdingang van het huis bevindt en waarbij zij dan wat verse bloemen legt. Tegen het eind van haar leven, toen ze bijna tachtig was, wist ze zich dit beeld nog heel goed voor de geest te halen. Korte tijd voor haar dood zei ze tegen haar vriendin: „Je moet absoluut dat voetstuk laten repareren. Anders zal het vast een dezer dagen vallen!” Haar vriendin antwoordde: „Wat vertel je me daar? Hoe weet je dat? Ik begin te geloven dat je elke nacht op stap bent!” Marthe en haar vriendin moesten toen hartelijk lachen.
Maar laten we terug keren naar de school. Als het tegen 12 uur is, en tijd om te eten, pakt Marthe uit haar mandje de maaltijd die haar moeder altijd voor haar klaarmaakt. Soms eet Marthe op school.

Een andere vriendin van haar’ vertelt dat Marthe in die tijd al heel weinig at. „Een keer nam ze een heel klein hapje van een hard gekookt ei. Plotseling had ze geen honger meer en liep ermee naar een terrein naast de school waar zij de rest op gooide. Marthe zei tegen me ,Je zegt er niets van, nietwaar?’ ”

Voor katechismusles . . . opnieuw naar Saint-Bonnet!

Op bepaalde dagen, zodra de school om elf uur uit gaat, loopt Marthe vlug naar Saint-Bonnet waar zij katechismusles volgt. Nog eens twee kilometer lopen, heen en terug. Wat een sport! Maar waarom moet Marthe die twee kilometer naar SaintBonnet afleggen, als mijnheer pastoor van Châteauneuf en de dames die hem daarbij helpen, ter plaatse al katechismus geven? Eenvoudig omdat mijnheer Caillet, pastoor van Saint-Bonnet, die tamelijk jaloers is op zijn collega in Châteauneuf, vreest dat zijn kleine parochiaantjes hem wel eens zouden kunnen ontglippen . . . Ga dus voor katechismusles naar Saint-Bonnet! Die behoort toch immers in een kerkruimte gegeven te worden? Het blijkt overigens dat Marthe boordevol vragen was.

Een scholier die dikwijls ziek is

Wij beschikken jammer genoeg niet over gedetailleerde herinneringen over Marthe als scholiere. Er zijn alle redenen om aan te nemen dat zij op school even gehoorzaam was als thuis en dat zij leergierig was. Evenzeer moet zij in alle opzichten een goede leerlinge zijn geweest, omdat zij een goed verstand had en een sterk geheugen dat zelfs boven het gemiddelde lag, zoals iedereen steeds bij haar heeft kunnen vaststellen. Daarbij hield ze heel veel van de directrice en de onderwijzeressen van de school.

Een remmende factor bij dit alles, die haar schooltijd in belangrijke mate heeft beïnvloed, is het feit dat Marthe regelmatig ziek was, waardoor zij vaak twee of drie dagen achtereen niet op school verscheen. Ook kwam het voor dat zij thuisbleef om haar moeder te verzorgen, die dikwijls last had van galaanvallen.

Haar schoolopleiding vertoonde dus aardig wat „gaten”. Maar dit noodgedwongen schoolverzuim heeft bij Marthe een liefdevol begrip voor de zieken aangekweekt. Later zei ze daarover: „Als men mij mijn gang had laten gaan, had ik over bergen en dalen gelopen om ’n zieke te bezoeken. Niet zozeer om hem te verzorgen, maar vooral om hem te beminnen.”

Marthe nam niet deel aan het eindexamen van de lagere school. Weet u ook waarom niet? Op de dag van het examen was Marthe . . . ziek.

Maar wat was ze vrolijk en schalks!

Laten we nog even bij haar schooltijd blijven en enkele woorden wijden aan de recreatie. Wanneer de meisjes niets te doen hadden, klommen zij het liefst op het hek van de speelplaats voor de schoolingang om dan het treintje, dat van Saint-Vallier naar Grand-Serre reed, voorbij te zien gaan en lange tijd na te staren. Deze stoomtreintjes, die de „tuf-tufs” werden genoemd, deden alle dorpjes aan met een snelheid van slechts . . . zes kilometer per uur. De schoolmeisjes hadden dus alle gelegenheid om machinist en reizigers al zwaaiend met hun armen een goede reis toe te wensen.

Maar vanzelfsprekend deden ze, zoals alle meisjes van hun leeftijd, spelletjes als hinkelen, touwtje-springen of knikkeren. Als een schoolvriendinnetje vals speelde, dan kwam het wel voor dat Marthe, die haar ogen niet in haar zak had, opmerkte: „Je speelt vals. Maar dat hindert niet, hoor! Ga maar door!” Deze vergevingsgezinde houding van Marthe was dan meestal wel voldoende om een vals spelend speelkameraadje flink te ontmoedigen.

Marthe kende haar gelijke niet bij het spel en als er gelachen moest worden. Al haar vroegere schoolkameraadjes bevestigen dat zij erg vrolijk en bijdehand was.

Maar ze kon soms ook wel een deugniet zijn! Eens deed ze haar vriendinnen in lachen uitbarsten toen ze op de jaarmarkt in Châteauneuf een konijnestaart op de rug van een voorbijganger bevestigde. De uitgelaten meisjes wilden de man eerst een papiertje met wat tekst op de rug spelden, maar ze hadden geen enkel schrijfgerei bij zich. Vandaar die konijnestaart!

Het vormsel in 1911 en de eerste communie in 1912

Wij zijn nu in het jaar 1911. Monseigneur Chesnelong, bisschop van Valence (later werd hij tot aartsbisschop van Sens benoemd) komt naar Châteauneuf om het vormsel toe te dienen. In het parochie-register van dit dorp staat de datum van deze plechtigheid: 3 mei 1911. Op 15 augustus van het jaar daarop doet Marthe haar eerste communie. Sommigen vinden het een „schandaal” en vallen Marthes ouders erop aan dat zij pas op tienjarige leeftijd haar eerste communie doet.
Maar deze lieden hadden vergeten dat het decreet „Quam singulari” van paus Pius X over de communie van de kleintjes slechts twee jaar eerder, op 8 april 1910, was uitgevaardigd en dat het in werking treden daarvan zeer langzaam geschiedde. Want de Franse bisschoppen in het bijzonder zetten er niet veel vaart achter om een vroegtijdige communie te stimuleren. Hun „boycot” was zô duidelijk dat Pius X in 1912 vierhonderd Franse kinderen uitnodigde om naar Rome te komen waar zij in de Sixtijnse kapel persoonlijk uit zijn handen de communie ontvingen.

„In augustus 1912″, zegt de bekende Franse katholieke schrijver Daniel Rops in zijn Kerkgeschiedenis, „zijn vierhonderd Franse kinderen naar Rome gereisd om de paus te bedanken omdat hij zo goed is geweest de communieleeftijd te verlagen.” In augustus 1912? Alsof het speciaal om de communie van Marthe ging!

Deze samenloop van omstandigheden lijkt wonderbaarlijk en onmiddellijk zal men denken dat de pastoor van Châteauneuf de communie opzettelijk zô heeft georganiseerd dat deze samenvalt met de communie-uitreiking aan de 400 kinderen in Rome. Deze uitleg kan genoegdoening verschaffen aan hen die tegenwerpen: „Een eerste communie vindt ten eerste nooit in die periode plaats en ten tweede zijn er dan ook geen katechismuslessen!”

Ongelukkig genoeg heeft Daniel Rops zich enigszins in de datum vergist. De bedevaartgang van de Franse kleintjes vond namelijk in werkelijkheid op 14 april 1912 plaats. Nou ja, zand erover! Maar het begint er tenminste op te lijken dat vanaf die datum de parochie van Châteauneuf, althans wat de communie betreft, het ritme van Rome begint aan te nemen.

Als u alsnog wilt weten waarom Marthe haar eerste communie op een 15de augustus deed? De verklaring is doodsimpel. Op het moment dat Marthe haar eerste communie zou doen, die door mijnheer pastoor in de parochie was georganiseerd, lag zij met fikse mazelen in bed . . . Altijd ziek, onze Marthe!

De zoon van de onderwijzer van de plaatselijke openbare school was tegelijkertijd het slachtoffer van hetzelfde virus. Pastoor Cluze heeft toen de beide kinderen uitgenodigd de grote dag met een speciale, individuele, retraite voor te bereiden. En die vond plaats in de tuin van de pastorie, waar abbé Auric later enkele lokalen liet bouwen ten behoeve van het katechismusonderricht.

Toen de langverwachte dag gekomen was waarop de plechtige ceremonie zou plaatsvinden, gaf pastoor Cluze in deze kerk, waar in het gewelf typische vensters aangebracht zijn, alsof zij de opkomende zon zo gastvrij mogelijk wil begroeten, aan Marthe en de onderwijzerszoon het Heilig Lichaam van Christus. „Ik ben ervan overtuigd”, zegt Marthe later, „dat Onze Lieve Heer op het moment dat ik mijn eerste communie deed, onmiddellijk bezit van mij heeft genomen. Ik geloof dat Hij toen al beslag op mij heeft gelegd. Deze gebeurtenis was iets heel schoons in mijn leven.”

De plechtige communie in 1914

Nauwelijks twee jaar later, op 21 mei 1914, doet Marthe haar plechtige communie. Aangezien Marthe niet de kans heeft gehad na de lagere school haar studie voort te zetten, en omdat er na haar plechtige communie geen verder godsdienstonderwijs werd gegeven, was er een punt gezet achter haar godsdienstopvoeding op school. Maar dat gold geenszins wat haar praktische christelijke beleving betreft. Het omgekeerde was in die tijd maar al te vaak het geval in Saint-Bonnet en elders.

Voor Marthe betekende christen-zijn het beminnen zoals Jezus, en mét Hem: van haar ouders, haar vriendinnen, haar onderwijzeressen, de zieken. Maar het bestond evenzeer uit bidden. Eens verklaarde ze: „Ik heb, ook toen ik nog een klein meisje was, altijd van de goede God gehouden. Mijn zusjes wilden niet dat ik voortdurend bad, maar ik bad toch vooral als ik in mijn bed lag. Ik bad tot de Heilige Maagd. Ik praatte vooral tot Haar. Ik zei voor Haar de gebeden op die ik in een dik vesperboek van mijn grootvader had ontdekt. Steeds wanneer ik naar het dorp ging om boodschappen te doen, vergat ik nooit mijn rozenkrans bij mij te steken. Onderweg bad ik dan.”

Na de school helpen op het land

In 1916 is Marthe 14 jaar. In juli verlaat ze de school en nu gaat ze voortaan haar tijd vullen met hetgeen zij tot nu toe alleen in de schoolvakanties of na het uitgaan van de school deed: zij gaat haar ouders in het huishouden en op het land helpen, zoals alle meisjes van haar leeftijd deden. Overigens werkt Marthe bijzonder graag in de buitenlucht. Waar ze alleen doodsbang voor is, als zij de kudde koeien en geiten bewaakt, is een slang of ander kruipend ongedierte tegen te komen.

Maar buiten dit houdt Marthe van haar herderinnentaak, waarbij zij alle tijd heeft om te bidden. Heel wat later vertrouwt zij aan Marie-Ange Dumas toe: „Bij het bidden voelde ik mij dichter bij God zonder woorden dan met woorden.”

Overigens was Marthe een aantrekkelijk meisje en ze maakte graag een praatje met een jongen uit Mantaille die ’s zondags even bij haar kwam „buurten”. We hadden hem dolgraag ontmoet voor ons onderzoek. Maar hij is al enkele jaren geleden gestorven. Wij weten alleen van hem dat hij de peter was van een baby van wie Marthe de meter was.

Marthe was ook als jong meisje erg vrolijk. Max Achard, de zoon van haar buurman en ongeveer van haar leeftijd, vertelt: „Alle dochters van Robin waren opgeruimde, vrolijke meisjes; ze lachten graag. Hun grootmoeder van vaders kant was precies als zij; ze vond het zélf leuk als de kinderen schik hadden. En ze deed graag met hen mee als ze zongen en dansten. Ze neuriede dan met onverstaanbare woorden hun liedjes mee, terwijl haar handen het ritme klapten. Vader Robin was eveneens een vrolijke natuur en hield ook van een beetje drukte om zich heen. Steevast ging hij ieder jaar op 1 januari iedereen die hij kende langs om „Zalig Nieuwjaar” te wensen.

De winteravonden

De beste tijd om zich te amuseren en te lachen was altijd in de winter als men ’s avonds bij elkaar op bezoek ging. De televisie bestond toen nog niet. Wat waren de gezinnen in die tijd toch gelukkig! Ze konden zelf uitmaken hoe zij hun avonden wilden doorbrengen! Luister maar eens wat Marie-Rose Achard daarover te vertellen heeft: „Als we ’s avonds gegeten hadden was er altijd wel iemand die opperde: ,Zullen we vanavond eens naar Ferdinand gaan . . . of naar Joseph (Robin)?’ We pakten ons dan warm in en gingen dan langs het pikdonkere pad op weg. We troffen onze buren veelal voor het haardvuur knikkebollend in hun stoelen aan . . .

„Door onze komst schrokken ze overeind en dan gingen we in een wijde cirkel rond het haardvuur zitten. Iemand gooide wat meer hout op het vuur, de oudjes staken hun pijpen op en begonnen te praten over de oogst, haalden jeugdherinneringen op, spraken over de goede oude tijd . . .

„Andere keren gingen de mannen aan tafel zitten, waarop een oud roodzwart gekleurd kleedje lag en in het midden een doos fiches werd geplaatst. Dan speelden ze een spelletje kaart. Eerst een partijtje vijfhonderd, later op de avond pandoer. Soms staakten de vrouwen hun breiwerk en zetten zich ook aan de tafel om met de mannen mee te doen.

„Gedurende al die tijd vermaakten wij, de kinderen, ons best met onze eigen spelletjes, zoals handje-plak, zak-doekjeleggen . . . of we mochten in de keuken wat klaarmaken, dikke pannekoeken bijvoorbeeld die we dan om beurten zo hoog mogelijk in de lucht lieten wentelen om ze daarna weer in de pan terecht te laten komen. Het kwam natuurlijk voor dat we de koekepan misten, waardoor de pannekoeken op de vloer ploften. Maar dan zei moeder Rosalie, altijd lachend: ,Op deze manier leer je het toch het beste!’

„ . . . In huizen waar jonge dochters waren, werden van tijd tot tijd balavonden georganiseerd. De meisjes nodigden hun vriendinnen uit de omstreken uit. De jongemannen nodigden zichzelf wel uit. Het nieuws ging van mond tot mond, in de wijde omtrek: ,Zaterdag is er een dansfeestje bij de Robins, of bij de familie Cheval’. Hoe meer mensen op het feest afkwamen, hoe beter. En als er toevallig een accordeonist bij was, kon de vreugde niet op. Maar als die niet voorhanden was dan zong men liedjes die iedereen wel kon meezingen. Men danste de polka, de mazurka, een wals, de konijne-sprongdans. Vaak werden de oudere gasten gevraagd de oude, vlugge rigaudon te dansen, die voor de jongere generatie vrijwel onbekend was.

„Marthe was, evenals haar vriendinnen, ook van de partij op deze familie-bals. Oude inwoners van Saint-Uze, Saint-Sorlin of van Saint-Vallier zeggen, soms wel een beetje té gemakkelijk,dat ze nog met Marthe hebben gedanst. Maar het lijdt geen enkele twijfel dat Marthe inderdaad gedanst heeft op deze dansfeesten. Ze kon goed dansen en aanstekelijk lachen, vooral als iemand haar moppen vertelde.”

Toen Marie-Rose Achard deze gelukkige kinderjaren die zij op La Plaine had doorgebracht, ter sprake bracht, realiseerde ze zich waarschijnlijk voor de eerste keer in haar leven hoe onvergetelijk die periode voor haar is geweest. „Ik ben er mij plotseling van bewust dat elk van die huizen op La Plaine een waar tehuis voor ons allen betekende. Zij vormden stuk voor stuk een warm centrum waarop het leven geconcentreerd was. ,Zij’ kenden slechts die kleine wereld, die paar mensen uit hun onmiddellijke omgeving, maar ,zij’ kenden hen goed en leefden vreedzaam met hen samen.”

Marthe helpt haar zuster in Saint-Sorlin

Maar het kleine wereldje waarvan Marie-Rose spreekt, beperkt zich evenwel niet tot La Plaine. Tijdens de winter van 1916-1917 verblijft Marthe in het gehucht Epars, te Saint-Sorlin, waar zij haar oudste zuster, Célina Serve, in het huishouden helpt. Marthes hulp is niet overbodig als men weet dat haar zuster, wier man als militair aan het front is, alleen staat voor de verzorging van haar twee kleine kinderen en van haar schoonvader. Hij woont bij haar in en is al over de 80.

Mevrouw Serve moet ook nog het nodige werk op de boerderij doen. Als zij die moeilijke periode ter sprake brengt kan mevrouw Serve, die nu al ver in de negentig is maar niettemin nog altijd begiftigd met een uitstekend geheugen, niet nalaten steeds weer uit te roepen: „Marthe was zô bijdehand! En zô lief!”

Marthe zelf vond het erg fijn haar zuster bij te staan. Ze hield zich graag bezig met de kinderen en vond het plezierig de dieren te verzorgen. Ze had er zo’n schik in dat ze de maanden april en mei 1918 ook in Saint-Sorlin bij haar zuster doorbracht.

Er waren echter dingen die ze verafschuwde: de verzorging van de zijderupsen en de varkens! Zij had instinctmatig een afkeer van deze beesten. Maar Marthe liet dit nooit blijken. Ze volstond ermee het aan een van haar vriendinnen te vertellen. Marthe was discreet, had geen grillen of nukken en maakte geen drukte over een kleinigheid. Haar vreugde vond ze heel eenvoudig in het helpen van anderen.

Wie het hele boek wil lezen, kan het hier bestellen.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x