Zaterdag 2 november 2019 – gedachtenis van alle overleden gelovigen (19.00 uur in onze kerk) – Allerzielen

Zaterdag 2 november 2019 – gedachtenis van alle overleden gelovigen (19.00 uur in onze kerk) – Allerzielen

Uit het geschrift van de heilige Ambrosius, bisschop van Milaan († 387), over de dood van zijn broer Satyrus

Laten wij sterven met Christus om met Hem te leven

Wij stellen vast dat de dood een winst is en het leven een straf. Daarom heeft Paulus gezegd: ‘Voor mij is leven Christus en sterven winst’ (Fil. 1, 21). Wat betekent Christus? Toch niets anders dan lichamelijk sterven en geestelijk leven. Laten wij dus sterven met Hem om met Hem te leven. Elke dag moeten wij vertrouwelijk omgaan met de dood. Door zo afstand te nemen leert onze ziel zich losmaken van lichamelijke genoegens. Zij heeft als het ware een verheven plaats ingenomen, waar aardse hartstochten haar niet kunnen bereiken om zich van haar meester te maken. Zij neemt het beeld van de dood in zich op om aan de dood als straf te ontkomen. De wet van het vlees verzet zich immers tegen de wet van de geest en wil die overleveren aan de wet van de leugen. En bestaat daartegen een geneesmiddel? ‘Wie zal mij redden van dit bestaan ten dode? God zij gedankt door Jezus Christus, onze Heer’ (Rom. 7, 24vv).

Wij hebben een geneesheer. Wij moeten dus zijn geneesmiddel gebruiken. Dat middel is de genade van Christus en het lichaam dat bestemd is voor de dood, is ons eigen lichaam. Wij moeten ons dus ver houden van ons lichaam om niet ver weg te zijn van Christus. Wij zijn wel in ons lichaam, maar mogen de neigingen van ons lichaam niet volgen. Wij mogen de rechten van de natuur niet prijsgeven, maar moeten daarenboven de gaven van de genade verkiezen.

Wat nog meer? Door de dood van één enkel mens is de wereld verlost. Christus had niet kunnen sterven, als Hij het niet zelf gewild had. Hij vond echter niet dat Hij de dood als nutteloos moest vermijden, want Hij had ons niet beter kunnen redden dan door te sterven. Zo is zijn dood het leven voor allen. Met het teken van zijn dood worden wij gemerkt; zijn dood verkondigen wij in ons gebed; zijn dood belijden wij bij ons offer. Zijn dood is een overwinning, het is een mysterie, het is ieder jaar een groot feest voor de wereld.

Wat kunnen wij verder nog over zijn dood zeggen? Zijn goddelijk voorbeeld is voor ons het bewijs dat de onsterfelijkheid alleen wordt verkregen door de dood en dat de dood zichzelf heeft vrijgekocht. Treuren over de dood mag dus niet: hij heeft de redding voor ons allen bewerkt. Probeer niet aan de dood te ontkomen. Gods Zoon heeft hem niet veracht, Hij is er niet voor gevlucht.

De dood is er niet van nature maar is natuurlijk geworden. Hij is door God niet vanaf het begin geschapen maar als een geneesmiddel gegeven. Na de veroordeling om de ongehoorzaamheid werd het menselijk leven een ellende van dagelijks zwoegen en ondraaglijk getob. Er moest aan dit lijden een einde komen, zodat de dood zou herstellen wat door het leven verloren gegaan was. Want zonder die adem van de genade is onsterfelijheid geen voordeel maar een last.

Onze geest heeft het vermogen zich uit de doolhof van dit leven en de warboel van dit aardse vrij te maken, het hemelse samenzijn te bereiken, al is dit aan heiligen voorbehouden, en Gods lof te zingen. Die lof bezingen zij met citerspel, zoals wij uit de heilige Schrift vernemen: ‘Groot en wonderbaar zijn uw daden, Heer God, Albeheerser. Rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, Koning der eeuwen. Wie zou U, Heer, niet vrezen en uw Naam niet verheerlijken? Want Gij alleen zijt heilig. En alle volken zullen komen en U aanbidden’ (Apok. 15, 3-4). Ook uw bruiloft zullen wij zien, Jezus, als uw bruid, de kerk, onder het vreugdegezang van allen van de aarde naar de hemel wordt geleid: ‘tot U komt iedere mens’ (Ps. 65 (64), 3). Zo is zij niet meer aan deze wereld onderworpen maar met de Geest verenigd.

Dit is het wat David boven al het andere voor zich heeft verlangd, namelijk dit te mogen zien en aanschouwen: ‘Eén ding slechts vraag ik de Heer, meer zal ik niet wensen: dat ik in Gods huis mag wonen zolang als ik leef; dat ik de beminnelijkheid van de Heer mag ervaren’ (Ps. 27 (26), 4).