Vrijdag 27-12-2019: Uit de verhandelingen van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430), over de eerste brief van Johannes

Vrijdag 27-12-2019: Uit de verhandelingen van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430), over de eerste brief van Johannes

Het leven is verschenen

bisschop Augustinus van Hippo

‘Het bestond vanaf het begin – we hebben het gehoord en met eigen ogen gezien; we hebben het aanschouwd en onze handen hebben het aangeraakt dáárover spreken wij, over het woord dat leven is’ (1 Joh. 1, 1). Wie zou met zijn handen het Woord kunnen aanraken, als ‘het Woord niet vlees geworden was en onder ons gewoond had’ (Joh. 1, 14)?

Dit woord echter is vlees geworden, om door mensenhanden aangeraakt te kunnen worden; op een bepaald ogenblik is het vlees geworden in de schoot van een maagd, Maria. Dat ogenblik was weliswaar niet de aanvang van het Woord, want, zegt Johannes: ‘het bestond vanaf het begin’. Hier wordt zijn brief bevestigd door zijn evangelie, waaruit ge hebt gehoord: ‘In het begin was het Woord en het Woord was bij God (Joh. 1, 1)’.

Men zou kunnen denken dat met de uitdrukking: ‘het Woord dat leven is’ (1 Joh. 1, 1), op een of andere manier Christus bedoeld wordt, maar niet het lichaam zelf van Christus dat met de handen aangeraakt kon worden. Let echter op het vervolg van de tekst: ‘Het leven is verschenen.’ Christus is dus het Woord dat leven is.

Hoe heeft dit leven zich geopenbaard? Het bestond weliswaar vanaf het begin, maar het was nog niet aan de mensen geopenbaard. Wel aan de engelen die het aanschouwen en er zich mee voeden. Wat zegt echter de Schrift? ‘Brood voor engelen heeft de mens gegeten’ (Ps. 78 (77), 25).

Het leven zelf is dus verschenen in het vlees. En het werd zo in de openbaarheid gesteld, dat een werkelijkheid die alleen door het hart waargenomen kon worden, ook met de ogen gezien kon worden, juist om het hart van de mensen gezond te maken. Want alleen met het hart kan het Woord waargenomen worden; vlees echter wordt ook met de lichamelijke ogen waargenomen. Nu waren wij wel in staat vlees te zien, maar niet om het Woord te zien. Daarom is het Woord vlees geworden, een mens die we konden zien, opdat door de menswording ons hart zou genezen zodat we het Woord konden zien.

‘Wij getuigen ervan,’ zegt Johannes, ‘wij maken het u bekend: het eeuwige leven dat bij de Vader was en zich in ons heeft geopenbaard’ (1 Joh. 1, 2). ‘In ons’ betekent hier: onder ons, of nog duidelijker: wat aan ons is verschenen.

‘Wat wij gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij ook aan u’ (1 Joh. 1, 3). Hoort ge dat? ‘Wat wij gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij ook aan u.’ De leerlingen hebben de Heer zelf lichamelijk aanwezig gezien, zij hebben woorden uit de mond van de Heer zelf gehoord, en die hebben zij ons verkondigd. Ook wij hebben dus gehoord, maar gezien hebben we niet.

Zijn wij daarom minder gelukkig dan zij die gezien en gehoord hebben? Waarom voegt Johannes er dan aan toe: ‘Opdat ook gij gemeenschap moogt hebben met ons?’ (1 Joh. 1, 3). Zij hebben gezien, wij hebben niet gezien. Toch zijn we deelgenoten, omdat we één gemeenschappelijk geloof hebben.

‘En onze gemeenschap is gemeenschap met God de Vader en zijn Zoon Jezus Christus. En wij schrijven u dit om uw vreugde volkomen te maken’ (1 Joh. 1, 3-4). Johannes kan zich slechts een volkomen vreugde indenken in die gemeenschap, in die liefde, in die eenheid.