Ter voorbereiding van de zaterdag in week 32 door het jaar 1, 13-11-2021

Ter voorbereiding van de zaterdag in week 32 door het jaar 1, 13-11-2021

Uit een preek van de heilige Augustinus, bisschop van Hippe (f 430), over de herders

Leg het verband aan van de troost.

Augustinus

‘God straft ieder die Hij als zijn kind erkent (Deut. 8, 5), zegt de Schrift. En jij zegt tegen iemand: jij bent misschien de uitzondering. Als die persoon uitgezonderd is van het lijden door tuchtiging, dan is hij ook uitgezonderd van het getal van Gods kinderen. Je zult zeggen: tuchtigt God werkelijk al zijn kinderen? Ja: Hij tuchtigt al zijn kinderen, zoals Hij zijn enige Zoon getuchtigd heeft. De enige Zoon, geboren uit de Vader zelf, aan de Vader gelijk in de gestalte van God, het Woord door wie alles geschapen is: die Zoon had niets waarin Hij getuchtigd kon worden. Daarom heeft Hij het vlees aangenomen: om zich niet aan de tuchtiging te onttrekken. Welnu, als God zijn enige Zoon die zonder zonde is, tuchtigt, hoe zou Hij dan zijn aangenomen kind dat wel gezondigd heeft, daarvan ontslaan? De apostel Paulus zegt dat wij geroepen zijn om aangenomen te worden als kinderen van God. Wij hebben die aanneming ontvangen om erfgenamen te zijn samen met zijn enige Zoon, ja om zijn erfenis te zijn. ‘Vraag Mij, Ik geef u de volken als erfdeel’ (Ps. 2. 8). In zijn lijden heeft Hij ons een voorbeeld gegeven.

Het is echter duidelijk dat de zwakke niet mag bezwijken onder de komende beproevingen. Daarom mag je hem niet bedriegen met een valse hoop en hem evenmin schrik aanjagen. Zeg hem: ‘Bereid u voor op de beproevingen’ (Sir. 2. 1). Misschien begint hij te wankelen, te beven en te weigeren verdere stappen te zetten. Je hebt hem nog iets te zeggen: ‘God is getrouw; Hij zal niet toestaan dat gij boven uw krachten beproefd wordt’ (1 Kor. 10. 13). Deze belofte en de aankondiging van het toekomstige lijden zullen de zwakke sterken. Als iemand bovenmate bevreesd en verschrikt is en je belooft hem de barmhartigheid van God – niet door te zeggen dat er geen beproevingen zullen zijn, maar door hem voor te houden dat God niet toestaat dat een mens boven zijn krachten beproefd wordt – in dat geval heb je een gebroken mens verbonden.

Er zijn ook mensen die zich sterk wapenen, als ze van de toekomstige beproevingen horen en er als het ware naar dorsten als naar hun geliefde drank. Ze vinden het geneesmiddel dat aan de gelovigen aangeboden wordt, voor zichzelf weinig belangrijk: zelf streven ze immers naar de heerlijkheid van de martelaren. Maar er zijn anderen die van toekomstige beproevingen horen die noodzakelijk zullen komen, en als het zover is, breken ze en bezwijken. Niettemin moeten die beproevingen er voor een christen komen, en alleen hij die een echte christen wil zijn, ervaart ze.

Leg het verband aan van de troost en verbind wat gebroken is. Zeg: vrees niet, Hij in wie je gelooft, verlaat je niet in de beproevingen. God is getrouw. Hij staat niet toe dat je boven je krachten beproefd wordt. Je hoort dat niet van mij, maar de apostel Paulus zegt het. En hij vraagt ook: ‘Gij verlangt het bewijs dat Christus spreekt door mij?’ (2 Kor. 13. 3). Als je deze woorden hoort, hoor je Christus zelf, hoor je de herder die Israël weidt. Tot Hem is immers gezegd: Gij drenkt ons met tranen, maar niet bovenmate’ (Ps. 80 (79), 6 Vuig.). Want wat de Apostel zegt: ‘Hij zal niet toestaan dat gij boven uw krachten beproefd wordt’, dat drukt de profeet zo uit: ‘niet bovenmate’. Wie je berispt en tevens bemoedigt, wie vrees aanjaagt en ook troost, wie slaat en ook geneest, mag je dus niet wegsturen.