Ter voorbereiding van de woensdag in week 33 door het jaar 1, 17-11-2021

Ter voorbereiding van de woensdag in week 33 door het jaar 1, 17-11-2021

Uit een brief van Conrad van Marburg († 1233), geestelijk leidsman van de heilige Elisabeth

Elisabeth herkende en beminde Christus in de armen

Elisabeth begon toe te nemen in deugd. Zoals ze haar hele leven een troosteres van de armen was, werd ze helemaal een weldoenster voor hen die honger leden, toen ze naast een van haar kastelen een hospitaal liet bouwen waar ze veel zieken en zwakken opnam. Aan al wie haar om een aalmoes vroeg, deelde ze daar overvloedig de weldaad van haar liefde uit, en niet alleen daar, maar in het gehele gebied van haar man. Al haar inkomsten uit de vier vorstendommen van haar man putte ze zozeer uit, dat ze uiteindelijk al haar sieraden en kostbare kleren liet verkopen ten behoeve van de armen.

Ze had de gewoonte al haar zieken twee keer per dag, ’s morgens en ’s avonds, persoonlijk te bezoeken en zelf verzorgde ze dan de zieken die er het ergst aan toe waren. Aan de ene gaf ze voedsel, voor de ander maakte ze het bed op, weer anderen droeg ze op haar schouders en ze betoonde hun vele andere diensten van menslievendheid. Op alles zag haar echtgenoot, zaliger gedachtenis, genadig toe. Na zijn dood wilde Elisabeth naar de hoogste volmaaktheid streven en smeekte me onder veel tranen dat ik haar zou toestaan huis aan huis te bedelen.

Op Goede Vrijdag van dat jaar, toen de altaren ontbloot waren, legde zij haar handen op het altaar van een kapel in haar stad waar ze de minderbroeders ondergebracht had, en in aanwezigheid van enkele getuigen verzaakte ze aan haar eigen wil, aan alle wereldse pracht en praal, en aan al wat men volgens de raad van de Verlosser in het evangelie dient te verlaten. Toen ze daarna inzag dat ze in beslag genomen kon worden door de wereldse drukte en de aardse glorie van deze wereld, waarin ze tijdens het leven van haar man zo roemrijk geleefd had, is zij me tegen mijn zin gevolgd naar Marburg. Daar liet ze in de stad een hospitaal bouwen, bracht er zieken en zwakken bijeen en nodigde de armste en meest verachte mensen aan haar tafel.

Afgezien van deze werken van haar actief leven, moet ik voor God bekennen dat ik zelden zo’n contemplatieve vrouw gezien heb. Sommige religieuzen, mannen zowel als vrouwen, hebben Elisabeth gezien, toen zij uit de afzondering van het gebed terugkwam. Dan straalde haar gezicht en uit haar ogen kwamen stralen als die van de zon.

Vóór haar dood nam ik haar zondebelijdenis af. Toen ik haar vroeg wat er met haar vermogen en haar huisraad moest gebeuren, antwoordde ze dat alles wat ze al lang slechts schijnbaar bezat, van de armen was. Ze vroeg me alles aan hen uit te delen, behalve een versleten onderkleed dat zijzelf droeg en waarin ze begraven wilde worden. Na deze beschikking getroffen te hebben, ontving ze het lichaam van de Heer en daarna, tot aan de vespers, sprak ze nog vaak over de mooiste dingen die ze in preken gehoord had. Vol toewijding beval ze daarna allen die bij haar stonden, bij God aan en ze gaf de geest alsof ze zachtjes insliep.