Ter voorbereiding van de woensdag in week 31 door het jaar 1, 03-11-2021

Ter voorbereiding van de woensdag in week 31 door het jaar 1, 03-11-2021

Uit de geschriften van de priester Gerard Philips († 1972)

De evangelische boodschap.

Het evangelie is de blijde boodschap van het rijk Gods waarvan een eeuwenlange verwachting de komst had afgesmeekt. Al had de volkse opvatting het messiaanse rijk haast tot een spotbeeld gemaakt door het hoofdzakelijk als een tijdperk van stoffelijke welvaart en politieke overheersing voor te stellen, toch zou God zijn belofte gestand doen en het woord van zijn profeten vervullen. De Christus kwam inderdaad om een zichtbare gemeenschap te stichten, doch gerechtigheid en liefde zouden daarin de hoogste waarden vertegenwoordigen. Voornamer dan haar uitwendige organisatie is haar inwendige levensrijkdom. Wel moest de Messias-Koning na het voltrekken van zijn offer en zijn verrijzenis, van zijn jonge stichting heengaan, maar toch zou Hij onzichtbaar met haar en in haar verblijven. Die geheimzinnige tegenwoordigheid van Christus in de kerk wordt niet alleen door Paulus en Johannes verkondigd: ze staat reeds duidelijk vermeld in de synoptische evangeliën, vooral bij Matteüs.

Zegt Jezus niet, wanneer Hij het eenstemmig gebed aanprijst: ‘Waar twee of drie vergaderd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden’ (Mt. 18, 20)? Indien de kerk dus een biddende gemeenschap is, dan zal ze onophoudelijk de weldoende aanwezigheid van de Zoon van God gevoelen.

Maar er is meer. Aan de leiders van het rijk heeft de Heiland op de eerste plaats beloofd dat Hij hen nooit zou verlaten, doch alle dagen tot aan het einde van de tijden met hen zou blijven (vgl. Mt. 28, 20). Hij verklaart zich één met de verkondigers van zijn leer, zoals Hijzelf één is met de Vader. ‘Wie u hoort, hoort Mij, en wie u versmaadt, versmaadt Mij; maar wie Mij versmaadt, versmaadt Hem die Mij gezonden heeft’ (Lc. 10, 16; vgl. Mt. 10, 40). Het klinkt bijna als in de afscheidsrede van Jezus bij Johannes: in de Zoon bezitten de leerlingen ook de Vader, en zo wordt de eenheid voltrokken.

Die vereenzelviging met Jezus is geen voorrecht voor de leraars en gezagsdragers. Ook de geringsten en de kleinsten zijn één met Hem. ‘Wie zulk een kind opneemt in mijn Naam, neemt Mij op’ (Mt. 18, 5). Daarom ook zal een vreselijk oordeel diegene treffen die ergernis geeft en die een van deze kleinen naar het verderf tracht te voeren, want zodoende pleegt hij een aanslag op Christus zelf. Zo groot is de waardigheid van de geringste leerling (vgl. Lc. 9, 48).

Deze gedachtengang vinden we terug in de motivering van het vonnis dat de opperste Rechter in het laatste oordeel uitspreekt (vgl. Mt. 25, 34 vv). Daar krijgt de eenheid tussen Christus en de zijnen een buitengewoon krachtig reliëf. De eeuwige lotsbestemming van elke mens hangt af van zijn liefdadige of liefdeloze houding tegenover de armen, zieken en behoeftigen, met wie de Koning zich persoonlijk één maakt: ‘Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven’ (Mt. 25, 35).

De rechtvaardigen zowel als de zondaars staan over die uitspraak verbaasd. Ze hadden nooit vermoed dat ze Christus zelf voor zich hadden in de plunje van een schamele bedelaar of van een uitgeteerde gevangene of van een hulpbehoevende vreemdeling. Ze volgden alleen de inspraken van hun hart of van hun harteloosheid. Het woord van de Koning hadden ze niet voldoende in zich opgenomen: ‘Wat ge voor een van mijn geringste broeders en zusters gedaan hebt, dat hebt ge voor Mij gedaan’ (Mt. 25, 40). Dat is het geheim van de christelijke naastenliefde, de levenswet waardoor allen één zijn in Christus, en in Hem en door Hem tot goddelijke hoogte worden verheven.