Ter voorbereiding van de viering van maandag 26-04-2021

Ter voorbereiding van de viering van maandag 26-04-2021

Uit het commentaar van de heilige priester Thomas van Aquino († 1274) op het evangelie van Johannes

De opdracht van de goede herder is liefde

Thomas van Aquino

De Heer heeft gezegd: ‘Ik ben de goede herder’ (Joh. 10, 11). Het is duidelijk dat de benaming ‘herder’ aan Christus toekomt. Want evenals een herder zijn kudde hoedt en weidt, zo sterkt Christus zijn volgelingen met geestelijk voedsel, ja met zijn eigen lichaam en bloed. Daarom schrijft de apostel Petrus: ‘Gij waart verdwaald als schapen, maar nu zijt ge bekeerd tot de herder en behoeder van uw zielen’ (1 Petr. 2, 25). En hier is ook het woord van Jesaja van toepassing: ‘Hij weidt zijn kudde als een herder’ (Jes. 40, 11). Om zich te onderscheiden van de slechte herder en de dief, verklaart de Heer: ‘Ik ben de goede herder.’ Zoals er immers sprake is van een goede krijgsman wanneer deze zijn taak als strijder goed vervult, zo is Christus een goede herder, omdat Hij zich geheel en al wijdt aan zijn opdracht.

Eerder heeft Hij gezegd dat de herder door de deur binnengaat en dat Hijzelf de deur is; nu noemt Hij zich herder. Hieruit kan men besluiten dat Hij door zichzelf binnengaat. Dit is inderdaad het geval, want Hij getuigt van zichzelf dat Hij de Vader kent. Maar wij gaan door Hem binnen en bereiken door Hem het eeuwig geluk. Let wel: niemand anders dan Hij is de deur, want niemand anders is het ware licht. Wij kunnen slechts deelhebben aan dit licht. Zo staat er van Johannes de Doper geschreven: ‘Niet hij was het licht, maar hij moest getuigen van het licht’ (Joh. 1, 8). Van Christus echter wordt gezegd dat Hij het ware licht is dat iedere mens verlicht (vgl. Joh. 1, 9). Om deze reden kan niemand van zichzelf zeggen dat hij de deur is; deze benaming heeft Christus zichzelf voorbehouden.

De naam van herder daarentegen heeft Hij ook aan anderen geschonken, aan ledematen van zijn lichaam. Zo was Petrus herder en waren de overige apostelen herders; dit geldt ook voor alle goede bisschoppen op wie het woord van toepassing is: ‘Ik zal u herders geven naar mijn hart’ (Jer. 3, 15). Ofschoon al deze leiders van de kerk niet alleen haar zonen maar ook haar herders zijn, spreekt Christus slechts van één goede herder: ‘Ik ben de goede herder.’ Aldus drukt Hij de macht van zijn liefde uit. Niemand is immers een goede herder, als Hij niet door de liefde één wordt met Christus en aldus lidmaat wordt van de ware herder.

De opdracht van de goede herder is liefde. Daarom zegt de Heer: ‘De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen’ (Joh. 10, 11). Want – vergeten we het niet – het onderscheid tussen de goede en de slechte herder ligt hierin dat de een bezorgd is voor het welzijn van zijn kudde, terwijl de ander alleen aan zijn eigen belangen denkt. Op dit verschil duidt Ezechiël, als hij zegt: ‘Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders hun schapen niet weiden?’ (Ez. 34, 2).

Wie dus zijn kudde gebruikt om alleen zichzelf te weiden, is geen goede herder. Hieruit volgt dat een slechte herder – zelfs hij die herder is in de gewone zin van het woord – geen enkel persoonlijk nadeel duldt, daar hij niet op het welzijn van anderen maar op zijn eigen belang bedacht is. Een goede herder daarentegen verdraagt veel voor de kudde waarover hij waakt, naar het voorbeeld van Jakob die getuigde: ‘Overdag verging ik van de hitte, ’s nachts van de kou, en ik heb mijn ogen geen slaap gegund’ (Gen. 31, 40). Maar omdat het geestelijk heil van de kudde belangrijker is dan het lichamelijk leven van de herder, moet elke geestelijke herder, wanneer het heil van zijn kudde bedreigd wordt, schade durven lijden en zijn leven op aarde durven verliezen. Dit bedoelt de Heer als Hij zegt: ‘De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen’ (Joh. 10, 11). Door dit leven op te offeren voor het heil van zijn kudde stelt hij een daad van gezag en van liefde. Christus heeft ons het voorbeeld gegeven: ‘Wat liefde is, hebben wij geleerd van Christus: Hij heeft zijn leven voor ons gegeven. Dus zijn ook wij verplicht ons leven te geven voor onze naaste’ (1 Joh. 3, 16).