Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Uit de verhandeling van Hilarius, bisschop van Poitiers († 367), over psalm 122 (121)

Het hemelse Jeruzalem

Wat is er gezegd dat ons reden tot blijdschap geeft? Toch zeker het volgende: ‘Wij trekken naar Gods huis!’ (Ps. 122 (121), 1). Vandaar onze vreugde, hier komt onze uitgelatenheid vandaan, omdat er gezegd is dat wij het huis van de Heer moeten binnengaan. Wat het huis van de Heer is, blijkt uit een andere psalm waar staat: ‘Want God heeft Sion gekozen, zijn woning wenste Hij daar. Voor eeuwig zal Ik hier rusten, hier woon Ik, dit is mijn keus’ (Ps. 132 (131), 13-14). En daarmee wordt in elk geval niet bedoeld dit aardse, bouwvallige Jeruzalem, maar het vrije en hemelse, omdat ook dat Jeruzalem Sion heet. Door daar te wonen – het is immers het huis van God – zijn ook wij geen ballingen meer, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God (vgl. Ef. 2, 19). Vandaar onze vreugde als wij horen dat wij op weg zijn naar het huis van de Heer.

Om te vermijden dat men in onwetendheid of onzekerheid blijft omtrent dit huis waar wij, volgens de woorden van de psalm, naar toe gaan, wordt dan gezegd: ‘Nu mag mijn voet, Jeruzalem, uw poorten binnentreden’ (Ps. 122 (121), 2). Hiermee verkondigen zij iets ondubbelzinnigs, iets wat niet bepaald onbekend is. Het huis waarop hier wordt gezinspeeld, is het zo lang verwachte huis dat door velen uitverkoren is. Want de Schrift zegt: ‘Eén ding slechts vraag ik de Heer, meer zal ik niet wensen: dat ik in Gods huis mag wonen zolang als ik leef. Dat ik de beminnelijkheid van de Heer mag ervaren, zijn tempel weer met eigen ogen mag zien’ (Ps. 27 (26), 4). Ergens anders staat: ‘Het huis waar Gij woont, heb ik lief, Heer, de plaats waar uw glorie verwijlt’ (Ps. 26 (25), 8). Dat is dus het zo lang verwachte huis. Het is hetzelfde huis, waarover wij met vreugde horen dat zijn grondvesten bestaan uit twaalf levende edelstenen; verder dat die stenen bij het begin van de bouw door Mozes in zijn wetgeving uitgehouwen zijn; dat ze later bewerkt zijn door de profeten in hun lijden, door de Heer in zijn sterven, door de apostelen in hun marteldood en door de Geest in zijn wonderkracht. Dat zijn de bouwers, dat zijn hun bouwwerken en dat is de hier bedoelde stad. Dat zijn de voeten die zijn poorten mogen binnentreden, namelijk de wachters aan wie de sleutels van dit huis gegeven zijn. Er staat immers geschreven: ‘Ik zal u de sleutels geven van het rijk der hemelen’ (Mt. 16, 19). Zalig zijn de voeten van hen die de aard van dit huis verkondigen aan mensen die het niet kennen. Door de profeet worden zij terecht geprezen: ‘Hoe welkom zijn de voeten van de vreugdebode die vrede meldt, van de vreugdebode met goed bericht die een boodschap van heil laat horen’ (Jes. 52, 7).

En opdat men niet zou menen dat dit betrekking heeft op het aardse Jeruzalem, staat er het volgende: ‘Jeruzalem, dat gebouwd wordt als een stad’ (Ps. 122 (121), 3 – Vulg.). Er staat niet ‘een stad’, maar ‘als een stad’. De bouw van die aardse stad, het opbouwen van de tempel en het opstellen van de tabernakeltent is een voorafbeelding van die andere, eeuwige en hemelse stad; en de bouw van onze hemelse stad moet zich voltrekken door alle eeuwen heen, tot aan de voleinding der tijden en door alle geslachten heen. Om die redenen heeft de schrijver het over de bouw van de stad zonder tijdsaanduiding, met de woorden: ‘Het wordt gebouwd als een stad.’ En de bouw duurt totdat, zoals de Apostel zegt, heel het heidenvolk is binnengegaan en heel Israël gered is (vgl. Rom. 11, 25-26).

De kerk is één lichaam; zij bestaat niet uit een samenvoeging van verschillende lichamen; er is geen sprake van vereniging van afzonderlijke ledematen tot een vaag geheel of een vormeloze massa. Die eenheid bestaat bij de gratie van de eenheid van geloof, van de vereniging in liefde, van de eensgezindheid in handelen en willen, en van de ene gave van het sacrament aan allen. Daarom zijn wij allen één. Daartoe spoort Paulus ons aan met de woorden: ‘Ik bezweer u, broeders en zusters, weest één van denken, één in de liefde’ (vgl. 1 Kor. 1, 10; Fil. 2, 2). Dan is bereikt wat er geschreven staat: ‘De menigte die het geloof had aangenomen, was één van hart en één van ziel’ (Hand. 4, 32). Pas dan zijn wij de stad Gods, het heilige Jeruzalem. Want Jeruzalem wordt ‘gebouwd als stad, tot één geheel aaneengesloten’ (Ps. 122 (121), 3 – Vulg.).