Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Uit de geschriften van de heilige Bonaventura, bisschop van Albano († 1274)

Haast u naar de bruiloft van de Zoon van God

In het boek van de Openbaring spreekt Jezus Christus, uw geliefde bij uitstek, u aldus toe: ‘Wees getrouw tot de dood en Ik zal u de kroon des levens geven’ (Apok. 2, 10). Deze kroon is niets anders dan de beloning van het eeuwige leven, en alle christenen moeten dringend worden aangespoord om naar deze kroon te verlangen. Tot deze beloning, tot deze kroon wordt u door uw beminde bruidegom Jezus Christus in het Hooglied uitgenodigd: ‘Kom van de Libanon, mijn bruid’, mijn vriendin, ‘kom van de Libanon, kom’ (Hoogl. 4, 8), u zult gekroond worden. Sta dus op, vriendin van God, bruid van Jezus Christus, duif van de eeuwige Koning; kom, haast u naar de bruiloft van de Zoon van God, want het hele hemelse hof verwacht u, alles staat voor u klaar. Klaar staan een mooie en edele dienaar om u te bedienen, een kostelijke en verrukkelijke spijs om u te verkwikken en een aangenaam en bijzonder lief gezelschap om samen met u te vieren.

Sta dus op en haast u snel naar de bruiloft, want daar staat een mooie dienaar klaar om u te bedienen. Die dienaar is geen ander dan een menigte engelen, ja de Zoon van de eeuwige God zelf, zoals Hij in het evangelie van zich getuigt: ‘Hij zal zich omgorden, hen aan tafel nodigen en langs hen gaan om te bedienen’ (Lc. 12, 37). Wat zal dat een grote eer zijn voor de armen en verworpenen, als zij de Zoon van God, de Zoon van de hoogste Koning en de hele gemeenschap van de bevolking van het rijk der hemelen als dienaar zullen hebben!

Klaar staat daar ook een kostelijke en verrukkelijke spijs om u te verkwikken. Want de Zoon van God zelf zal eigenhandig de tafel klaarzetten, zoals Hij in het evangelie over zichzelf getuigt: ‘Ik verleen u het koninkrijk, zoals mijn Vader het Mij heeft verleend, om in mijn koninkrijk aan mijn tafel te eten en te drinken’ (Lc. 22, 29-30). Wat is die spijs die God in zijn goedheid bereidde voor wie verdrukt waren, heerlijk en verrukkelijk (vgl. Ps. 68 (67), 11)! ‘Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid’ (Joh. 6, 51). Met deze spijs, met dit brood voedt en verkwikt de hemelse Koning de uitverkorenen aan zijn tafel, zoals in het boek van de Wijsheid gezegd wordt: ‘Uw volk hebt Gij met engelenspijs gevoed en hun vanuit de hemel zonder ophouden een toebereid brood gegeven dat iedere smaak in zich had, dat aangenaam was voor ieder die het proefde en dat veranderde in wat ieder wenste’ (Wijsh. 16, 20.21). Dát is de verkwikking van de goddelijke tafel.

Klaar staat daar eveneens dat aangename en bijzonder lieve gezelschap om samen met u te vieren. Daar zal immers Jezus zijn met de Vader en de heilige Geest; daar zijn ook Maria en de met bloemen getooide menigte van de maagden; daar zijn de apostelen, de martelaren, de belijders en de hemelse menigte van alle uitverkorenen.

Daar is alles waar u van houdt, alles waarnaar u verlangt. Als u van schoonheid houdt: daar ‘zullen de rechtvaardigen schitteren als de zon’ (Mt. 13, 43). Houdt u van een lang en gezond leven: daar is de eeuwige gezondheid, want ‘de rechtvaardigen leven tot in eeuwigheid’ (Wijsh. 5, 15) en het heil van de rechtvaardigen is zonder einde. Bent u graag verzadigd: zij zullen verzadigd worden als de heerlijkheid van God verschijnt (vgl. Ps. 17 (16), 5). Houdt u van heerlijke drank: ‘Gij drenkt hen aan de stroom van uw geneugten’ (Ps. 36 (35), 9). Als aangename melodieën u bekoren: daar zingen alle koren van de engelen samen onophoudelijk de lof van God. Als u van vriendschap houdt: daar beminnen de heiligen God meer dan zichzelf en elkaar als zichzelf, daar bemint God hen meer dan zij zichzelf beminnen. Houdt u van eensgezindheid: allen hebben daar slechts één wil, omdat zij geen andere wil kennen dan de wil van God. Als u geniet van eer en rijkdom: God zal zijn goede en getrouwe dienaren en dienaressen over veel aanstellen (vgl. Mt. 25, 21.23); zij zullen zelfs zonen en dochters van God genoemd worden en het ook zijn; waar God is, daar zullen ook zij zijn, ‘en wel erfgenamen van God, te zamen met Christus’ (Rom. 8, 17).