Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Uit de Belijdenissen van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430)

Onrustig is ons hart totdat het rust vindt in U

‘Groot zijt Gij, Heer, en alle lof waardig’ (Ps. 145 (144), 3); ‘Groot is uw macht en uw wijsheid heeft geen maat’ (Ps. 147A (146), 5). Loven wil U een mens, een deel maar van uw schepping, en nog wel een mens die zijn sterfelijkheid met zich draagt (vgl. 2 Kor. 4, 10), die het bewijs van zijn zonden met zich meedraagt en het bewijs dat Gij de hovaardigen weerstaat (vgl. 1 Petr. 5, 5). Toch wil een mens U loven, een mens, die maar een deel is van uw schepping. Gijzelf zet hem aan, dat hij er zijn vreugde in vindt U te loven. Want Gij hebt ons gemaakt voor U en onrustig is ons hart totdat het rust vindt in U.

Heer, laat mij weten en begrijpen wat het eerst moet zijn: U aanroepen of U loven, U kennen of U aanroepen. Maar wie roept U aan zonder U te kennen? Want dan zou men onwetend iets anders kunnen aanroepen. Of moet men U aanroepen om U te leren kennen? ‘Maar hoe kan men iemand aanroepen zonder in hem te geloven? Of hoe kan men in iemand geloven, als niemand hem verkondigt?’ (Rom. 10, 14).

‘Die de Heer zoeken, zullen Hem loven’ (Ps. 22 (21), 27). Want al zoekend vinden zij Hem, en vindend zullen zij Hem loven. Laat mij, Heer, U aanroepend zoeken en, in U gelovend, U aanroepen: Gij zijt immers aan ons verkondigd. Heer, mijn geloof roept U aan, mijn geloof dat Ge mij hebt geschonken, dat Ge mij hebt ingegeven door uw mensgeworden Zoon, door het dienstwerk van uw verkondiger.

En hoe zal ik mijn God, mijn God en Heer, aanroepen: ik roep Hem toch in mijzelf te komen, wanneer ik Hem aanroep? En welke plaats is er in mij waar mijn God in mij kan komen? Waar zou God in mij kunnen komen, God die hemel en aarde gemaakt heeft? Is er, Heer mijn God, soms iets in mij dat U kan omvatten? Omvatten U soms hemel en aarde, die Gij hebt gemaakt en waarin Ge mij hebt gemaakt? Of is het zo dat al wat bestaat U omvat, omdat al wat bestaat niet zonder U kan bestaan?

Maar ook ik besta; wat vraag ik dan dat Gij in mij komt? Ik zou niet bestaan als Gij niet in mij zoudt zijn. Want ik ben nog niet in het dodenrijk en toch zijt Gij ook daar. Immers, ‘al daal ik af in het dodenrijk, Gij zijt aanwezig’ (Ps. 139 (138), 8). Ik zou dus niet bestaan, mijn God, ik zou volstrekt niet bestaan, als Gij niet in mij waart. Of kan ik niet beter zeggen: ik zou niet bestaan, als ik niet was in U, uit wie en door wie en in wie alles is (vgl. Rom. 11, 36)? Ja, zo is het, Heer, zo is het. Waarheen roep ik U, als ik U aanroep, daar ik toch in U ben? Of vanwaar zoudt Gij in mij komen? Want waarheen buiten hemel en aarde zou ik gaan, opdat Hij vandaar in mij komt, mijn God die heeft gezegd: ‘Hemel en aarde zijn vol van Mij’ (Jer. 23, 24)?

Wie zal mij geven dat ik rust mag vinden in U? Wie zal mij geven dat Gij komt in mijn hart en het dronken maakt, om zo mijn kwaad te vergeten en U, mijn enig goed, te omhelzen? Wat zijt Gij voor mij? Gedoog dat ik spreek. Wat ben ikzelf voor U dat Gij mij beveelt U te beminnen, en als ik het niet doe, vertoornd zijt en mij dreigt met nameloos kwaad? Is het dan maar een gering kwaad U niet te beminnen? Ach, zeg mij bij uw barmhartigheid, Heer, mijn God, wat zijt Gij voor Mij?

‘Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil’ (Ps. 35 (34), 3). Zeg het zo dat ik het hoor. Zie, de oren van mijn hart zijn naar U toegewend, Heer, open ze en zeg tot mijn ziel: ‘Ik ben uw heil.’ Ik zal die stem naijlen en U vastgrijpen. ‘Verberg uw aangezicht nu niet voor mij’ (Ps. 143 (142), 7). Of ik sterf of niet sterf, laat mij uw aanschijn zien.