Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Uit de ‘Levenslessen bij het boek Job’ van de heilige paus Gregorius de Grote († 604)

Een eenvoudig en rechtschapen man die God vreest

Sommige mensen zijn zo eenvoudig dat ze werkelijk niet weten wat met rechtschapenheid bedoeld wordt. Maar naarmate ze afstand nemen van de onschuld van de ware eenvoud, komen zij ook niet tot de deugd van de rechtschapenheid. Zolang zij immers niet bedachtzaam kunnen leven door hun rechtschapenheid, kunnen ze zeker niet onschuldig blijven in hun eenvoud.

Om die reden vermaant Paulus zijn leerlingen als hij zegt: ‘Ik wens u toe, dat gij, volleerd in het goede, eenvoudig blijft in het kwaad’ (Rom. 16, 19 – Vulg.). Ergens anders zegt hij daarom: ‘Weest kinderen in de boosheid, maar niet in uw oordeel’ (1 Kor. 14, 20).

Daarom is door de altijddurende Waarheid aan haar leerlingen als opdracht gegeven: ‘Weest omzichtig als slangen en argeloos als duiven’ (Mt. 10, 16). Beide aspecten horen dus noodzakelijk bij elkaar: de slang dient met haar sluwheid de duif in haar argeloosheid te onderrichten en de duif dient in haar eenvoud de sluwheid van de slang aan banden te leggen.

Om die reden openbaart de heilige Geest aan de mensen zijn aanwezigheid niet alleen in de gestalte van een duif, maar ook in die van het vuur. In de gestalte van een duif wijst Hij op zijn eenvoud en in die van het vuur op zijn ijver. Hij maakt zich dus bekend in een duif en in het vuur. Ieder die vervuld is door de Geest, legt zich met mildheid toe op de eenvoud en treedt met de ijver van de rechtschapenen op tegen de zonden van de misdadigers.

‘Een eenvoudig en rechtschapen man vreesde God en hield zich ver van het kwaad’ (Job 1, 1). Iedereen die uitziet naar het eeuwig vaderland, leeft ongetwijfeld eenvoudig en rechtschapen. Hij zal eenvoudig in zijn optreden zijn en rechtschapen in zijn geloof. Hij zal eenvoud betrachten bij de goede werken die hij hier verricht en rechtschapenheid bij de doeleinden die hij voor zichzelf met het oog op het hiernamaals nastreeft. Toch zijn sommigen bij het verrichten van goede werken niet eenvoudig, omdat zij naar erkenning streven in de publieke opinie en de vergelding in het verborgene miskennen. Voor zulke mensen heeft een wijs man ooit gezegd: ‘Wee de zondaar die twee wegen bewandelt!’ (Sir. 2, 12). De zondaar bewandelt immers twee wegen, als hij iets goddelijks in zijn optreden laat zien en tevens iets wereldlijks zoekt door zijn hang naar erkenning.

Terecht wordt daarom gezegd: Hij ‘vreesde God en hield zich ver van het kwaad’ (Job 1, 1). De kerk der uitverkorenen begint immers aan haar weg van eenvoud en rechtschapenheid met de bekommernis om haar te beëindigen in liefde. Wie zich volledig van het kwaad wil afkeren, zal ermee beginnen het zondigen te vermijden omwille van de liefde tot God. Maar als hij het goede uit vrees verricht, heeft hij zich niet volledig van het kwade afgekeerd. Alleen daardoor zondigt hij al, omdat hij zou willen zondigen indien hij dat straffeloos kon doen.

Terecht wordt gezegd dat Job God vreest als hij zich verre houdt van het kwaad. Maar als de liefde volgt op de vrees, wordt het kwaad dat in het hart achterblijft, overwonnen door het voornemen het goede te doen.