Ter voorbereiding van de viering van de zaterdag

Ter voorbereiding van de viering van de zaterdag

Uit de pastorale constitutie over de kerk in de wereld van deze tijd van het Tweede Vaticaans Concilie

Het mysterie van de dood

Het raadsel van het menselijk bestaan is het grootst ten aanzien van de dood. De mens wordt niet alleen gekweld door pijn en door een voortschrijdende aftakeling van zijn lichaam, maar ook en zelfs nog meer door de vrees voorgoed te verdwijnen.

Instinctmatig reageert hij echter juist, als hij huivert bij de gedachte aan een totale ondergang en een definitief einde van zijn persoon en dit alles weigert te aanvaarden. De kiem van de eeuwigheid die hij in zich draagt en die niet te herleiden is tot louter materie, verzet zich tegen de dood. De grootste technische prestaties, hoe nuttig ze ook zijn, kunnen de angstige bezorgdheid van de mens niet wegnemen. Immers, de verlenging van de biologische levensduur kan niet voldoen aan dat onverwoestbaar innerlijk verlangen naar een verder leven.

Terwijl nu ten aanzien van de dood alle verbeelding te kort schiet, verzekert de kerk toch, krachtens goddelijke openbaring, dat God de mens heeft geschapen voor een gelukkig einddoel, over de grenzen heen van de aardse ellende. Ook leert het christelijk geloof dat de lichamelijke dood, waaraan de mens onttrokken was als hij niet had gezondigd, overwonnen wordt, wanneer de almachtige en barmhartige Heiland de mens zal herstellen in het heil dat door eigen schuld verloren is gegaan.

God heeft de mens geroepen en blijft hem roepen om Hem met zijn hele wezen aan te hangen in blijvende gemeenschap met het onvergankelijk goddelijk leven. Dit nu is de overwinning die Christus heeft behaald in zijn verrijzenis ten leven, toen Hij door zijn eigen dood de mens bevrijd heeft van de dood.

Aan iedere mens dus die ernstig nadenkt, geeft een degelijk gegrond geloof een antwoord op de angstige vragen omtrent de menselijke toekomst. Het geeft hem tegelijkertijd de mogelijkheid om door Christus in gemeenschap te treden met zijn dierbare broeders en zusters die door de dood aan hem ontrukt zijn. Immers, het geloof biedt de hoop dat zij het ware leven bij God hebben verkregen.

Op de christen drukken ongetwijfeld de noodzaak en de plicht om, te midden van vele wederwaardigheden, tegen het kwaad te strijden en ook de dood te ondergaan. Maar in gemeenschap met het paasmysterie en gelijkvormig aan Christus’ dood, gaat hij, gesterkt door de hoop, de verrijzenis tegemoet.

Dit geldt niet alleen voor hen die in Christus geloven, maar ook voor alle mensen van goede wil, in wie de genade onzichtbaar aan het werk is. Want omdat Christus voor allen gestorven is en omdat de mens slechts één uiteindelijke roeping heeft, namelijk een goddelijke, moeten wij eraan vasthouden dat de heilige Geest allen in staat stelt om, op een wijze die aan God bekend is, aan dit paasmysterie deel te hebben.

Zo groot is dit mysterie van de mens dat voor de gelovigen oplicht uit de christelijke openbaring. Door Christus en in Christus dus wordt het raadsel van pijn en dood opgehelderd, dit raadsel dat, los van het evangelie, ons beklemt. Christus is verrezen! Door zijn dood heeft Hij de dood vernietigd en ons het leven gegeven, zodat wij, als zonen in de Zoon, door de Geest kunnen roepen: ‘Abba, Vader!’ (Rom. 8, 15; Gal. 4, 6).