Ter voorbereiding van de viering van de zaterdag

Ter voorbereiding van de viering van de zaterdag

Uit het boek van de priester Origenes († 253/254) over het gebed

Geef ieder het zijne

‘Vergeef ons onze schulden’ (Mt. 6, 12). ‘Geef ieder wat hem toekomt. Zorg dat gij niemand iets schuldig zijt. Uw enige schuld blijve de onderlinge liefde’ (Rom. 13, 7.8). Wij hebben dus schulden en wij hebben bepaalde verplichtingen, zowel om iets te geven als om iets vriendelijks te zeggen of om sommige dingen te doen. Maar vooral moeten wij een bepaalde houding tegenover anderen bezitten. Dat zijn onze schulden en wij voldoen die door de verplichtingen van Gods wet te volbrengen. Luisteren wij niet naar het gezond verstand en voldoen wij onze schulden niet, dan blijven die op ons drukken.

Op dezelfde manier moeten wij denken over de schulden tegenover onze medebroeders. Dat zijn zij die naar de opvatting van ons geloof in Christus met ons herboren zijn en zij die met ons dezelfde vader of moeder hebben. Wij hebben ook een zekere schuld tegenover onze medeburgers en nog een andere, een algemene, tegenover alle mensen, in het bijzonder tegenover vreemdelingen, ook tegenover mensen die de leeftijd van onze ouders hebben en nog een andere tegenover hen die wij als onze eigen kinderen en broers of zusters moeten eerbiedigen. Als nu iemand zijn schuld tegenover een medebroeder niet voldoet, blijft op hem de schuld drukken voor wat hij niet gedaan heeft. Zo wordt onze schuld ook groter als wij tegenover een medemens te kort schieten, tegenover wie wij vanuit een geest van menslievendheid en wijsheid verplichtingen hebben.

Maar wij hebben ook schulden waar het onszelf betreft: wij moeten ons eigen lichaam zo gebruiken dat wij het niet uit genotzucht laten wegkwijnen. Wij hebben ook een schuld tegenover onze ziel: wij moeten ook voor haar zorg hebben en letten op de scherpte van onze geest en van onze woorden, zodat wij niet stekelig zijn maar behulpzaam en zeker niet lui. Als wij niet doen wat wijzelf aan onszelf verschuldigd zijn, weegt onze schuld nog zwaarder.

En bij dit alles zijn wij als het hoogste maaksel en schepsel van God verplicht een bepaalde houding tegenover Hem in acht te nemen en de liefde te bewaren ‘met geheel ons hart, geheel onze ziel en geheel ons verstand’ (Mt. 22, 37). Als wij dit niet volbrengen, blijven wij schuldenaars van God en misdoen wij tegen de Heer. En wie zal er dan voor ons bidden? Want ‘als een mens tegen een ander mens misdoet, zal men voor hem bidden, maar als hij tegen de Heer misdoet, wie zal dan voor hem bidden?’ zo zegt Eli in het eerste boek van de Koningen (1 Sam. 2, 25 – LXX).

Maar ook tegenover Christus die ons met zijn eigen bloed heeft vrijgekocht (vgl. Apok. 5, 9), hebben wij een schuld, zoals iedere slaaf tegenover iemand die hem heeft vrijgekocht, een schuld heeft voor het bedrag dat voor hem betaald is. En wij hebben tegenover de heilige Geest een schuld die wij afbetalen, als wij Hem niet bedroeven, ‘want in Hem hebben wij het zegel ontvangen voor de dag van de verlossing’ (Ef. 4, 30). En als wij Hem niet bedroeven, brengen wij de vruchten voort die van ons worden verlangd, omdat Hij ons bijstaat en onze ziel tot leven wekt.

Wij weten wel niet nauwkeurig wie voor ieder van ons de engel is die in de hemel het aangezicht van de Vader ziet (vgl. Mt. 18, 10), maar als wij nadenken, wordt het voor ieder van ons duidelijk dat wij ook tegenover hem een schuld hebben. ‘Wij bevinden ons in een theater voor de wereld, voor engelen en mensen’ (1 Kor. 4, 9) en dan moeten wij beseffen dat een toneelspeler een schuld heeft om voor de toeschouwers iets te zeggen of te doen. Als hij dat niet doet, beledigt hij de hele schouwburg en wordt afgestraft. Zo ook wij: tegenover de hele wereld, tegenover alle engelen en het mensengeslacht hebben wij zo’n schuld. Wat die inhoudt, kunnen wij van de Wijsheid leren, als wij maar willen.

Afgezien van deze algemene verplichtingen is er de schuld van een weduwe die door de kerk wordt ondersteund; verder de schuld van een diaken en van een priester. De zwaarste schuld is die van een bisschop en als die niet wordt voldaan, zal zij door de Verlosser in een geding worden opgeëist. Paulus noemt nog een gemeenschappelijke schuld voor man en vrouw: ‘De man moet aan zijn vrouw het verschuldigde geven; zo ook de vrouw aan haar man.’ En hij voegt eraan toe: ‘Weigert elkaar de gemeenschap niet’ (1 Kor. 7, 3.5). En wat moet ik verder zeggen. Wie dit boekje in handen krijgt, kan uit de inhoud opmaken wat onze schulden zijn waarvoor wij worden vastgehouden, als wij ze niet voldoen.