Ter voorbereiding van de viering van de woensdag

Ter voorbereiding van de viering van de woensdag

Uit een brief van Sulpicius Severus († ca. 420)

Martinus, arm en met weinig tevreden

Martinus had reeds lang een voorgevoel van zijn dood en hij zei tot zijn broeders dat zijn einde weldra zou komen. Intussen bleek er een reden te zijn om de parochie van Candes te bezoeken. Want de priesters van die kerk waren onderling verdeeld en hij wilde de vrede herstellen. En ofschoon hij wist dat het einde van zijn dagen naderde, besloot hij daarom toch op reis te gaan. Want hij beschouwde het als een goede afsluiting van zijn deugdzaam leven, als hij de vrede zou kunnen herstellen en aan die kerk kunnen nalaten.

Nadat hij nu enige tijd had doorgebracht in de plaats en de kerk die het doel van zijn reis waren geweest, en de vrede onder de geestelijken had hersteld, wilde hij naar zijn klooster terugkeren, maar plotseling begonnen zijn lichaamskrachten af te nemen. Toen riep hij de broeders bijeen, en deelde hun mee dat zijn einde nabij was. Groot was de droefheid en smart bij allen. En als uit één mond riepen zij klagend: ‘Waarom, vader, verlaat gij ons? Aan wie laat gij ons verweesd achter? Grimmige wolven zullen uw kudde binnendringen; wie zal ons beschermen tegen hun beten, als de herder zelf geslagen is? Wij weten wel dat gij bij Christus wilt zijn, maar uw loon is verzekerd en zal bij uitstel niet minder worden; heb liever medelijden met ons en laat ons niet in de steek.’

Daarop heeft Martinus, naar men zegt, zijn tranen de vrije loop gelaten, bewogen als hij was door hun jammerklacht. Altijd immers liep hij over van mededogen in de Heer. Hij keerde zich tot de Heer en antwoordde op hun getreur met deze enkele woorden: ‘Heer, als ik voor uw volk nog nodig ben, weiger ik de arbeid niet; uw wil geschiede.’

O boven alle lof verheven man, door de arbeid niet gebroken, niet te breken door de dood; noch voor het een, noch voor het ander had hij voorkeur: hij vreesde niet te sterven en weigerde niet te leven. Zijn ogen en handen waren steeds ten hemel geheven; zijn geest bleef onverstoorbaar in gebed verzonken. En toen priesters die hem op dat ogenblik kwamen bezoeken, hem vroegen zijn lichaam enige verlichting te gunnen door op de andere zijde te gaan liggen, antwoordde hij: ‘Laat mij, broeders, laat mij liever naar de hemel kijken dan naar de aarde; dan kan mijn geest zich al richten op de Heer alvorens de grote reis te beginnen.’ Toen hij dit had gezegd, zag hij de duivel dichtbij staan. ‘Wat sta je hier, bloeddorstig beest? – riep hij – je zult in mij niets vinden, onheilstichter; ik word in Abrahams schoot opgenomen.’

Na deze woorden gaf hij de geest. Martinus werd vol vreugde in de schoot van Abraham opgenomen, Martinus, arm en met weinig tevreden, ging rijk de hemel binnen.

Waarlijk zalig zijt gij, Martinus, in uw mond was geen bedrog, gij oordeelde niemand, gij veroordeelde niemand. Nooit hebt gij over iets anders gesproken dan over Christus, over vrede en barmhartigheid.

Martinus, boven alle lof verheven! Door de arbeid niet gebroken, niet te breken door de dood; gij vreesde niet te sterven en weigerde niet te leven.

Nooit hebt gij over iets anders gesproken dan over Christus, over vrede en barmhartigheid.