Ter voorbereiding van de viering van de woensdag

Ter voorbereiding van de viering van de woensdag

Uit een preek van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430)

Gelukkig wie de Heer in hun eigen huis mochten ontvangen

De woorden van Christus herinneren er ons aan dat de mens zich wel afslooft te midden van talrijke beslommeringen, maar dat hij toch op weg is naar het enig goede. Als pelgrims trekken wij steeds maar verder en hebben wij geen blijvende woonplaats; we zijn altijd onderweg, nog niet thuis in ons vaderland; we leven van verlangens, want ons hart kent nog niet de vreugde der vervulling. Maar laat ons toch niet moe worden, niet stilstaan, laat ons verder trekken, eens bereiken wij het huis van onze verlangens. De beide zusters Marta en Maria, niet alleen bloedverwanten maar tevens verwanten in het geloof, waren gehecht aan de Heer, beiden één van hart in zijn dienst tijdens zijn aardse leven. Marta ontving Hem zoals men een gast ontvangt. Maar toch ontving zij als dienares haar Meester, als zieke haar Heiland, als schepsel haar Schepper. Zij die zelf behoefte had aan geestelijk voedsel, ontving Hem die lichamelijk voedsel nodig had. Want om zich door dienaars te kunnen laten voeden, nam de Heer de gestalte van een dienstknecht aan. De Heer heeft immers het bestaan van een slaaf op zich willen nemen en Hij heeft daarin gevoed willen worden door slaven, uit goedheid, niet uit noodzaak. Want het was ook uit goedheid dat Hij zich liet voeden. Hij bezat een lichaam en kon dus honger en dorst hebben.

De Heer wordt dus onthaald als een gast. ‘Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet. Aan allen echter die Hem wel aanvaardden, gaf Hij het vermogen kinderen van God te worden’ (Joh. 1, 11-12). Slaven nam Hij aan als kinderen en maakte hen tot zijn broeders en zusters; gevangenen verloste Hij en maakte hen tot zijn medeërfgenamen. Maar laat niemand van jullie zeggen: ‘Gelukkig wie Christus in hun eigen huis mochten ontvangen.’ Wees niet bedroefd, en treur niet omdat je geboren bent in een tijd waarin je de Heer niet meer kunt zien in lichamelijke gestalte. Hij die gezegd heeft: ‘Al wat je gedaan hebt voor een mijner geringsten, heb je voor Mij gedaan’ (Mt. 25, 40), heeft jou dus deze gunst niet ontnomen.

Marta, je bent wel gezegend om je dienstwerk, maar neem me niet kwalijk dat ik het zeg: je zoekt voor je arbeid beloond te worden met rust. Nu ben je door vele taken in beslag genomen, nu wil je voedsel geven aan mensen die sterfelijk zijn, zelfs al zijn het heiligen. Maar als je in het vaderland aankomt, zul je dan nog vreemdelingen vinden om hen gastvrij te ontvangen? Zul je nog een hongerige vinden om voor hem het brood te breken, een dorstige om hem te laven, een zieke om hem te bezoeken, een ruziemaker om je met hem te verzoenen, een dode om hem te begraven?

Niets meer van dit alles! Maar wat zal er dan wel zijn? Wat Maria verkoos: zonder anderen te moeten spijzigen, zullen wijzelf te gast zijn en aan tafel aanliggen. Wat Maria hier verkoos, toen ze slechts de kruimels verzamelde van die rijke dis van het woord van de Heer, zal daar in overvloed zijn. Wil je weten wat je daar zult vinden? De Heer heeft het gezegd toen Hij sprak over zijn dienaars: ‘Voorwaar, Ik zeg jullie: Hij zal hen aan tafel nodigen en langs hen gaan om te bedienen’ (Lc. 12, 37).