Ter voorbereiding van de viering van de woensdag

Ter voorbereiding van de viering van de woensdag

Uit een homilie van de heilige paus Gregorius de Grote († 604)

Zij brandde van verlangen naar Christus die zij weggenomen waande

Maria Magdalena kwam naar het graf en zij vond daar het lichaam van de Heer niet. Zij meende dat men het had weggenomen en zij ging het de leerlingen vertellen. Dezen kwamen en zagen en zij geloofden dat het zo was als de vrouw gezegd had. En over hen staat er vervolgens geschreven: ‘de leerlingen keerden naar huis terug’ (Joh. 20, 10). De evangelist voegt hieraan toe: ‘Maria stond buiten bij het graf te schreien’ (Joh. 20, 11).

Hoe grote liefde woonde er in het hart van die vrouw: terwijl zelfs de leerlingen naar huis gingen, bleef zij, onwrikbaar, bij het graf van de Heer. Zij bleef zoeken naar Hem die zij niet gevonden had. Zij zocht onder tranen. Door het vuur van de liefde tot Hem ontstoken, brandde zij van verlangen naar Hem die zij weggenomen waande. Zo kwam het dat alleen zij Hem toen mocht zien, omdat zij gebleven was om Hem te zoeken. De kracht van het goede werk bestaat immers in de volharding. De stem van de Waarheid zegt: ‘Wie ten einde toe volhardt, zal gered worden’ (Mt. 10, 22).

Eerst zocht zij Hem dus en vond Hem niet. Zij volhardde in het zoeken en toen vond zij Hem. Wat was er gebeurd? Door het wachten waren haar verlangens gegroeid en zo konden zij vasthouden wat zij hadden gevonden.

Heilige verlangens groeien door het wachten, maar als zij ten gevolge van het wachten verzwakken, zijn het geen echte verlangens geweest. Van deze liefde heeft iedereen gegloeid die tot de waarheid heeft kunnen komen. Daarom zegt David: ‘Mijn ziel heeft dorst naar God die leeft; zal ik Hem ooit bereiken en zijn aanschijn zien?’ (Ps. 42 (41), 3). Daarom ook zegt de kerk in het Hooglied: ‘Ik ben gewond door de liefde’ en ook: ‘Ik ben ziek van liefde’ (Hoogl. 2, 5).

‘Vrouw, waarom schreit ge? Wie zoekt ge?’ Men vraagt haar naar de oorzaak van haar smart. Zo wordt haar verlangen nog groter. Want, wanneer zij de naam noemt van Hem die zij zoekt, zal zij nog meer gloeien van liefde.

‘Jezus zegt tot haar: Maria!’ Eerst spreekt Hij haar aan met het algemene woord ‘vrouw’ en zij herkent Hem niet. Maar dan noemt Hij haar bij haar naam. Het is alsof Hij duidelijk zegt: ‘Herken Hem door wie je gekend wordt: Ik ken je niet in het algemeen, zoals Ik de anderen ken. Ik ken je op een heel bijzondere wijze.’ Omdat Maria bij haar naam genoemd wordt, herkent zij degene die spreekt, en noemt Hem onmiddellijk ‘Rabboeni’, dat wil zeggen: ‘Leraar’. Want Hij was het die zij buiten zocht, terwijl Hij in haar binnenste aanwezig was en zelf haar leerde Hem te zoeken.

Maria Magdalena keerde van het graf terug en ging aan de leerlingen berichten: ik heb de Heer gezien. Gelukkig de vrouw die als eerste de boodschap mocht brengen van de verrijzenis.

Zij zag Hem die zij langdurig onder tranen had gezocht en verkondigde dat zij de Heer had gezien.

Gelukkig de vrouw die als eerste de boodschap mocht brengen van de verrijzenis.