Ter voorbereiding van de viering van de woensdag

Ter voorbereiding van de viering van de woensdag

Uit de geschriften van de heilige Bonaventura, bisschop van Albano († 1274)

De door de heilige Geest geopenbaarde mystieke wijsheid

Christus is de weg en de deur. Christus is de ladder en het voertuig. Hij is als het ware ‘het verzoendeksel van de ark’ (Lev. 16, 2) en het geheim dat van eeuwigheid verborgen is (vgl. Ef 3, 9). Wie zich volledig tot Hem, de grote verzoening, wendt en zijn blik op Hem richt, door in geloof, hoop en liefde, vol toewijding, bewondering en vreugde, met eerbied, woorden van lof en jubel op te zien naar Hem die aan het kruis hangt, viert met Hem het Pascha, dit is de doortocht. Met het kruis als staf trekt hij door de Rode Zee, weg van Egypte de woestijn in, om daar verborgen manna te proeven en met Christus in het graf te rusten. Daar zal hij uiterlijk zijn als een dode, maar toch horen – voor zover dit voor een pelgrim onderweg mogelijk is – wat aan het kruis gezegd werd tot de rover die zich met Christus verbonden voelde: ‘Vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs’ (Lc. 23, 43).

Wil deze doortocht volkomen slagen, dan moet men alle werkzaamheid van het verstand opzij zetten, zijn innigste gevoelens van liefde geheel op God richten en er een nieuwe inhoud aan geven. Dit is evenwel een mystiek en uiterst geheim gebeuren, dat niemand kent tenzij hij die het ontvangt (vgl. Apok. 2, 17), en dat niemand ontvangt tenzij hij het verlangt, en dat niemand verlangt tenzij hij die innerlijk brandt van het vuur van de heilige Geest, die Christus naar de aarde gezonden heeft. Daarom zegt de Apostel dat deze mystieke wijsheid door de heilige Geest is geopenbaard (vgl. 1 Kor. 2, 10vv).

Maar als u wilt weten hoe dit tot stand komt, ondervraag dan de genade, niet de wetenschap; het verlangen, niet het verstand; de verzuchtingen van het gebed, niet de bestudering van teksten; de bruidegom, niet de meester; God, niet de mens; de duisternis, niet de helderheid; niet het licht, maar de gloed die u volkomen in vlam zet en u met overvloedige verkwikkende middelen en de meest vurige gevoelens van liefde tot God brengt. Deze vuurgloed is immers God zelf en de haard ervan is in Jeruzalem en Christus doet hem ontvlammen door het vuur van het hevig lijden. Dit vuur kan alleen door hem echt worden opgemerkt die kan zeggen: mijn ziel wilde naar de hemel ontsnappen, mijn beenderen verkozen de dood (vgl. Job 7, 15 – Vulg.). Wie deze dood liefheeft, kan God zien, want het is zonder twijfel waar: ‘Geen mens kan mijn gelaat zien en in leven blijven’ (Ex. 33, 20).

Laten wij dus sterven en de duisternis ingaan; laten wij het stilzwijgen opleggen aan onze zorgen, begeerten en fantasieën; laten wij met de gekruisigde Christus ‘uit deze wereld overgaan naar de Vader’ (Joh. 13, 1). Als ons dan de Vader getoond is, kunnen wij met Filippus zeggen: ‘Dat is ons genoeg’ (Joh. 14, 8). Dan kunnen wij met Paulus vernemen: ‘Gij hebt genoeg aan mijn genade’ (2 Kor. 12, 9); dan kunnen wij met David juichend uitroepen: ‘Al schieten mijn krachten en moed te kort, mijn steun en mijn erfdeel is God’ (Ps. 73 (72), 26). ‘Gezegend zij Israëls God, de Heer, in alle eeuwen die komen gaan, en heel het volk zegge: Amen’ (Ps. 106 (105), 48).