Ter voorbereiding van de viering van de vrijdag

Ter voorbereiding van de viering van de vrijdag

Uit de verhandeling toegeschreven aan de heilige Ambrosius, bisschop van Milaan († 397), over de brief aan de Filippenzen

Verheugt u in de Heer, te allen tijde

Geliefden, de goddelijke liefde roept ons omwille van ons geestelijk heil tot de vreugde van de eeuwige zaligheid, zoals u in deze lezing gehoord hebt. De Apostel zegt immers: ‘Verheugt u in de Heer, te allen tijde’ (Fil. 4, 4). De vreugde van deze wereld voert tot droefheid in de eeuwigheid; maar de vreugde in overeenstemming met de wil van de Heer brengt hen die erin volharden, tot blijvende en eeuwige vreugde. Daarom zegt de Apostel: ‘Nog eens: verheugt u!’ (Fil. 4, 4).

Hij wekt ons op om onze vreugde steeds meer naar God en naar de vervulling van zijn geboden te doen uitgaan; want hoe meer wij er in deze wereld naar streven ons te onderwerpen aan de geboden van de Heer onze God, des te gelukkiger zullen wij zijn in het toekomstige leven en des te groter zal de heerlijkheid zijn die wij bij God zullen verwerven.

‘Uw vriendelijkheid moet bij alle mensen bekend zijn’ (Fil. 4, 5). Dit betekent dat uw heilige levenswandel niet alleen voor God merkbaar moet zijn, maar ook voor de mensen. Zo wordt u een voorbeeld van vriendelijkheid en ingetogenheid voor allen die met u op aarde verblijven, of anders gezegd: zo staat u bij God en bij de mensen goed aangeschreven.

‘De Heer is nabij. Weest onbezorgd’ (Fil. 4, 5.6). De Heer is altijd allen nabij die Hem aanroepen in waarheid, in oprecht geloof, in een vaste hoop, in een volmaakte liefde. Hij weet immers wat u nodig hebt, nog voordat u het Hem vraagt. Hij is steeds bereid om allen die Hem trouw dienen, in welke moeilijke omstandigheden ook te hulp te komen. Daarom hoeven wij ons niet ernstig bezorgd te maken over het kwaad dat ons bedreigt. We dienen immers te weten dat God ons als onze verdediger het meest nabij is, want ‘de Heer is nabij voor rouwmoedige harten, Hij helpt wie zijn schuld erkent. Veel rampen zullen de vrome bedreigen, uit elk daarvan redt hem de Heer’ (Ps. 34 (33), 19-20). Als wij ons best doen om zijn voorschriften te volbrengen en in acht te nemen, aarzelt Hij niet ons te geven wat Hij beloofd heeft.

‘Laat al uw wensen bij God bekend worden in gebed en smeking, en nooit zonder dankzegging’ (Fil. 4, 6), opdat wij niet door allerlei ellende terneergeslagen, deze met gemor en droefgeestigheid ondergaan, maar integendeel met geduld en opgeruimdheid, God altijd dankend voor alles (vgl. Kol. 3, 17).