Ter voorbereiding van de viering van de vrijdag

Ter voorbereiding van de viering van de vrijdag

Uit de apostolische constitutie van de heilige paus Pius X († 1914) over de heilige Schrift

De lieflijk klinkende stem van de kerk

De door God geïnspireerde, in de heilige Schrift verzamelde psalmen hebben vanaf het begin van de kerk de vroomheid bij de gelovigen gevoed, zodat dezen ‘God voortdurend een lofoffer brengen, de hulde namelijk van lippen die zijn Naam prijzen’ (Heb. 13, 15). De psalmen hebben, overeenkomstig een reeds onder de oude Wet ontstane gewoonte, steeds een aanzienlijk deel uitgemaakt van de eucharistieviering en van de getijden. Daarom spreekt Basilius over de oorspronkelijke ‘stem van de kerk’. De psalmodie is door onze voorganger Urbanus VIII genoemd: ‘de dochter van de lofzang die zonder ophouden weerklinkt voor de troon van God en van het Lam’. Zij leert, schrijft Athanasius, de mensen, en vooral hen die belast zijn met de zorg voor de eredienst, ‘volgens welke regels God te loven en met welke woorden dit op passende wijze te doen’. En Augustinus heeft hierover treffend gezegd: ‘Opdat God door de mens op de juiste wijze geloofd zou worden, heeft God zichzelf geloofd en doordat Hij zich aldus heeft willen loven, heeft de mens kunnen leren hoe God te loven.’

Bovendien hebben de psalmen een wonderbare kracht die de ziel opwekt tot beoefening van alle deugden. Want geheel onze heilige Schrift, Nieuwe en Oude Testament, is, zoals zijzelf zegt, door God geïnspireerd en dient om op te voeden (vgl. 2 Tim. 3, 16). ‘In het psalmboek vindt men, als in een paradijselijke tuin, naast de rijkdom aan eigen vruchten ook vruchten van alle andere boeken.’ Dit zijn woorden van Athanasius en hij voegt er met recht aan toe: ‘De psalmen zijn voor de zanger als een spiegel, waarin hij zich en zijn gedachten en gevoelens kan beschouwen en daardoor leren deze te uiten.’ In dit verband schrijft Augustinus in zijn Belijdenissen: ‘Hoe vaak heb ik geweend bij uw hymnen en gezangen, diep ontroerd door de zoete stemmen van uw kerk. De stemmen vloeiden mijn hart binnen, zodat er godsvrucht opwelde en tranen mij uit de ogen stroomden en dat deed mij goed.’

Inderdaad, wie wordt niet ontroerd door de vele plaatsen in de psalmen die zo verheven de onmetelijke majesteit van God prediken, en zijn almacht, zijn onbegrijpelijke rechtvaardigheid, goedheid en goedertierenheid en al wat in Hem zo oneindig lovenswaard is? En in wie zouden woorden van dankbaarheid voor de ontvangen weldaden van God niet overeenkomstige gevoelens opwekken? Of nederige en met vertrouwen opgezonden smeekbeden of het geroep waarmee boetvaardige zielen hun zonden belijden? Wie zou de in het psalmboek zo duidelijk te herkennen gestalte van Christus, onze Verlosser, niet met liefde vervullen, wanneer hij, zoals Augustinus schrijft, diens ‘stem in alle psalmen hoort, zingend of klagend, zich hoopvol verblijdend in de toekomst of zuchtend in het heden’?