Ter voorbereiding van de viering van de vrijdag

Ter voorbereiding van de viering van de vrijdag

Uit een verhandeling van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430), over de eerste brief van Johannes

God vervult uw hartsverlangen

Wat is ons beloofd? ‘Wij zullen aan Hem gelijk zijn, omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is’ (1 Joh. 3, 2). Meer kunnen menselijke woorden niet uitdrukken. Het is aan het hart de rest te overwegen. Johannes’ woorden zijn eigenlijk armzalig, vergeleken bij de werkelijkheid van het woord Gods zelf. En wat kunnen wij zeggen, wij die niet eens met Johannes te vergelijken zijn?

Zo denken wij terug aan de zalving door Christus (vgl. 1 Joh. 2, 20.27), die innerlijk ons hart onderricht over datgene wat woorden niet meer kunnen uitdrukken. Omdat wij nu God nog niet kunnen zien, zal onze opdracht neerkomen op verlangen. Heel het leven van een echt christen bestaat in een heilig verlangen. Wat men verlangt, ziet men nog niet. Maar het verlangen schept een ontvankelijkheid in ons en wanneer het ogenblik aangebroken zal zijn dat wij zullen zien, zullen wij in staat zijn er helemaal door vervuld te worden.

Indien gij een bepaalde holte wilt vullen en weet dat de hoeveelheid die u gegeven is zeer groot is, dan maakt ge de holte van een zak of iets anders groter. Gij weet hoeveel erin moet en stelt vast dat de holte slechts klein is. Door ze groter te maken, vermeerdert gij hun bevattingsvermogen. Zo verhoogt God ons verlangen, door ons te richten op de toekomst; door dit verlangen maakt Hij ons hart groter en doordat ons hart groter wordt, maakt Hij het meer ontvankelijk. Wij moeten verlangen, omdat wij geroepen zijn tot de toekomstige vervulling. Zie hoe Paulus zijn ontvankelijkheid tracht te vergroten om in staat te zijn de komende belofte te ontvangen: ‘Niet dat ik het al bereikt heb. Ik ben nog niet volmaakt! Nee, ik beeld mij niet in er al te zijn’ (Fil. 3, 12-13).

Wat is dan Paulus’ streven in dit leven, aangezien hij het nog niet gegrepen heeft? ‘Alleen dit: vergetend wat achter me ligt, mij uitstrekkend naar wat voor me ligt, storm ik af op het doel: de prijs van Gods hemelse roeping’ (Fil. 3, 13-14). Paulus zegt dat hij zich helemaal richt op de toekomst en die doelbewust nastreeft. Hij voelde zich te klein om te vatten ‘wat geen oog heeft gezien, wat geen oor heeft gehoord en geen mens zich kan voorstellen’ (1 Kor. 2, 9).

Heel ons leven als christen is een oefening in verlangen. Maar slechts naarmate wij onze verlangens vrijmaken van de liefde tot de wereld, vormen wij in ons een heilig verlangen. Wij hebben het al eerder gezegd: maak leeg wat gevuld moet worden. Wilt gij vervuld worden van het goede, weg dan met het kwaad.

Veronderstel dat God u met honing wil vullen; indien gij vol azijn zijt, is er geen plaats voor honing. Maak eerst het vat leeg en maak het goed schoon. Ook al kost het moeite en inspanning, het moet schoon zijn om geschikt te zijn voor iets anders. Of we dat andere nu honing noemen, goud of wijn; al deze namen schieten te kort. Welke naam we ook geven aan datgene wat wij wel willen maar niet kunnen uitdrukken, het is niets anders dan een omschrijving van de naam van God. Wanneer wij God zeggen, wat bedoelen wij dan? Ligt heel onze verwachting dan uitgedrukt in die drie letters? Al wat wij kunnen zeggen, blijft beneden de werkelijkheid. Richten we heel ons verlangen op Hem, dan zal Hij ons vervullen, wanneer Hij komt. ‘Want wij zullen aan Hem gelijk zijn, omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is.’