Ter voorbereiding van de viering van de maandag

Ter voorbereiding van de viering van de maandag

Uit de toespraak van de heilige paus Paulus VI bij de sluiting van de derde zitting van het Tweede Vaticaans Concilie (21 november 1964: AAS 56 [1964], 1015-1016)

Maria, Moeder van de Kerk

Omwille van de diepste redenen, waarom Maria en de Kerk onderling verbonden zijn, roepen wij ter ere van de zalige Maagd en tot onze troost de allerheiligste Maria uit tot Moeder van de Kerk. Dat betekent: zij is de Moeder van heel het christenvolk, zowel van de gelovigen als van de herders, die haar de zeer liefdevolle Moeder noemen. Wij bepalen dat met deze zoete naam voortaan heel het christenvolk nog meer eer bewijst aan de Moeder van God en zijn smeekbeden richt tot haar.

Eerbiedwaardige broeders, het betreft hier een aanspreektitel, die voor de christelijke vroomheid volstrekt niet ongewoon is, want de christengelovigen en de universele Kerk roepen haar als Moeder juist bij voorkeur aan met deze naam. Deze naam behoort inderdaad tot de echte kern van de Mariadevotie, omdat deze stevig gefundeerd is op de waardigheid zelf die geschonken is aan Maria als Moeder van het vleesgeworden Woord van God.

Zoals immers het goddelijke moederschap de reden is, waarom Maria geheel en al een heel bijzondere band heeft met Christus en daardoor tegenwoordig is in het heilswerk dat door Christus Jezus voltrokken is, zo vloeit ook de band tussen Maria en de Kerk vooral voort uit het goddelijk Moederschap. Maria is immers de Moeder van Christus, die, vanaf het eerste ogenblik in haar maagdelijke schoot de menselijke natuur heeft aangenomen, om zijn Mystiek Lichaam, de Kerk, met zichzelf als Hoofd te verbinden. Als Moeder van Christus moet Maria dan ook beschouwd worden als de Moeder van alle gelovigen en herders, dus van de Kerk.

Dat is dan ook de reden, waarom wij, hoewel onwaardig en zwak, toch met een vastberaden geest en met vurige kinderlijke liefde naar haar onze ogen opslaan. Zij, die ons eertijds Jezus, de bron van hemelse genade, heeft geschonken, kan de Kerk niet haar moederlijke bijstand onthouden, vooral in deze tijd, nu de Bruid van Christus er met nog meer vurigheid en ijver naar streeft om haar heilbrengende taak te vervullen.

De zeer nauwe banden nu die bestaan tussen onze hemelse Moeder en de mensheid, moedigen ons aan om dit vertrouwen nog meer te laten voeden en versterken. Ook al is Maria door God overstelpt met rijke en bewonderenswaardige gaven opdat zij de waardige Moeder van het vleesgeworden Woord zou worden, toch is zij ons heel nabij. Evenals wij is ook zij een kind van Adam en daarom ook onze zuster vanwege onze gemeenschappelijke menselijke natuur. Zij werd evenwel van de smet van de erfzonde gevrijwaard omwille van de toekomstige verdiensten van Christus en heeft zelf aan de gaven die zij van God ontving, haar eigen voorbeeldig en volmaakt geloof toegevoegd, zodat zij de lofprijzing van het Evangelie verdiende: “Zalig gij, die geloofd hebt”.

In dit sterfelijk leven was zij het volmaakte beeld van de leerling van Christus, de spiegel van alle deugden, en in haar levenswijze getuigde zij ten volle van de zaligsprekingen, die door Jezus Christus zijn verkondigd. Om op volmaakte wijze Christus na te volgen dient de gehele Kerk daarom bij de ontplooiing van de vele vormen van haar leven en haar actieve inzet, een zuiver voorbeeld te nemen aan de heilige Maagd en Moeder van God.