Ter voorbereiding van de viering van de maandag

Ter voorbereiding van de viering van de maandag

Uit de verhandeling van Didymus van Alexandrië († ca. 398) over de Drieëenheid

De heilige Geest vernieuwt ons door het doopsel

In het doopsel maakt de heilige Geest ons tot nieuwe mensen, Hij die God is samen met de Vader en de Zoon. De heilige Geest neemt al wat misvormd is van ons weg en geeft ons onze vroegere schoonheid terug. Hij vervult ons zó met zijn genade dat wij geen enkele liefdeloosheid meer kunnen bevatten. De Geest bevrijdt ons van zonde en dood. Uit aardse wezens, dat wil zeggen: uit ‘stof en as’ (Gen. 18, 27; vgl. 2, 27), maakt Hij goddelijke wezens. Zo laat de Geest ons delen in de goddelijke heerlijkheid en maakt ons tot kinderen en erfgenamen van God en van de Vader. Hij maakt ons gelijkvormig met het beeld van de Zoon, tot zijn medeërfgenamen en broeders of zusters, bestemd om samen met Hem verheerlijkt te worden en met Hem te heersen. In plaats van de aarde geeft de Geest ons weer de hemel; edelmoedig schonk Hij ons het paradijs. Hoger dan aan de engelen reiken zijn eerbewijzen aan ons. En met de goddelijke waterstromen die uit de doopvont vloeien, blust de heilige Geest dat vreselijke onblusbare vuur van de hel.

De mens wordt twee keer ontvangen: de ene keer uit een menselijk lichaam, de andere keer vanuit de heilige Geest. Over beide hebben gewijde schrijvers goede dingen geschreven.

Johannes zegt: ‘Aan allen echter die Hem wél aanvaarden, aan hen die in zijn Naam geloven, gaf Hij het vermogen om kinderen van God te worden; zij zijn niet uit bloed, noch uit begeerte van het vlees of de wil van een man, maar uit God geboren’ (Joh. 1, 12-13).

Hij zegt dus dat allen die in Christus geloven, het vermogen krijgen kinderen van God, dat wil zeggen: kinderen van de heilige Geest, en verwanten van God te worden. Om aan te tonen dat de God die tot leven wekt, de heilige Geest is, haalt hij Christus’ woorden aan: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand niet geboren wordt uit water en geest, kan hij het rijk Gods niet binnengaan’. (Joh. 3, 5).

Op zichtbare wijze immers brengt de doopvont ons zichtbaar lichaam ter wereld door de bediening van de priesters. Op geestelijke wijze echter worden met behulp van de engelen lichaam én ziel door Gods Geest, die onzichtbaar is voor alle verstandelijke vermogens, in Hemzelf gedoopt en herboren.

In overeenstemming met de uitspraak ‘uit water en geest’ zegt immers ook Johannes de Doper in zijn prediking over Christus: ‘Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur’ (Mt. 3, 11).

Aangezien het lichaam een aarden pot is (vgl. 2 Kor. 4, 7), moet het eerst gezuiverd worden door water; vervolgens moet dit lichaam door een geestelijk vuur gehard en afgewerkt worden, want God is een ‘verslindend vuur’ (Deut. 4, 24; 9, 3). Het lichaam heeft dus behoefte aan de heilige Geest die de voltooiing schenkt en vernieuwt. Want het geestelijk vuur kan ons ook bevochtigen en het geestelijk water kan ons ook weer omsmelten.