Ter voorbereiding van de viering van de maandag

Ter voorbereiding van de viering van de maandag

Uit het boek van de priester Origenes († 253/254) over het gebed

Ieders engel bidt met ons mee

Als iemand op de juiste wijze bidt en, zoals gezegd, de zuiverheid bezit, wordt hij ook deelachtig aan het gebed van Gods Zoon, die staat te midden van mensen die Hem niet erkennen. Want Hij steunt ieders gebed en bidt tot de Vader, samen met ieder voor wie Hij bemiddelt. De Zoon van God is de hogepriester voor onze offers en onze voorspreker bij de Vader. Hij bidt voor hen die bidden, Hij bemoedigt samen met hen die bemoedigen. Maar Hij bidt niet voor ons als zijn vrienden, wanneer wij niet door zijn tussenkomst aanhoudend bidden. Hij is geen voorspreker bij God voor ons als zijn dierbaren, wanneer wij niet trouw zijn aan zijn leer dat ‘wij altijd moeten bidden en niet versagen’ (Lc. 18, 1).

Niet alleen onze Hogepriester bidt mee met hen die op de juiste wijze bidden, ook de engelen, die ‘zich in de hemel meer verheugen over één zondaar die zich bekeert dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben’ (Lc. 15, 7); en zo bidden ook de zielen van de heiligen die gestorven zijn. Dit blijkt uit de woorden van Rafaël tot Tobit: ‘Ik ben Rafaël, een van de zeven heilige engelen die de gebeden van de vromen opdragen en toegang hebben tot voor de heerlijke troon van de Heilige’ (Tobit 12, 15).

De enige echt belangrijke deugd is, volgens het woord van God, de liefde tot de naaste. Die liefde bezaten de heiligen die reeds gestorven zijn, in veel hogere mate jegens hen die in dit leven streden, zo moeten wij aannemen, dan zij die nu nog in dit zwakke bestaan verkeren en minder standvastige broeders bijstaan in de strijd. Op hun broederlijke liefde zijn de woorden van toepassing: ‘Wanneer één lid lijdt, delen alle ledematen in het lijden; wordt één lid geëerd, dan delen alle in de vreugde’ (1 Kor. 12, 26). Maar niet alleen op hen zijn deze woorden van toepassing, want ook de geliefden die niet meer in dit leven zijn, mogen zeggen: ‘De zorg voor al de gemeenten drukt mij. Niemand is zwak of ik ben het ook. Niemand komt ten val of het grijpt mij in de ziel’ (2 Kor. 11, 28-29). En Christus zelf heeft getuigd dat Hij zwak is in elke broeder die zwak is; ook dat Hij in de gevangenis is, dat Hij naakt is en een vreemdeling, dat Hij honger lijdt en dorst. Immers, ieder die het evangelie leest, weet dat Christus de wederwaardigheden van de gelovigen op zichzelf betrekt en hun lijden beschouwt als dat van Hemzelf.

Gods engelen kwamen bij Jezus ‘om Hem hun diensten te bewijzen’ (Mt. 4, 11). Wij mogen dan niet denken dat de dienst van de engelen voor Jezus maar van korte duur is geweest, alleen toen Hij lichamelijk onder de mensen verbleef en zich onder zijn gelovigen bevond, en wel als ‘iemand die niet aan tafel aanligt, maar als iemand die bedient’ (Lc. 22, 27). Hoeveel engelen zullen Jezus dienen, nu Hij de kinderen van Israël een voor een wil samenbrengen, hen die verspreid zijn, wil bijeenbrengen, en hen die God vrezen en aanroepen, redt. Meer nog dan de apostelen zullen deze engelen helpen bij de uitbreiding en de groei van de kerk.

Wie bidt, herinnert op de tijd van het gebed de engelen aan wat hij nodig heeft, en alsof zij een algemene opdracht ontvangen hebben, volbrengen zij wat zij kunnen.

Stel dat iemand die overvloedig bezit wat voor het leven nodig is en die vrijgevig is, het gebed hoort van een arme die hardop zijn nood klaagt bij God. Natuurlijk zal hij de wens van die arme vervullen en hij wordt dan een medewerker met Gods wil. Want door de Vader worden zij op de tijd van het gebed bij elkaar gebracht: hij die bidt en hij die in staat is te geven en die door zijn welwillende gezindheid iemand die in zo’n nood verkeert, niet kan veronachtzamen.

Als zoiets gebeurt, moet men niet denken dat het toeval is. Want Hij door wie alle haren op het hoofd van de heiligen geteld zijn (vgl. Mt. 10, 30), heeft treffend op de tijd van het gebed de weldoener die luistert, samengebracht met de mens die een weldaad van Hem vraagt en daarom eerlijk gebeden heeft. Zo moeten wij ons voorstellen dat de engelen die toezicht houden en God dienen, soms aanwezig zijn bij iemand die in gebed is, om mee te werken aan hetgeen hij vraagt. Maar zelfs voor ieder mens, ook voor de kleinen in de kerk, is er een engel die ‘voortdurend het aangezicht van de Vader in de hemel aanschouwt’ (Mt. 18, 10), en de godheid ziet van Hem die ons geschapen heeft. Hij bidt met ons mee en, voor zover mogelijk, werkt hij mee aan wat wij vragen.