Ter voorbereiding van de viering van de maandag

Ter voorbereiding van de viering van de maandag

Uit een preek van de heilige Gregorius, bisschop van Nyssa († 394)

Jezus’ getuigenis over Bartolomeüs

apostel Bartolomeüs

Van de apostel Filippus getuigt Johannes dat hij afkomstig was uit de stad van Andreas en Petrus (vgl. Joh. 1, 44). Welnu, het lijkt mij tot Filippus’ eer gezegd dat hij een medeburger was van deze beide broers. Zij zijn immers de eersten in het evangelie die onze bewondering verdienen om al wat hun was overkomen. Want nadat Johannes de Doper had getoond wie het Lam was dat de zonde van de wereld wegneemt, leerde Andreas het mysterie kennen door de aangewezen Heer achterna te gaan. Maar bovendien bracht Andreas aan zijn broer de blijde tijding dat Hij was gekomen over wie lang tevoren de profeten hadden gesproken.

Simon schonk hem onmiddellijk geloof en sloot zich van ganser harte bij het Lam Gods aan. Toen werd niet alleen zijn naam, maar ook hijzelf door de Heer veranderd en tot een hogere orde verheven: in plaats van de naam Simon kreeg hij de naam Kefas of Petrus – dat betekent: rots – en werd hij inderdaad een rots. De grote Petrus bereikte echter deze genade niet door geleidelijke groei. Zodra hij echter zijn broer gehoor had geschonken en in het Lam Gods was gaan geloven, werd hij door dit geloof vervolmaakt. Zo werd hij Petrus of rots, nauw verbonden met de rots die Christus is (vgl. 1 Kor. 10, 4). Nadat de Heer nu Filippus, waardig medeburger van deze grote mannen, had aangetroffen, zoals in het evangelie wordt verhaald, werd deze uitverkoren tot volgeling van het Woord, dat tot hem sprak: ‘Volg Mij’ (Joh. 1, 43). Dat wil zeggen: tot het ware Licht gebracht en zelf licht geworden, moest hij op zijn beurt anderen aantrekken om hen in het licht te laten delen. Zo werd Natanaël (Bartolomeüs) omstraald door zijn licht en kreeg hij kennis van het mysterie van het geloof. Want dit zijn Filippus’ woorden: ‘Degene over wie Mozes in de wet en ook de profeten hebben geschreven, Hem hebben wij gevonden, Jezus uit Nazaret’ (Joh. 1, 45).

Natanaël vernam deze blijde boodschap niet als een ongeletterde. Hij was immers nauwkeurig door de geschriften van de profeten onderricht omtrent het mysterie van de Heer. Hij wist dat de eerste verschijning van God in het vlees weliswaar in Betlehem moest geschieden, maar dat de Heer vanwege zijn verblijf in Nazaret een Nazoreeër zou genoemd worden (vgl. Mt. 2, 23). Naar deze beide voorspellingen ging zijn aandacht uit. Hierbij overwoog hij dat het mysterie van de grot, de doeken en de kribbe, op grond van Gods beschikking omtrent de menswording, noodzakelijk in Betlehem, de stad van David, moest plaatshebben. Galilea daarentegen was het gewest van de heidenen (vgl. Jes. 8, 23; Mt. 4, 15) dat eens zijn naam zou geven aan het Woord dat gaarne onder de heidenen verbleef Jezus de Galileeër (Mt. 26, 69). Toen Natanaël zich aansloot bij Filippus, die het licht van de kennis voor hem had laten schijnen, zei hij dan ook: ‘Uit Nazaret – dat wil zeggen: uit het gewest van de heidenen – kan daar iets goeds vandaan komen?’ (Joh. 1, 46).

Maar toen werd Filippus zijn gids die hem naar de genade leidde met de woorden: ‘Kom en zie’ (Joh. 1, 46). Zo geschiedde het dat Natanaël wegging van onder de vijgeboom (vgl. Joh. 1, 48) waarvan de schaduw hem belette het licht te ontvangen. En hij bereikte de Heer die de bladeren van de vijgeboom zonder goede vruchten had doen verdorren (vgl. Mt. 21, 19). Daarom ook getuigde het mensgeworden Woord van hem dat hij een ware Israëliet was, geen onechte zoon van Israël. Want Natanaël koesterde in zijn hart geen bedrog, maar hij gaf er blijk van dat hij, wat oprechtheid betreft, aardde naar deze stamvader. Jezus verklaarde: ‘Hij is een ware Israëliet in wie geen bedrog is’ (Joh. 1, 47).