Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Uit de verhandeling ‘Tegen Fabianus’ van de heilige Fulgentius, bisschop van Ruspe († 533)

Door de deelneming aan het lichaam en bloed van de Heer worden wij geheiligd

Bij het voltrekken van het offer vervullen wij de opdracht die de Verlosser ons gaf, zoals de Apostel getuigt: ‘Dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij werd overgeleverd, brood nam, en na gedankt te hebben, het brak en zei: ‘Dit is mijn lichaam voor u. Doet dit tot gedachtenis aan Mij.’ Zo ook na de maaltijd de beker, met de woorden: ‘Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed. Doet dit elke keer als gij hem drinkt, tot gedachtenis aan Mij.’ Telkens als gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt’ (1 Kor. 11, 23-26).

Het offer wordt dus voltrokken om de dood van de Heer te verkondigen en om Hem te gedenken die zijn leven voor ons gegeven heeft. Hijzelf heeft gezegd: ‘Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden’ (Joh. 15, 13). Christus is dus uit liefde voor ons gestorven. Daarom vragen wij, telkens als we zijn dood gedenken in het offer, dat Hij ons zijn liefde schenkt door de komst van de heilige Geest. Met aandrang bidden wij dat door de liefde waarmee Christus zich voor ons heeft laten kruisigen, en door de genade van de heilige Geest wij de wereld als gekruisigd mogen beschouwen voor ons, en onszelf laten kruisigen voor de wereld. Wij volgen de dood van onze Heer na. ‘De dood van Christus was een dood voor de zonde, eens en voor al; maar zijn leven is een leven voor God. Zo moeten ook wij een nieuw leven leiden’ (Rom. 6, 10.4) en, nu wij de genade van de liefde ontvangen hebben, sterven voor de zonde en leven voor God.

‘Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest, die ons werd geschonken’ (Rom. 5, 5). Want wij hebben deel aan het lichaam en het bloed van de Heer, als wij zijn brood eten en de beker drinken. En hierdoor worden wij aangespoord om te sterven aan de wereld, ons leven met Christus verborgen te houden in God (vgl. Kol. 3, 3), en ons vlees te kruisigen met zijn hartstochten en begeerten (vgl. Gal. 5, 24).

Zo drinken alle gelovigen die God en de naaste beminnen, wel niet de kelk van het lijden naar het lichaam, maar toch de beker van de liefde van de Heer. Hierdoor bedwelmd willen zij hun ledematen op aarde versterven en bekleed met de Heer Jezus Christus, niet toegeven aan de begeerten van het vlees; niet op het zichtbare, maar op het onzichtbare moeten zij hun oog gericht houden. Want men drinkt de kelk van de Heer, als men de heilige liefde beoefent. Zo niet, dan kan men zich levend laten verbranden, maar het helpt niets. Door het geschenk van de liefde ontvangen wij dit: dat wij in werkelijkheid zijn, wat wij bij het offer op geestelijke wijze vieren.