Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Uit het commentaar van de heilige martelaar John Fisher, bisschop van Rochester († 1535), op de psalmen

De wonderbare werken van God

In de eerste plaats heeft God het volk van Israël bevrijd van de Egyptische slavernij. Hierbij deed Hij veel tekenen en wonderen. Hij liet de Israëlieten droogvoets door de Rode Zee trekken. Hij voedde hen in de woestijn met spijs uit de hemel, met manna en kwartels. Toen zij dorst leden, liet Hij uit een zeer harde rots een blijvende waterbron ontspringen. Hij schonk hun de overwinning op alle vijanden die hen met oorlogen bestookten. Hij zorgde ervoor dat de Jordaan op de plaats waar de kracht van de stroming een hindernis bleek, tijdelijk terugweek. Naar het aantal van hun stammen en families deelde Hij het land in dat hun beloofd was en verdeelde dit onder hen. Maar hoewel God hun al deze weldaden zo liefdevol en milddadig had bewezen, vergaten de ondankbare mensen dit alles bijna volledig; zij werden ontrouw aan de dienst van God, verwierpen deze en verstrikten zich telkens weer in de gruwelijke misdaad van de afgodendienst.

In onze heidense tijd werden wij telkens opnieuw tot de stomme afgoden aangetrokken en meegesleept (vgl. 1 Kor. 12, 2). Toen heeft God ook ons van deze wilde olijfboom van het heidendom afgebroken, waartoe wij krachtens onze oorsprong behoren (vgl. Rom. 11, 24), en ons op de ware olijfboom van het joodse volk geënt. Hij brak de takken van onze oorsprong af en verbond ons aan de wortel en de rijkdom van zijn genade. Tenslotte heeft Hij ‘zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd’ (Rom. 8, 32), ‘als offergave en slachtoffer, God tot een lieflijke geur’ (Ef. 5, 2), ‘om ons van alle ongerechtigheid te verlossen en ons te maken tot zijn eigen volk, gereinigd van zonde’ (Tit. 2, 14).

Al deze gebeurtenissen zijn niet slechts woorden, maar de onmiskenbare tekenen zowel van zijn verheven liefde als van zijn weldadigheid ten opzichte van ons. Wij zijn echter uiterst ondankbare mensen; wij gaan zelfs zo ver dat wij alle grenzen van ondankbaarheid overschrijden. Daarom besteden wij geen aandacht aan zijn liefde en erkennen wij ook niet de grootheid van zijn weldaden. Veeleer wijzen wij de Schepper en milde gever af van die voor ons zo goede gaven en hebben wij om zo te zeggen alleen maar minder achting voor Hem. Ook zet zijn opvallende en voortdurend aan de zondaars betoonde barmhartigheid ons er niet toe aan ons leven en ons gedrag in overeenstemming met zijn heiligste voorschriften in te richten.

Dit alles is volkomen de moeite waard om ter eeuwige herinnering voor het nageslacht op schrift gesteld te worden (vgl. Ps. 102 (101), 19), opdat allen die in de toekomst de naam van christen waardig gekeurd worden, de zo grote welwillendheid van God ten opzichte van ons erkennen en nooit ophouden zijn goddelijke lof te zingen.