Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Uit een brief van de heilige paus Leo de Grote († 461)

Het geheim van onze verzoening

Het heeft geen zin onze Heer Jezus Christus, de Zoon van de heilige Maagd Maria, een ware en volmaakte mens te noemen, als men niet gelooft dat Hij van dat geslacht is waarover het evangelie spreekt.

Matteüs zegt namelijk: ‘Geslachtslijst van Jezus Christus, Zoon van David, Zoon van Abraham’ (Mt. 1, 1). Hij houdt zich aan de volgorde van de menselijke afstamming, zodat hij de lijn van de geslachten laat gaan vanaf Abraham tot aan Jozef met wie de moeder van de Heer verloofd was.

Lucas echter gaat de weg der geslachten terug tot hij uitkomt bij de stamvader van het menselijk geslacht. Daarmee toont hij aan dat de eerste en de tweede Adam dezelfde natuur hebben.

De almacht van de Zoon van God had natuurlijk, om de mensen te onderrichten en te heiligen, kunnen verschijnen, zoals Hij in lichamelijke gedaante aan de aartsvaders en de profeten was verschenen, zoals Hij de strijd met Jakob aanging of een gesprek voerde, of zoals Hij de gastvrijheid van Abraham niet afwees en de aangeboden spijs tot zich nam. Maar deze beelden waren verwijzingen naar die mens van wie de geheimvolle voorafbeeldingen de werkelijkheid aankondigden; deze zou immers op zijn afstamming van de voorvaders berusten.

Geen van die beelden kon echter de verwezenlijking zijn van het geheim van onze verzoening (vgl. Ef. 3, 9) dat van eeuwigheid was vastgesteld, omdat de heilige Geest nog niet over de Maagd gekomen was en de kracht van de Allerhoogste haar nog niet overschaduwd had. De Wijsheid kon zich nog niet in een ongerepte schoot een huis bouwen. Het Woord kon nog niet het vlees aannemen om de natuur van God te verenigen met de natuur van de mensen. De Schepper van alle tijden kon nog niet in de tijd geboren worden, en Hij door wie alles geworden is, kon nog niet in zijn schepping geboren worden.

Want als de nieuwe mens, gelijk geworden aan ons zondig vlees, niet onze oude gestalte had aangenomen, als degene die één in wezen met de Vader is, zich niet verwaardigd had ook te delen in de natuur van zijn moeder, als Hij die alleen zonder zonde was, onze natuur niet met zich zou verenigd hebben, zou de gehele mensheid gevangen en in de macht van de duivel gebleven zijn. Als de triomf van de Overwinnaar buiten onze natuur was behaald, dan zou zij ons niet van nut kunnen zijn.

Aan deze wonderbare deelname aan onze natuur danken wij het sacrament van onze wedergeboorte: door dezelfde Geest door wie Christus zowel ontvangen als geboren is, worden ook wij opnieuw geboren, en wel op geestelijke wijze.

Daarom zegt de evangelist over hen die geloven: ‘Zij zijn niet uit bloed noch uit begeerte van het vlees of de wil van een man, maar uit God geboren’ (Joh. 1, 13).