Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Uit de Belijdenissen van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430)

Wij smachten naar de hemelse waterstromen

Toen de dag aanstaande was waarop Monica uit dit leven zou scheiden – een dag die U, God, bekend was, maar ons niet – was het door U, naar ik geloof, op een verborgen wijze zo geregeld dat alleen zij en ik aan een venster geleund stonden, vanwaar men uitzicht had op de binnentuin van het huis dat wij bewoonden, daar in Ostia, aan de Tiber.

Ver van alle drukte en na de inspanning van de lange tocht verzamelden wij krachten voor de zeereis. Wij spraken dan samen, wij alleen; het was heerlijk.

‘Wij vergaten wat achter ons lag en reikten naar wat vóór ons lag’ (vgl. Fil. 3, 13); zo vroegen wij ons af in tegenwoordigheid van U die de waarheid zijt, hoe het eeuwig leven van de heiligen zou zijn, ‘dat geen oog heeft gezien en dat geen oor heeft gehoord en dat in geen mensenhart is opgekomen’ (1 Kor. 2, 9). Wij smachtten evenwel met de mond van ons hart naar de hemelse waterstromen uit uw bron, de bron van het leven die bij U is (vgl. Ps. 36 (35), 10).

Over dergelijke dingen sprak ik, zij het niet precies op deze wijze en met deze woorden. Maar Gij weet het, Heer: toen wij op die dag zo spraken en deze wereld met al haar genoegens intussen voor ons haar waarde verloor, zei mijn moeder: ‘Jongen, wat mij betreft, mij kan niets meer in dit leven bekoren. Ik weet niet wat ik hier nog te doen heb en waarom ik hier nog zou zijn, want ik heb in deze wereld niets meer te verwachten. Eén ding was er waarom ik iets langer in dit leven wilde blijven: jou vóór mijn dood als katholiek christen te zien. Dit verlangen heeft God bovenmate vervuld, want ik zie je nu als zijn dienaar die zelfs aan aards geluk verzaakt. Wat doe ik hier nog?’

Wat ik haar hierop geantwoord heb, kan ik mij niet goed meer herinneren. Wel weet ik dat zij nauwelijks vier of vijf dagen later met koorts op bed lag. Tijdens haar ziekte verloor zij op zekere dag het bewustzijn en werd zij korte tijd aan haar omgeving onttrokken. Wij snelden toe, maar spoedig kwam zij weer bij kennis en zag ze mij en mijn broer bij haar staan. Toen zei ze ons, alsof ze iets zocht: ‘Waar was ik toch?’

Toen zij ons daarna aankeek en zag hoe bedroefd en verslagen wij waren, sprak zij: ‘Jullie moeten je moeder hier begraven.’ Ik was sprakeloos en bedwong mijn tranen. Mijn broer echter begon te spreken en drukte de wens uit dat zij niet in den vreemde, maar in haar vaderland zou sterven, want dat was het beste. Toen zij dit hoorde, wierp zij een bezorgde blik op hem, omdat hij zoiets kon verlangen. Daarna keek ze mij aan en zei: ‘Hoor eens wat hij zegt.’ Een ogenblik later richtte ze zich tot ons beiden: ‘Begraaf dit lichaam waar dan ook, maak je daarover geen zorgen. Maar dit ene vraag ik jullie: gedenk mij bij het altaar van de Heer, waar ter wereld je ook zult zijn.’ Nadat zij dit verlangen zo goed als zij kon had uitgesproken, zei ze niets meer; haar ziekte verergerde en sloopte haar krachten.