Ter voorbereiding van de viering van dinsdag 06-04-2021

Ter voorbereiding van de viering van dinsdag 06-04-2021

Uit een homilie, toegeschreven aan Ambrosius, bisschop van Milaan († 397), over het paasmysterie

Christus, bron van opstanding en leven

Wanneer Paulus het geluk beschouwt dat ons te beurt valt door het herstel van het heil, roept hij uit: zoals door Adam de dood in deze wereld kwam, zo is door Christus het heil voor de wereld hersteld (vgl. 1 Kor. 15, 22). En verder: ‘De eerste mens, uit de aarde genomen, is aards; de tweede, afkomstig uit de hemel, is hemels’ (1 Kor. 15, 47).

En de Apostel voegt er nog aan toe: ‘Zoals we het beeld van het aardse hebben gedragen,’ dat wil zeggen: van de oude mens die in zonde leefde, ‘zo moeten we het beeld van het hemelse dragen’ (1 Kor. 15, 49). Dat wil zeggen: zo moeten we in Christus het heil bewaren van de mens die verheven is, verlost, hersteld en gezuiverd. Dezelfde apostel zegt immers: ‘Christus is het begin’. Dit betekent: de bron van verrijzenis en leven. ‘Vervolgens komen zij die Christus toebehoren’ (1 Kor. 15, 23). Dat zijn diegenen die leven naar zijn voorbeeld van zuiverheid, die vertrouwvol leven in de hoop die gevestigd is op zijn verrijzenis, en die met Hem de heerlijkheid van de hemelse belofte zullen bezitten, zoals de Heer zelf gezegd heeft in het evangelie: wie Mij volgt, zal niet ten onder gaan, maar hij zal uit de dood naar het leven overgaan (vgl. Joh. 8, 12; 5, 24).

Zo is het lijden van de Verlosser de redding van de mens. Daartoe wilde Hij immers voor ons sterven, opdat wij die in Hem geloven, eeuwig zouden leven. Hij wilde voor een tijd worden wat wij zijn, opdat wij de belofte van zijn eeuwigheid zouden verwerven en eeuwig met Hem zouden leven.

Dit is de genade van de hemelse mysteriën, dit is het geschenk van Pasen, dit is het jaarlijkse feest waarnaar we verlangend uitzien, dit is het begin en de oorsprong van alles.

De kinderen die zijn verwekt door het leven-schenkend doopsel van de heilige kerk en herboren met de eenvoud van kleine kinderen, laten nu het kinderlijk gestamel horen van een onschuldig geweten. Nu begeleiden vrome vaders evenals eerbare moeders een ontelbaar aantal nakomelingen, een nieuw geslacht door het geloof.

Nu schittert bij de schoot van de zuivere bron de luister van de kaarsen onder de boom van het geloof. Nu wordt men geheiligd door de gaven van de hemelse verdiensten en gevoed door het feestelijk gevierde mysterie van het geestelijk sacrament.

Nu wordt één volk van broeders en zusters gevoed in de schoot van de heilige kerk. Ze aanbidden één goddelijk wezen en drie namen met dezelfde goddelijke macht en zingen met de profeet de psalm van het jaarlijks terugkerende feest: ‘Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt, wij zullen hem vieren in blijdschap’ (Ps. 118 (117), 24).

Welke dag? Die dag natuurlijk die het begin vormt van het leven, de aanvang van het licht, de bron van het licht, dat wil zeggen: de Heer Jezus Christus die over zichzelf zegt: Ik ben de dag; wie in het daglicht wandelt, struikelt niet (vgl. Joh. 11, 10). Wie Christus in alles volgt, stapt in zijn voetsporen naar de troon van het eeuwig licht; zoals Hijzelf voor ons tot zijn Vader bad, toen Hij nog op aarde leefde: Vader, Ik wil dat zij die in Mij geloofd hebben, daar zijn waar Ik ben, dat zij in Ons blijven zoals Gij in Mij en Ik in U (vgl. Joh. 17, 24.21).