Ter voorbereiding van de viering van de dinsdag

Ter voorbereiding van de viering van de dinsdag

Uit de verhandeling van de heilige Hilarius, bisschop van Poitiers († 367), over de heilige Drieëenheid

Geloofsbelijdenis

H. Hilarius van Poitiers

Heilige Vader, almachtige God, zolang het leven dat Gij mij hebt gegeven, het mij toestaat, wil ik U openlijk belijden als de eeuwige God en de eeuwige Vader. Nooit zal ik zo dwaas en goddeloos zijn dat ik mij gedraag als rechter over uw almacht en uw mysteries, en dat ik mijn zwakke kennis stel boven het ware begrip van uw oneindigheid en boven het geloof in uw eeuwigheid. Ik zal dan ook nooit durven beweren dat Gij hadt kunnen bestaan zonder uw Wijsheid, uw Kracht, uw Woord, zonder mijn Heer Jezus Christus, de eniggeboren God. Mijn taal is uiteraard arm en onvolmaakt, maar dit is nog geen reden dat mijn geloof zou zwijgen bij gebrek aan woorden.

Als wij van de dingen in de natuur de oorzaken niet weten, is dat voor ons geen beletsel om de gevolgen te kennen. En wij stellen een daad van geloof wanneer ons menselijk weten te kort schiet. Als ik mijn zwakke ogen naar uw hemel richt, word ik mij bewust dat die hemel alleen uw maaksel kan zijn. Wanneer ik de loop van de sterren beschouw, de jaarlijks terugkerende sterrenbeelden, het gesternte van het voorjaar, de poolster in het noorden, de morgenster, kortom: het firmament waarin elk hemellicht zijn eigen rol speelt, dan ontdek ik U, o God, in dit heelal dat mijn verstand niet kan bevatten.

Wanneer ik de wonderlijke bewegingen van uw zee aanschouw, dan is niet alleen de oorsprong, maar ook het getij voor mij een mysterie. Ik geloof evenwel, ook al begrijp ik niet, en in de dingen die ik niet ken, weet ik U toch aanwezig.

Wanneer ik denk aan de grond die allerlei soorten zaad ontvangt, dat door verborgen krachten ontkiemt, leeft en zich vermenigvuldigt in een voortdurende groei, dan vind ik daarin niets dat ik met mijn verstand kan verklaren. Maar mijn onwetendheid laat mij U beter kennen; onbekend is mij de natuur die mij ten dienste staat, maar ik herken daarin uw aanwezigheid als ik ervan gebruik maak.

Mijzelf kan ik niet doorgronden, maar ik bewonder U des te meer naarmate ik mijzelf minder ken. Ik ben mij bewust van de werking van mijn verstand en van het leven van mijn geest, ook al begrijp ik dit alles niet. Dit bewustzijn dank ik aan U die, boven mijn begripsvermogen uit, mij dit diepe bewustzijn schenkt tot mijn eigen vreugde.

Indien ik U ken, terwijl ik mijzelf niet ken, indien mijn kennen wordt tot diepe eerbied, is dit geen verzwakking van mijn geloof in uw almacht die mij in de hoogste mate te boven gaat.

Ik bid U: bewaar in mij deze eerbied en dit geloof. Laat mij tot het einde van mijn leven getuigen van dit bewustzijn, zodat ik vasthoud aan wat ik bezit, aan wat ik heb verklaard in de geloofsbelijdenis bij mijn wedergeboorte, toen ik gedoopt werd in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

Geef dat ik U aanbid, U onze Vader, samen met uw Zoon, en dat ik de heilige Geest waardig ben die van U voortkomt door uw enige Zoon. Want Hij is voor mij een getuige ten bate van mijn geloof, mijn Heer Jezus Christus die gezegd heeft: ‘Vader, al het mijne is het uwe en het uwe is het mijne’ (Joh. 17, 10). Hij blijft in U en is uit U en bij U, altijd God, gezegend tot in eeuwigheid. Amen (Rom. 9, 5).