Ter voorbereiding van de maandag in de eerste week van de advent, 29-11-2021

Ter voorbereiding van de maandag in de eerste week van de advent, 29-11-2021

uit een herderlijke brief van de heilige Carolus Borromeo, bisschop van Milaan († 1584)

De advent

De tijd die de kerk zo plechtig viert, is aangebroken, of zoals de heilige Geest hem noemt: ‘de gunstige tijd, de dag van het heil’ (2 Kor. 6, 2), van de vrede en de verzoening; de tijd waarnaar de aartsvaders en profeten van vroeger met zoveel gebeden en verzuchtingen, met vurige aandrang hebben uitgezien, de tijd die de rechtvaardige Simeon eindelijk met diepe vreugde heeft mogen aanschouwen, de tijd die de kerk altijd zo plechtig heeft gevierd. Evenzo moeten wij hem beleven in godsvrucht, onophoudelijke lof en dank jegens de eeuwige Vader, voor de barmhartigheid die Hij ons in dit mysterie heeft betoond. Want door deze ‘Advent’ van zijn eniggeboren Zoon heeft de Vader, uit oneindige liefde voor ons, zondaars, Hem gezonden, om ons van de tirannie en de heerschappij van de duivel te bevrijden, ons tot de hemel uit te nodigen, ons binnen te leiden in de hemelse geheimen, ons de zuivere waarheid te openbaren, ons een leven te leren volgens zijn richtlijnen, de deugden in ons hart te zaaien, ons te verrijken met de schatten van zijn genade, ons tenslotte aan te nemen tot zijn kinderen en tot erfgenamen van het eeuwig leven.

de heilige Carolus Borromeo, bisschop van Milaan

Wanneer de kerk ieder jaar dit mysterie viert, vermaant zij ons telkens weer de zo grote liefde te gedenken die ons ten deel is gevallen. Tevens leert zij ons dat de komst van Christus niet alleen voor de tijdgenoten van de Verlosser heilzaam is geweest, maar dat wij allen tot op de huidige dag deel kunnen hebben aan de werkzaamheid van zijn genade, als wij tenminste bereid zijn door het heilig geloof en de sacramenten de genade te aanvaarden die Hij voor ons heeft verdiend, en met deze genade ons leven in gehoorzaamheid aan Hem willen inrichten.

Verder verlangt de kerk van ons dat wij beseffen dat Christus niet slechts die ene keer door zijn aardse geboorte in de wereld is gekomen, maar dat Hij bereid is ieder uur, ieder ogenblik opnieuw tot ons te komen, om door de Geest met de volheid van zijn genade in ons hart te wonen; alleen moeten wij van onze kant vermijden wat zijn komst in de weg staat.

Daarom wil de kerk, die als een toegewijde moeder bezorgd is om ons heil, ons in deze tijd van het jaar door de lofzangen, liederen en andere woorden van de heilige Geest én door haar eigen vieringen leren hoe wij deze grote weldaad dankbaar kunnen aannemen en met de vrucht ervan verrijkt worden. Daarom moet ons hart zich niet minder op deze tijd van Christus’ komst voorbereiden dan als Hij nu voor het eerst in deze wereld zou komen. Dat en niets anders hebben de vaders van het oude verbond ons in woord en voorbeeld geleerd, opdat wij hen navolgen.