Ter voorbereiding van de liturgie op zaterdag 29-02-2020

Ter voorbereiding van de liturgie op zaterdag 29-02-2020

Uit de geschriften van Hendrik Mande († 1431)

Tot inkeer komen om God te kunnen ontvangen

Jezus Christus, Zon der Gerechtigheid

Het rijk van God is niet gebonden aan tijd of plaats, maar ligt in de grond van de ziel. Daar woont God en dat is de plaats die Hem toebehoort. Wie meent dat God zijn genade geeft naar tijd en plaats, vergist zich. Als echter de mens bereid is, geeft God zijn genade in alle tijden en op alle plaatsen zonder ophouden; want God ziet naar geen tijd of plaats of persoon, maar wie zich tot God wendt, wordt door Hem aangenomen als een uitverkoren mens. Vandaar dat Hij zegt: ‘Keer u tot Mij en Ik zal Mij tot u keren’ (Klaagl. 5, 21). Want waar de zon geen opening of spleet vindt, daar treedt ze niet binnen. Zo is het ook met de eeuwige Zon der gerechtigheid, onze lieve Heer. Als wij ons hart niet openzetten en gereedmaken om Hem te ontvangen, zal Hij in ons met zijn genade niet binnen schijnen. Geven we ons daarom alle moeite om vrij en onthecht door de enge poort het eeuwige leven binnen te treden. Want willen we komen tot een leven van volmaaktheid en van ware inwendigheid, dan moeten wij eerst een fundament leggen en beginnen bij het nederigste en vervolgens van beneden naar boven klimmen en van het minste naar het meeste en van het laagste naar het hoogste.

De profeet zegt: ‘De Heer spreekt vrede tot zijn volk en tot hen die zich naar binnen keren’ (Ps. 85 (84), 9 – Vulg.). Wij moeten gehoor geven aan de goddelijke inspraken en bewegingen van de heilige Geest, en de tijd van zijn genade en gaven benutten en deze niet vruchteloos ontvangen maar ermee werken; zo zijn we in staat om nog meer genade te ontvangen. We moeten ook een grote uitwendige ledigheid vermijden. Maar als we zonder uitwendige bezigheid zijn, moeten we inwendige arbeid verrichten en ons met onze Beminde verenigen in vurige en liefdevolle gebeden en ons hart naar Hem proberen te richten. Te drukke bezigheden moeten we eveneens vermijden. Hebben we echter een bezigheid, ons bevolen door de gehoorzaamheid of het nut, dan moeten we daar niet geheel in opgaan. Want bij alle uitwendige bedrijvigheid moeten we ons steeds beijveren om, in de mate van het mogelijke, de rust van ons hart te bewaren en alle overdreven haast te schuwen, want verrichten we onze bezigheden met overhaasting, dan worden wij hierdoor erg gehinderd in ons binnenste. Daar komt bij dat we de dingen meestal slechter doen dan wanneer we werken met een vreedzaam hart en een rustig gemoed. Wij moeten alles doen met overleg en met een volkomen terzijdestelling van onszelf, zodat er geen eigen wil in onze werken overblijft. Laat ons steeds zeggen met de mond en met het hart: ‘Heer, niet mijn wil, maar uw wil geschiede’ (Lc. 22, 42).