Ter voorbereiding van de liturgie op zaterdag 07-03-2020

Ter voorbereiding van de liturgie op zaterdag 07-03-2020

Uit de geschriften van de priester Paul De Haes († 1984)

Het onderpand van Gods heilshandelen

In het verhaal van de instelling van het paasfeest in het boek Exodus lezen wij het volgende voorschrift: ‘Deze dag moet voor u een gedenkdag zijn, die gij als een feest ter ere van de Heer moet vieren. Gij zult hem vieren van geslacht tot geslacht: een eeuwige wet’ (Ex. 12, 14). Wanneer de latere generaties het paasmaal nuttigen, dan was dat niet enkel een hulpmiddel om hen te doen denken aan wat God eens gedaan had voor hun voorvaderen: de redding uit het slavenhuis van Egypte, de wonderlijke doortocht door de Rode Zee en het binnenleiden in het beloofde land. Men herdacht niet alleen wat er zoveel jaren geleden gebeurd was.

Het betrof hier immers een geschiedenis van de God van het heil, die eens zijn macht had getoond in de wonderbare bevrijding van zijn volk en nu voortgaat met zijn volk te heiligen en eens in volle heerlijkheid zal ontplooien wat nu in het klein en in het verborgene geschiedt. Het paasmaal is voor heel het joodse volk ingesteld ‘als een gedenkdag’; dat wil zeggen: ieder lid van het volk, waar hij zich ook bevindt in de tijd of in de ruimte, moet weten en mag ervaren dat ook voor hem God de verlossende en bevrijdende Heiland is die nu verlossing en heil geeft, zoals weleer aan de voorvaderen.

Door de paasliturgie beleeft het uitverkoren volk nu opnieuw de verlossing die God eens bewerkt heeft zoveel jaren geleden en die Hij nu verwezenlijkt in en aan allen die deelnemen aan het ‘gedachtenismaal’. Als vanzelfsprekend vloeit deze levendige en levendmakende gedachtenis over in dankzeggen. Ge-denken wordt danken. Gedachtig-zijn groeit uit tot dankzeggen en loven. Dit komt treffend tot uiting in psalm 116B (115), 13-14 die als een danklied werd gezongen tijdens het paasmaal:

‘Hoe kan ik mijn dank betuigen
voor al wat de Heer mij gaf?
De beker des heils zal ik nemen,
aanroepen de naam van de Heer.’

Voor zoveel uitmuntende weldaden wil de mens God danken en hij verlangt iets terug te geven, wat wederliefde te betuigen. Maar terzelfder tijd beseft de mens dat hij niets kan geven dat opweegt tegen de oneindige goedheid en liefde van God. Wat kan de vrome jood geven als tegenprestatie tegenover de verlossende liefde van de almachtige God?

Wat kunnen wij als christenen geven dat zou kunnen opwegen tegen het oneindige offer van Christus? Het enige dat wij kunnen doen, is de beker grijpen en aan God tonen wat Hij gedaan heeft: in het Oude Testament heeft Hij zijn volk verlost en bevrijd uit de slavernij van Egypte en in het Nieuwe Testament heeft Hij zijn enige Zoon gegeven, opdat wij zouden leven, bevrijd van de slavernij der zonde en levend van het genadeleven van God zelf. Deze dankzegging voor alles wat God ooit gedaan heeft, is tegelijk de sterkste smeekbede dat God onverminderd de verlossende en bevrijdende God blijft voor ons en voor onze generatie. Wat God gedaan heeft, is tevens de sterkste waarborg en het onderpand voor zijn heilshandelen nu, voor ons. Gods handelen is steeds beloftevol: in het Oude Testament werd de komst van de Messias aangekondigd en beloofd en in het Nieuwe Testament verwachten wij de tweede komst in volle heerlijkheid.