Ter voorbereiding van de heilige Mis op zaterdag 28-03-2020

Ter voorbereiding van de heilige Mis op zaterdag 28-03-2020

Uit de pastorale constitutie over de kerk in het leven van deze tijd van het Tweede Vaticaans Concilie.

Alle menselijke activiteit moet door het paasmysterie gezuiverd worden

Bidden met de heilige Schrift

De heilige Schrift leert, in overeenstemming met een eeuwenlange ervaring, dat menselijke vooruitgang een groot goed is, maar tegelijkertijd een grote verleiding in zich sluit. Want omdat de rangorde der waarden is verstoord en goed en kwaad met elkaar zijn vermengd, hebben afzonderlijke personen en groepen alleen nog oog voor hun eigen belangen en niet voor die van anderen.

Daardoor komt het dat de wereld nog steeds niet de plaats is van echte broederschap. Tegelijkertijd dreigt de groeiende macht van de mens de mensheid zelf te vernietigen.

Op de vraag hoe men deze ellendige toestand te boven kan komen, antwoorden de christenen dat door het kruis en de verrijzenis van Christus alle menselijke activiteit, die door trots en ongeregelde eigenliefde dagelijks wordt bedreigd, gezuiverd en tot volmaaktheid gebracht moet worden.

Want de mens is in Christus verlost en in de heilige Geest is hij tot een nieuw schepsel herboren. Daarom kan en moet hij de door God geschapen dingen liefhebben. Van God immers ontvangt hij ze; hij beschouwt en behandelt ze met eerbied als geschenken uit Gods hand.

Hij dankt zijn Weldoener daarvoor; hij maakt gebruik en geniet van het geschapene in een geest van onthechting en vrijheid. Zo komt hij tot het waarachtige bezit van de wereld, als iemand die niets heeft en toch alles bezit. ‘Want alles is van u, maar gij zijt van Christus en Christus is van God’ (1 Kor. 3, 22-23).

Het Woord van God immers, waardoor alles is gemaakt, is mens geworden en op aarde komen wonen onder de mensen. Hij is als een volmaakte mens binnengetreden in de wereldgeschiedenis die Hij in zich heeft opgenomen en onder één hoofd heeft samengebracht. Het Woord openbaart ons: ‘God is liefde’ (1 Joh. 4, 8), en leert ons tegelijk dat het nieuwe gebod van de liefde de wet is die ten grondslag ligt aan de menselijke volmaaktheid en dus ook aan de totale verandering van de wereld.

De mensen die in de liefde van God geloven, verzekert Hij dat de weg van de liefde voor allen openstaat en dat de inspanning om een wereldwijde broederschap te vestigen niet zinloos is. Ook vermaant Hij hen dat ze deze liefde niet alleen in grote daden moeten zoeken, maar op de eerste plaats in het gewone leven van elke dag.

Voor ons allen, zondaars, onderging Hij de dood en door zijn voorbeeld leert de Heer ons: ook wij moeten het kruis dragen dat vlees en wereld op de schouders leggen van hen die vrede en gerechtigheid zoeken.

Door zijn verrijzenis tot Heer aangesteld, werkt Christus – aan wie alle macht in de hemel en op aarde is gegeven – thans door de kracht van zijn Geest in het hart van de mens. Hij wekt er niet alleen het verlangen naar de komende wereld, maar tevens bezielt, zuivert en versterkt Hij het edelmoedige streven van de mensheid, om haar leven menselijker te maken en de hele aarde naar dit doel te richten.

De gaven van de Geest zijn verschillend. Hij roept sommigen om openlijk te getuigen van het verlangen naar de hemelse woning en om dit verlangen ook levendig te houden onder de mensen. Anderen roept Hij tot de aardse dienst van de mensen, om door dit dienstwerk de bouwstenen voor het hemelse rijk te leveren.

Van allen echter maakt de Geest vrije mensen, die de eigenliefde afwijzen en alle aardse krachten aanwenden in dienst van het menselijk leven, teneinde zich op die toekomst te richten waarin de mensheid zelf een welgevallige offerande voor God zal zijn.